- Arrêt of October 29, 2012

29/10/2012 - 2011/AA/644

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer de arbeidsovereenkomst niet de objectieve elementen bevat aan de hand waarvan het voorwerp van de verbintenis van de werkgever om een groepsverzekering en een hospitalisatieverzekering te sluiten kan worden bepaald, is die verbintenis nietig.

Wanneer de overeenkomst voorziet in het recht op een bonus op basis van behaalde resultaten, maar de te behalen resultaten niet bepaald zijn of niet kunnen worden bepaald, kan de werknemer geen aanspraak maken op de maximale bonus noch op een schadevergoeding. In dat geval komt het de rechter niet toe om in de plaats van partijen de voorwaarden vast te leggen.


Arrêt - Integral text

Tussenarrest op tegenspraak

herop. deb. op 27 mei 2013 om 10.20uur

(toep. art. 775 Ger.W.)

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

___________________

ARREST

A.R. 2011/AA/644

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

nv B,

met maatschappelijke zetel gevestigd te

appellante,

vertegenwoordigd door mr. D. Pressman en mr. T. Van de Calseyde loco mr. H. Buyssens, advocaat te 2600 Antwerpen,

tegen :

F S,

wonende te

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door L. Dockx loco mr. S. Gibens, advocaat te 2060 Antwerpen.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 25 oktober 2011 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 november 2011,

- de beschikking d.d. 9 januari 2012,

- de conclusie voor mevrouw S, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 19 maart 2012,

- de conclusie voor de nv B, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 21 mei 2012,

- de aanvullende conclusie voor mevrouw S, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 20 juni 2012,

- de syntheseconclusie voor de nv B, ontvangen op 20 juli 2012,

- de syntheseconclusie voor mevrouw S, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 6 augustus 2012,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 9 januari 2012 en 17 september 2012.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met dagvaarding van 10 juni 2010, vorderde mevrouw S de veroordeling van de nv B, hierna genoemd de NV,

* tot betaling van:

- 4.200 EUR bruto provisioneel patronaal gedeelte groepsverzekering over de ganse periode van tewerkstelling

- 100.000 EUR bruto provisioneel gederfd kapitaal bij overlijden/leven

- 15.338,25 EUR bruto bonussen 2008 en 2009

- 36.785,27 EUR bruto verbrekingsvergoeding

- 98,20 EUR netto maaltijdcheques februari 2010

- 3.393,28 EUR bruto loon 1 tot en met 19 maart 2010

- 49,10 EUR netto maaltijdcheques maart 2010

- 867,17 EUR bruto pro-rata eindejaarspremie 2010

- 187,50 EUR bruto ecocheques 2010 pro rata

- 146,74 EUR netto forfaitaire contractuele onkostenvergoeding maart 2010

- 136,97 EUR netto werkelijk bewezen onkosten (art. 4 arbeidsovereenkomst)

- 10.420,69 EUR bruto vertrekvakantiegeld 2009-2010

- 2.249,84 EUR bruto vertrekvakantiegeld 2010-2011,

te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, berekend op het bruto basisloon vanaf de datum van opeisbaarheid en tot de kosten van het geding;

* tot afgifte van de sociale en fiscale documenten, m.n. de loonafrekening van het ogenblik van betaling, het afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na betaling, de fiscale loonfiche 281.10 vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling en het aangepaste C4 formulier op verbeurte

van een dwangsom van 25 EUR per dag en per ontbrekend document per maand vertraging in de aflevering ervan;

* de tegenvordering van de NV onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren

Met conclusie vorderde de NV de vorderingen van mevrouw S ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en de tegenvordering ontvankelijk en gegrond, vervolgens mevrouw S te veroordelen tot betaling van 20.812,12 EUR als schadevergoeding voor de contractbreuk vanwege mevrouw S, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten;

de NV vorderde vervolgens mevrouw S te veroordelen tot betaling van 29.469,27 EUR m.b.t. de autokosten die het voorwerp uitmaken van de factuur nr. B000194 van 18 mei 2010 overeenkomstig de aanmanings-dagvaarding van 7 juli 2010 voor de 10° kamer B van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, die zich met vonnis van 15 december 2010 onbevoegd verklaarde en de zaak verzond naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen, deze vordering te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de factuurdatum en tot de kosten van het geding.

Met vonnis van 25 oktober 2011 werd de NV veroordeeld tot betaling van:

- 4.200,00 EUR bruto provisioneel patronaal gedeelte groepsverzekering over de ganse periode van tewerkstelling

- 100.000,00 EUR bruto provisioneel gederfd kapitaal bij overlijden/leven

- 15.338,25 EUR bruto bonussen 2008 en 2009

- 36.785,27 EUR bruto opzeggingsvergoeding

- 98,20 EUR netto maaltijdcheques februari 2010

- 3.393,28 EUR bruto loon 1 tot en met 19 maart 2010

- 49,10 EUR netto maaltijdcheques maart 2010

- 867,17 EUR bruto pro rata eindejaarspremie 2010

- 187,50 EUR bruto pro rata ecocheques 2010

- 146,74 EUR netto forfaitaire contractuele onkostenvergoeding maart 2010

- 136,97 EUR netto werkelijke bewezen onkosten (artikel 4 arbeidsovereenkomst)

- 10.420,69 EUR bruto vertrekvakantiegeld 2009-2010

- 2.249,84 EUR bruto vertrekvakantiegeld 2010-2011,

deze bedragen te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op de brutobedragen en te vermeerderen met de verwijlintresten en de gerechtelijke intresten op het netto equivalent van het bruto vakantiegeld einde dienst;

de NV werd veroordeeld tot afgifte van een loonfiche, een afschrift van de individuele rekening, de fiscale fiches 281.10 en een formulier C4 in overeenstemming met het vonnis;

de tegenvordering werd ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen.

Tegen dit vonnis tekende de NV op 30 november 2011 hoger beroep aan.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

In hoger beroep vordert de NV het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van mevrouw S ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en in zoverre de NV zou worden veroordeeld tot betaling van achterstallig vertrekvakantiegeld, het bedrag van deze veroordeling te compenseren met het bedrag waartoe mevrouw S ten laste van de NV wordt veroordeeld;

ondergeschikt, vordert de NV slechts maximaal veroordeeld te worden tot een opzeggingsvergoeding van 24.603,46 EUR;

m.b.t. de tegenvordering vordert de NV deze ontvankelijk en gegrond te verklaren en mevrouw S te veroordelen tot betaling van:

- 24.603,46 EUR als opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de moratoire en gerechtelijke intresten vanaf 19 maart 2010

- 29.496,27 EUR voor autokosten, te vermeerderen met de moratoire en gerechtelijke intresten sedert 3 maart 2010;

ondergeschikt mevrouw S minstens te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de meerkosten inzake het excessief privégebruik van de firmawagen, provisioneel begroot op 1,00 EUR.

- mevrouw S te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met conclusie vordert mevrouw S het hoger beroep van de NV ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het vonnis van 25 oktober 2011 integraal te bevestigen en, ondergeschikt, de NV in toepassing van art. 877 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek te bevelen de te behalen targets alsook de resultaten die mevrouw S behaalde in 2008 en 2009 over te maken zodat het bedrag van de bonus kan bepaald worden.

Verder vordert mevrouw S de NV te veroordelen tot de kosten van het geding.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

De ter zake relevante feiten werden door de eerste rechters in het bestreden vonnis correct weergegeven.

Het arbeidshof verwijst daarnaar en aanziet die uiteenzetting hierbij als herhaald.

2. De beoordeling

2.1. Antwoord op de aangevoerde middelen

Krachtens artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek bevat het vonnis, op straffe van nietigheid, onder meer het onderwerp van de vordering en het antwoord op de conclusies of middelen van de partijen.

Artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie - uitzonderingen die in deze zaak niet van toepassing zijn - de laatste conclusie van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusie en dat voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, de syntheseconclusie alle vorige conclusies vervangen en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusie neerlegt.

De laatste conclusie van een partij wordt geacht een syntheseconclusie te zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de rechter niet hoeft te antwoorden op vorderingen, excepties of middelen die, hoewel ze in vorige conclusie of de akte van hoger beroep wél gesteld zijn, maar in de laatste conclusie van een partij niet meer gesteld worden. (P. TAELMAN en P. VAN ORSHOVEN (eds.), "De wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand doorgelicht", Die Keure, Brugge, 2007, nr. 66-68; P. DAUW en S.VOET, Gewijzigd gerechtelijk recht, Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, N.j.W. 2007, 589)

In de mate dat mevrouw S in haar laatste conclusie (blz. 10, 4de alinea en blz. 11, voorlaatste alinea) middelen aanvoert door een loutere verwijzing naar motieven in het bestreden vonnis, zonder de inhoud daarvan uitdrukkelijk over te nemen, is het arbeidshof niet gehouden deze te beantwoorden.

2.2. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst - opzeggingsvergoeding

De NV voert aan dat mevrouw S de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd ingevolge een eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel ervan en meer bepaald

- door in strijd met de overeenkomst te doen alsof er geen beperking stond op het aantal kilometers dat zij voor woon-werkverkeer en privédoeleinden mocht rijden (maximaal 40.000 km per jaar), terwijl zij die limiet ruimschoots had overschreden

- door naderhand te weigeren daarvoor een vergoeding te betalen voor de meerkost daarvan

- door te weigeren om de wagen voortaan 's avonds in de parking te laten staan wanneer de NV haar dat vroeg

- door de wagen tijdens haar ziekteperiode verder voor privédoeleinden te gebruiken.

De NV meent dat daaruit in hoofde van mevrouw S de blijvende wil moet worden gedistilleerd om de arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen.

Het arbeidshof oordeelt daarover als volgt.

Weliswaar is het juist dat mevrouw S volgens de arbeidsovereenkomst slechts een beperkt recht op privégebruik van de bedrijfswagen had, namelijk voor woon-werkverkeer en maximaal 40.000 km per jaar, en is het eveneens juist dat zij die verbintenis niet is nagekomen.

Dit is echter een loutere contractuele tekortkoming die op zich de arbeidsovereenkomst nog niet doet eindigen. (Cass. 26 januari 2004, S.03.0067.F, www.cass.be, op datum; Cass. 22 november 1993, AR 040385, www.cass.be., op datum)

Om te kunnen besluiten dat de arbeidsovereenkomst eenzijdig en onrechtmatig werd beëindigd door mevrouw S is tevens vereist dat uit de ingeroepen contractuele wanprestaties - al dan niet in samenhang met andere elementen uit het dossier - haar wil blijkt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen of een essentieel bestanddeel daarvan eenzijdig te wijzigen.

De aan mevrouw S verweten tekortkomingen, voor zover al bewezen, laten echter niet toe te besluiten dat deze de uitdrukking waren van haar wil om de arbeidsovereenkomst met de NV te beëindigen of te wijzigen.

Het feit dat mevrouw S ook geen gevolg heeft gegeven aan de vraag van de NV in haar brief van 4 maart 2008 om de wagen op de parking te stallen, kan zelfs niet beschouwd worden als een contractuele tekortkoming, nu de NV niet het recht had om haar eenzijdig het gebruik van de bedrijfswagen voor woon-werkverkeer te ontzeggen, evenmin tijdens haar ziekteperiode.

De enkele omstandigheid dat zij een inbreuk had begaan op een van de op haar rustende verplichtingen, verleende de NV nog niet het recht om eenzijdig haar verbintenis te herroepen.

In ieder geval kan die houding, indien ze al een tekortkoming zou zijn, niet beschouwd worden als de uitdrukking van haar wil om de arbeidsovereenkomst niet langer te willen verderzetten.

Door met brief van 19 maart 2010 contractbreuk in te roepen ten laste van mevrouw S heeft de NV echter zelf op onregelmatige wijze de arbeidsovereenkomst beëindigd en is zij gehouden om aan mevrouw S een opzeggingsvergoeding te betalen.

Tussen partijen bestaat betwisting over de omvang van de verschuldigde opzeggingsvergoeding.

Op goede gronden naar welke het arbeidshof verwijst en die hierbij als herhaald worden beschouwd, hebben de eerste rechters in het bestreden vonnis (blz. 12, 3de laatste en voorlaatste alinea) terecht de principes uiteengezet op grond waarvan de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn en de daarmee overeenstemmende opzeggingsvergoeding moet worden bepaald, alsook de concrete elementen waarover geen betwisting bestaat (ook niet in graad van hoger beroep).

Enkel over het jaarloon bestaat betwisting.

Het arbeidshof is van oordeel dat het jaarloon waarop mevrouw S gerechtigd was op het ogenblik van het ontslag 78.010,39 EUR bedraagt, samengesteld als volgt:

- vast loon, eindejaarspremie en vakantiegeld: 72.426,18 EUR

- voordelen in natura (BMW 520D) 350 x 12: 4.200,00 EUR

- maaltijdcheques 4,91 x 231: 1.134,21 EUR

- ecocheques: 250,00 EUR

Het bestaan van het voordeel in natura van het (beperkt) gebruik van de bedrijfswagen wordt op zich niet betwist, noch de omvang ervan zoals door mevrouw S becijferd en dat bovendien behoorlijk blijkt uit de elementen die de NV zelf heeft aangehaald in haar brief van 3 maart 2010. (stuk 3 van de NV)

Er kan echter geen bonus in rekening gebracht worden voor de berekening van het jaarloon op het tijdstip van het ontslag. (zie infra)

Rekening gehouden met het jaarloon van mevrouw S (78.010,39 EUR), haar anciënniteit (1 jaar en ruim 9 maanden), haar functie van projectmanager en haar leeftijd (°13 maart 1972) op het ogenblik van het ontslag, diende de NV een opzeggingstermijn in acht te nemen van vijf maanden, zodat de NV gehouden is om een opzeggingsvergoeding van 32.504,33 EUR te betalen.

Evident volgt uit het voorgaande dat de eis van de NV die strekt tot veroordeling van mevrouw S om aan de NV een opzeggingsvergoeding te betalen ongegrond is.

Het hoger beroep is deels gegrond.

2.3. Werkgeversbijdragen in de groepsverzekering - gederfd kapitaal bij overlijden/leven

Mevrouw S vordert ten laste van de NV de betaling van premies in de groepsverzekering voor de gehele periode van tewerkstelling, hetzij een bedrag van 4.200,00 EUR.

Verder vordert zij de betaling van 100.000,00 EUR bruto provisioneel als gederfd kapitaal bij overlijden/leven.

Artikel 4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt:

"De bediende krijgt ter beschikking over een firmawagen, een gsm, een laptop, een groeps- en hospitalisatie verzekering en een vergoeding ‘onkosten eigen aan de werkgever' ten bedrage van 225 euro netto maand naast de bewezen kosten en dit uitsluitend ivm opgelegde taken"

(stuk 1 van de NV)

De NV voert aan dat die verbintenis nietig is wegens gebrek aan bepaald of bepaalbaar voorwerp.

Het arbeidshof oordeelt daarover als volgt.

Luidens artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek is voor de geldigheid van de overeenkomst vereist dat aan vier voorwaarden is voldaan, met name een geldige toestemming, de bekwaamheid tot contracteren, een bepaald of bepaalbaar voorwerp en een geldige oorzaak.

Artikel 1126 van dit wetboek vereist dat ieder contract tot voorwerp heeft iets dat een partij zich verbindt te geven of te doen of niet te doen.

Artikel 1129 van dit wetboek stelt dat de verbintenis een zaak tot voorwerp moet hebben die ten minste ten aanzien van haar soort bepaald is. De hoeveelheid van de zaak mag onzeker zijn, mits deze hoeveelheid nader bepaald kan worden.

In deze heeft de NV zich in de arbeidsovereenkomst van 28 mei 2008 ertoe verbonden dat de bediende een groeps- en hospitalisatieverzekering krijgt.

Naar het oordeel van het Hof is het voorwerp van een verbintenis bepaalbaar wanneer het contract objectieve elementen bevat waardoor het kan worden vastgesteld, zonder dat een nieuw akkoord tussen partijen nodig is.(Cass. 13 juni 2005, S.04.0109.N, www.juridat.be, op datum; J.T.T. 2006, 29; Cass. 21 februari 1991, Pas. 1991, I, 904; Cass. 15 februari 1985, R.W. 1986-87, 543; Cass. 21 september 1987, A.C. 1986-87, 84; Arbh. Luik, 15 februari 2006, J.T.T. 2006, 334)

Dit is in casu echter niet het geval.

In de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn in het geheel geen objectieve gegevens voorhanden aan de hand waarvan de omvang en de draagwijdte van de dekking van de "groepsverzekering en hospitalisatieverzekering" had kunnen vastgesteld worden ten tijde van het aangaan van de verbintenis tot het sluiten van de betreffende verzekeringen.

Het is immers onmogelijk om aan de hand van de overeenkomst aan te wijzen welke risico's juist gedekt zouden zijn (leven, overlijden, invaliditeit) en ten beloop van welke bedragen, vanaf welk ogenblik de dekking van de verzekeringen zou ingaan (eventuele wachttijd), hoelang en onder welke voorwaarden de begunstigde zou kunnen genieten van de dekking, of de begunstigde al dan niet zélf een deel van de premie zou moeten betalen, enz.

Het arbeidshof is van oordeel dat, nu de overeenkomst tussen partijen zélf de objectieve elementen moet bevatten aan de hand waarvan het voorwerp moet kunnen bepaald worden, terwijl zulks in casu niet het geval is, het voorwerp van de verbintenis van de NV niet bepaalbaar en derhalve nietig is.

Uit wat voorafgaat volgt dat het voorwerp van de verbintenis van de NV tot het sluiten van een groepsverzekering en hospitalisatieverzekering zoals voorzien in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst niet bepaald noch bepaalbaar is, zodat de overeenkomst in die mate nietig is.

Daaruit volgt dat de eerste rechters ten onrechte de NV hebben veroordeeld tot betaling van vergoedingen die gesteund zijn op de niet naleving door de NV van een bepaling van de overeenkomst die nietig is.

De NV heeft echter in haar conclusies van 29 december 2010 (blz. 6 onderaan) voor de eerste rechters erkend dat een hospitalisatieverzekering was gesloten en dat die aanvang had genomen op 9 januari 2009.

Het bestaan van die hospitalisatieverzekering kan door de NV dan nog bezwaarlijk worden ontkend ook niet wanneer, zoals hiervoor werd vastgesteld, de overeenkomst desbetreffend nietig was bij gebreke van bepaald of bepaalbaar voorwerp.

Noch de omvang van die premie noch de omvang van de dekking zijn echter gekend, om de eenvoudige reden dat de polis niet wordt voorgebracht.

Maar uiteindelijk is dit ook niet relevant, omdat mevrouw S hoe dan ook geen aanspraak kan maken op de betaling in haar handen van de premies die de NV zou nagelaten hebben te betalen.

Uit het feit dat de NV een hospitalisatieverzekering heeft gesloten ten voordele van mevrouw S, feit dat de NV eigenlijk zelf heeft erkend en waarop mevrouw S zich ook beroept, moet worden afgeleid dat de NV haar contractuele verplichting desbetreffend is nagekomen.

In de mate dat mevrouw S in ondergeschikte orde schadevergoeding vordert omdat de NV haar verbintenis om een hospitalisatieverzekering af te sluiten niet is nagekomen, is die eis eveneens ongegrond om de eenvoudige reden dat die verzekering wel degelijk werd gesloten en mevrouw S zelfs niet aanvoert (laat staan aantoont) dat zij van die dekking niet heeft kunnen genieten.

Maar zelfs indien de NV die hospitalisatieverzekering niet zou gesloten hebben kan, zoals hiervoor reeds werd vermeld, het niet uitvoeren door een partij van een verbintenis die steunt op een nietige bepaling van een overeenkomst niet leiden tot diens contractuele aansprakelijkheid, en uiteraard evenmin tot diens gehoudenheid om schadevergoeding te betalen.

Het hoger beroep is voor wat dit onderdeel betreft gegrond.

2.4. de gevorderde bonussen

Mevrouw S vordert de betaling voor 2008 en 2009 van een bonus van respectievelijk 7.500,00 EUR en 7.838,25 EUR.

De NV voert aan dat zij geen bonus verschuldigd is omdat de overeenkomst desbetreffend nietig is bij gebreke van bepaald of bepaalbaar voorwerp.

Het arbeidshof oordeelt daarover als volgt.

Artikel 3, tweede lid, van de arbeidsovereenkomst bepaalt:

"(...) Een bonus, die 2 maal per jaar zal uitbetaald worden, op basis van behaalde resultaten (nader te definiëren na 2 maanden) en dat kan oplopen tot 1.5 van het bruto maandloon. (...)

(stuk 1 van de NV)

Ook hier is het arbeidshof van oordeel dat de verbintenis geen bepaald of bepaalbaar voorwerp heeft en dit op grond van dezelfde motieven als hiervoor sub 2.3. aangehaald.

De overeenkomst voorziet immers dat de bonus wordt toegekend op basis van behaalde resultaten, nader te definiëren na 2 maanden, en met een maximum van anderhalf maal het bruto maandloon.

Nu uit niets blijkt dat er ooit te behalen resultaten werden vastgelegd, hetzij door beide partijen, hetzij door de NV (indien in de overeenkomst het bepalen daarvan was overgelaten aan de NV en het dus zou gaan om een partijbeslissing), kan niet uitgemaakt worden of mevrouw S al dan niet gerechtigd was op een bonus, laat staan dat kan bepaald worden welke de omvang daarvan was.

Het ontbreken van criteria die het mogelijk moesten maken om de omvang van de bonus te bepalen verleent mevrouw S uiteraard niet het recht op de betaling van de maximale bonus.

In tegenstelling tot wat mevrouw S betoogt, komt het de rechter niet toe zich in de plaats van partijen stellen om de criteria vast te leggen die gehanteerd moeten worden voor het berekenen van de bonus.

In de mate dat het niet vastleggen van doelstellingen voor het bepalen van het recht op een bonus als een contractuele fout kan worden beschouwd (indien de overeenkomst het bepalen daarvan aan de NV zou overgelaten hebben en het dus om een partijbeslissing zou gaan) toont mevrouw S in ieder geval niet aan dat zij daardoor schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van die fout.

Mevrouw S kan dus geen aanspraak maken op de betaling van de door de eerste rechters toegekende bonussen.

Evenmin is zij gerechtigd op betaling van schadevergoeding.

2.5. pro rata eindejaarspremie

Nu de NV zelf de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze heeft beëindigd, is zij op grond van de in de schoot van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor bedienden nr. 218 gesloten collectieve arbeidsovereen-komsten, waaronder de NV voor haar bedienden ressorteert, gehouden om aan mevrouw S de door de eerste rechters toegekende pro rata eindejaarspremie van 867,17 EUR te betalen, waarvan de becijfering op zich in graad van hoger beroep niet wordt betwist.

2.6. kostenvergoedingen

Volgens artikel 4 van de arbeidsovereenkomst genoot mevrouw S een vergoeding onkosten eigen aan de werkgever van 225 EUR netto per maand, naast de bewezen kosten en dit uitsluitend in verband met opgelegde taken.

De vergoeding van 225 EUR per maand is duidelijk een verdoken loon en geen kostenvergoeding, vermits alle andere beroepsonkosten nog afzonderlijk werden vergoed.

Het is dan ook terecht dat mevrouw S voor de periode dat zij in maart 2010 (tot de 19de) nog in dienst was, en los van het feit of zij die dagen effectief arbeid presteerde en ongeacht de dagen dat zij ziek was, gerechtigd is op de betaling van een vergoeding die met die periode overeenstemt, hetzij op 15/23sten van 225 EUR of 146,74 EUR.

Verder vordert mevrouw S terecht en gestaafd door stukken de terugbetaling van een bedrag van 136,97 EUR kosten die zij in het kader van haar arbeid voor de NV maakte. (stuk 17 van mevrouw S)

2.7. maaltijdcheques

Mevrouw S vordert de betaling van een vergoeding van 98,20 EUR voor niet afgeleverde maaltijdcheques in februari 2010 (kennelijk bij vergissing werd 2009 vermeld), vordering waarover de NV geen enkel valabel verweer voert.

Die eis is gegrond.

Verder vordert mevrouw S de betaling van een vergoeding gelijk aan de werkgeversbijdrage voor 10 maaltijdcheques voor de maand maart 2010, hetzij 49,10 EUR .

Terecht voert de NV aan dat, vermits mevrouw S in maart 2010 slechts 1 dag effectief presteerde, zij slechts gerechtigd is op een bedrag van 4,91 EUR.

2.8. vakantiegeld einde dienst

De NV is gehouden tot betaling van het door mevrouw S gevorderde vakantiegeld einde dienst voor het dienstjaar 2010, hetzij een bedrag van 2.249,84 EUR.

De NV beweert immers ten onrechte dat voor de berekening ervan geen rekening mag worden gehouden met de pro rata eindejaarspremie voor dat jaar, terwijl hiervoor werd beslist dat mevrouw S daarop wel gerechtigd is.

Voor het dienstjaar 2009 blijft de NV een bedrag van 9.118,11 EUR verschuldigd, becijferd als volgt: (67.931,50 x 15,34%) - 1.302,58 EUR voor 5 opgenomen vakantiedagen in maart 2010.

2.9. de tegenvordering

Zonder enige verduidelijking ter zake vordert de NV in haar laatste conclusie (blz. 20 in fine) de betaling van een bedrag van 29.496,27 EUR "uit hoofde van autokosten".

Op de openbare terechtzitting van 17 september 2012 verklaart de NV dat de eis in betaling van dat bedrag niet de betaling van de factuur tot voorwerp heeft waarvoor zij initieel een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg had

ingesteld, maar de betaling van een vergoeding wegens het excessief gebruik, in strijd met de overeenkomst, van de aan mevrouw S ter beschikking gestelde bedrijfswagen.

In de mate dat het arbeidshof de omvang van de gevorderde schadevergoeding niet voldoende bewezen zou achten, beperkt de NV haar vordering tot een voorlopig bedrag van 1,00 EUR.

Het arbeidshof oordeelt daarover als volgt.

Uit de arbeidsovereenkomst en het document ondertekend op 25 juni 2008 blijkt ontegensprekelijk dat mevrouw S enkel het recht had om de bedrijfswagen die haar ter beschikking was gesteld voor woon- werkverkeer te gebruiken voor maximaal 40.000 km per jaar.

Impliciet doch zeker voert mevrouw S aan dat uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat niet zo strikt op dat privégebruik werd toegezien omdat zij nooit verplicht werd de auto elke avond opnieuw te stallen en dat er geen verplichting bestond om de kilometers op te schrijven.

De NV voert aan dat het excessief gebruik van de bedrijfswagen blijkt uit het feit dat mevrouw S in maart 2010 reeds 66.964,90 km teveel had gereden.

Het arbeidshof stelt zich echter de vraag of en in welke mate de NV rekening heeft gehouden met de kilometers die mevrouw S desgevallend voor beroepsdoeleinden zou hebben afgelegd.

Die komen voor de berekening van een eventueel "excessief privégebruik" uiteraard niet in aanmerking.

Of het instellen van die vordering in hoofde van de NV een misbruik van recht zou uitmaken, kan thans niet worden beoordeeld.

Rest evenwel de vraag of en in welke mate mevrouw S "een excessief gebruik" van de bedrijfswagen heeft gemaakt waarvoor zij aansprakelijk zou kunnen worden geacht, onder meer rekening gehouden met artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Partijen hebben daarover echter geen debat gevoerd zodat de heropening van het debat wordt bevolen om partijen toe te laten daarover standpunt in te nemen.

Nu de eis in betaling van die vergoeding niet is beslecht is de vraag tot compensatie met het door de NV nog verschuldigde vakantiegeld einde dienst ongegrond.

BESLISSING

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het vonnis van 25 oktober 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt vernietigd en het arbeidshof oordeelt opnieuw als volgt:

Over de eis van mevrouw S:

De nv B wordt veroordeeld om aan mevrouw S te betalen:

- 32.504,33 EUR opzeggingsvergoeding

- 867,17 EUR pro rata eindejaarspremie 2010

- 146,74 EUR verdoken loon - kostenvergoeding maart 2010

- 136,97 EUR kostenvergoeding

- 98,20 EUR vergoeding maaltijdcheques februari 2010

- 4,91 EUR vergoeding maaltijdcheques maart 2010

- 9.118,11 EUR vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 2009

- 2.249,84 EUR vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 2010,

verminderd met de wettelijk verplichte inhoudingen voor sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing en vermeerderd met de wettelijke verwijlintresten en de gerechtelijke intresten op de brutobedragen, behoudens voor wat het toegekende vakantiegeld einde dienst betreft waarvan de intresten dienen berekend te worden op de netto verschuldigde bedragen.

De nv B wordt veroordeeld tot afgifte aan mevrouw S van een loonfiche, een afschrift van de individuele rekening, de fiscale steekkaarten 281.10 en een C4-formulier, in overeenstemming met deze beslissing.

Het arbeidshof verklaart de overige eisen van mevrouw S ongegrond.

Over de eis van de nv B:

Vooraleer verder recht te spreken beveelt het arbeidshof de heropening van het debat omwille van de motieven die in de overwegingen van dit arrest zijn aangehaald.

Het arbeidshof beveelt in toepassing van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen hun schriftelijke opmerkingen over het ambtshalve ingeroepen middel zullen uitwisselen en aan het arbeidshof zullen overhandigen door het neerleggen ervan ter griffie binnen de volgende termijnen:

- voor de nv B uiterlijk op 26 november 2012

- voor mevrouw S uiterlijk op 31 december 2012

- voor de nv B uiterlijk op 31 januari 2013

- voor mevrouw S uiterlijk op 5 maart 2013.

Dit alles op straffe van verwijdering van die opmerkingen uit het debat.

Het arbeidshof bepaalt de datum waarop partijen zullen worden gehoord op

27 mei 2013 om 10.20 uur in zaal G op de gelijkvloerse verdieping van het Gerechtsgebouw te Antwerpen, Cockerillkaai 39 - 2000 Antwerpen.

De beslissing over de kosten wordt aangehouden.

Aldus gewezen door

de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter,

de heer E. MERTENS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

de heer L. LAUWERYSEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw L. PELEMANS, griffier

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in buitengewone openbare terechtzitting van 29 oktober 2012.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT : arbeidsovereenkomst

  • verplichtingen van de werkgever

  • eenzijdige verbintenis

  • groepsverzekering en hospitalisatieverzekering

  • bonus

  • voorwerp en voorwaarden niet bepaald

  • geen recht

  • macht van de rechter