- Arrêt of March 14, 2012

14/03/2012 - 2011/AA/397

Case law

Summary

Samenvatting 1

Niettegenstaande de werkgever de premie van een groepsverzekering aan een derde dient te betalen, is een dergelijke premie ten behoeve van het personeel, loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, vermits het een in geld waardeerbaar voordeel uitmaakt dat betaald wordt als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Op de door de werkgever verschuldigde bijdragen in de groepsverzekering zijn van rechtswege wettelijke intresten verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop de betaling van de bijdrage eisbaar is geworden.


Arrêt - Integral text

Eindarrest op tegenspraak

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

___________________

ARREST

A.R. 2011/AA/397

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN MAART TWEEDUIZEND EN TWAALF

VZW K.L.S.,

met zetel te ...,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. A. Rogge, advocaat te 2000 Antwerpen,

tegen :

B.D.W.,

wonende te ...,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. H. Maris, advocaat te 9000 Gent.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 21 december 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 juni 2011;

- de beschikking d.d. 6 september 2011 overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de verbeterende beschikking d.d. 23 september 2011;

- de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 7 oktober 2011 en 7 december 2011 voor de VZW K.L.S. en op 2 september 2011, 7 november 2011 en 6 januari 2012 voor de heer D.W.;

- de overtuigingstukken van de partijen;

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 september 2011 en 8 februari 2012.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Bij dagvaarding van 29 juni 2006 vorderde de heer D.W. om de VZW K.L.S., hierna de VZW genoemd, te veroordelen tot betaling van:

- achterstallige contractuele vergoedingen uit hoofde van bijdragen in de groepsverzekering ten belope van 90.988,10 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert 1 juli 2003 op een bedrag van 20.430,97 euro, sedert 1 juli 2004 op een bedrag van 27.823,04 euro, sedert 1 juli 2005 op een bedrag van 42.734,09 euro, minstens met de wettelijke intresten sedert 11 mei 2006 en met de gerechtelijke intresten vanaf 29 juni 2006, minstens om deze vergoedingen te storten aan de verzekeringsmaatschappij Mercator, waar het contract van de heer D.W. volgens de laatste employee benefits statement gekend zou zijn onder contractreferentie 1.871.286;

- 25.000,00 euro, provisioneel begroot, ten titel van gederfde winsten en winstdeelname uit hoofde van de niet of niet-correct betaalde contractuele vergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 11 mei 2006 en de gerechtelijke intresten vanaf 29 juni 2006, minstens over te gaan tot de aanstelling van een deskundige op kosten van de VZW met opdracht:

"op basis van alle nuttige documenten en desgevallend na het inwinnen van gespecialiseerde adviezen, de schade te beschrijven en daarvan de omvang te bepalen die de heer D.W. heeft geleden ten gevolge van het feit dat de VZW heeft nagelaten de in de arbeidsovereenkomst bedongen bijdragen in de groepsverzekering bij de verzekeringsmaatschappij Mercator volledig en op de overeengekomen tijdstippen te betalen";

- 2.000,00 euro, begroot ex aequo et bono, ten titel van advocaatkosten en bijkomende kosten noodzakelijk met het oog op de invordering.

Ten slotte vorderde de heer D.W. de VZW te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement.

Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 25 juni 2007 herformuleerde de heer D.W. zijn vordering in de hiernavolgende zin. Hij verzocht de VZW te veroordelen tot betaling van:

a) 90.988,10 euro achterstallige contractuele vergoeding uit hoofde van bijdragen in de groepsverzekering, te vermeerderen met de vergoedende intresten:

* sedert 1 juli 2003 op een bedrag van 20.430,97 euro,

* sedert 1 juli 2004 op een bedrag van 27.823,04 euro,

* sedert 1 juli 2005 op een bedrag van 42.734,09 euro,

tot aan de dag van integrale betaling, minstens de wettelijke intresten sedert 11 mei 2006 en de gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding.

Minstens deze verschuldigde achterstallige contractuele vergoedingen te storten aan de verzekeringsmaatschappij Mercator, waar het contract van de heer D.W. volgens laatste employee benefits statement gekend zou zijn onder de contractreferentie 1.871.286. Te zeggen voor recht dat bij gebreke aan betaling bij Mercator en bevestiging hiervan binnen de 8 dagen na betekening van het vonnis aan de VZW, het de heer D.W. toegestaan is deze bedragen rechtstreeks te innen bij de VZW.

b) 25.000,00 euro provisioneel, ten titel van gederfde intresten en winstdeelname uit hoofde van de niet of niet-correct betaalde contractuele vergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 11 mei 2006 en de gerechtelijke intresten vanaf heden, en een deskundige aan te stellen op kosten van de VZW met als opdracht:

"Op basis van alle nuttige documenten - en desgevallend na het inwinnen van gespecialiseerde adviezen - de schade te beschrijven en daarvan de omvang te bepalen die de heer D.W. heeft geleden ten gevolge van het feit dat de VZW heeft nagelaten de in de arbeidsovereenkomst bedongen bijdragen in de groepsverzekering bij de verzekeringsmaatschappij Mercator volledig en op de overeengekomen tijdstippen te betalen."

c) de VZW te veroordelen tot een vergoeding ex aequo et bono van 2.000,00 euro van advocaatkosten en bijkomende kosten noodzakelijk met het oog op invordering, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding.

Ten slotte vorderde de heer D.W. de VZW te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, ondanks elk verhaal en zonder borgstelling, noch mogelijkheid tot kantonnement.

Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 17 september 2007 vorderde de VZW de hoofdeis af te wijzen, en de heer D.W. te veroordelen tot de kosten van het geding.

De arbeidsrechtbank te Mechelen verklaarde bij vonnis van 21 december 2007 de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond:

De VZW werd veroordeeld om in de groepsverzekering bij Mercator Verzekering NV (groepsnummer 1.801.064) ten voordele van de heer D.W. (contractreferentie 1.871.286) een bijkomende premie van 90.988,10 euro te storten, bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert 1 juli 2003 op een bedrag van 20.430,97 euro, sedert 1 juli 2004 op een bedrag van 27.823,04 euro, sedert 1 juli 2005 op een bedrag van 42.734,09 euro en met de gerechtelijke intresten vanaf 29 juni 2006.

Er werd gezegd voor recht dat het de heer D.W., bij gebreke aan betaling van voornoemd bedrag in de groepsverzekering bij Mercator Verzekeringen NV en bevestiging hiervan binnen de 3 maanden na betekening van het vonnis aan de VZW, toegestaan is om voornoemd bedrag rechtstreeks te innen bij de VZW.

De overige vorderingen van de heer D.W. werden afgewezen.

De VZW werd veroordeeld tot de kosten van het geding en er werd gezegd dat er geen aanleiding bestaat om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

De vordering in hoger beroep van de VZW strekt ertoe het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer D.W. om de VZW te veroordelen tot de betaling van vergoedende, minstens wettelijke en gerechtelijke intresten op de achterstallige premies groepsverzekering als ongegrond af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Met conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 7 december 2011 vordert de VZW ondergeschikt de gerechtelijke intresten te beperken tot de periode van 29 juni 2006 tot 21 maart 2007.

In het beschikkend gedeelte van zijn syntheseconclusie, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 6 januari 2012, vordert de heer D.W. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis in zijn geheel te bevestigen en de VZW te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

In het overwegend gedeelte van deze conclusies (p. 4 - 10 sub. A.1 en A.2.) vordert de heer D.W. evenwel de "wettelijke intresten" op de achterstallige premies met toepassing van artikel 1153 van het B.W. en artikel 10 van de Loonbeschermingswet.

Dit is een impliciet incidenteel hoger beroep aangezien de eerste rechters "vergoedende intresten" toekenden.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

Aangezien de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel hoger beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend, kan ook het (impliciet) incidenteel hoger beroep van de heer D.W. ontvankelijk worden verklaard.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

Op 15 januari 2002 sloten partijen een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaar voor bepaalde duur. Deze overeenkomst nam een aanvang op 1 juli 2002 en eindigde op 30 juni 2005.

Op 11 mei 2006 verstuurde HLB F. NV namens de heer D.W. het volgend aangetekend schrijven aan de VZW:

"[...]

Op vraag van de heer D.W. hebben wij nagekeken of de premies die door de club aan Mercator werden gestort ingevolge zijn groepsverzekering correct werden berekend.

Volgens titel X. Bijzondere schikkingen, punt 16 van de arbeidsovereenkomst maken de schikkingen van het reglement van de groepsverzekering en van zijn bijlagen volledig deel uit van de arbeidsovereenkomst.

Overeenkomstig art. 5.1 van de polis groepsverzekering is de refertebezoldiging gelijk aan het totaal van de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen vaste en variabele vergoedingen, vermeerderd met de patronale premies voor de groepsverzekering.

In de tabel in bijlage hebben wij een berekening gemaakt van de refertebezoldiging (exclusief premies) voor de seizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2004/2005. Wij hebben vervolgens een berekening gemaakt van de te betalen premies op basis van de formules in de groepsverzekering en hebben deze vergeleken met de berekeningstabel ons bezorgd door die voetbalbond.

Indien wij onze berekeningen vergelijken met hetgeen effectief werd betaald dan kunnen wij niet anders dan vaststellen dat de club op ernstige wijze tekort schiet aan haar verplichtingen.

Wij verzoeken u vriendelijk doch met aandrang onmiddellijk het nodige te doen de ontbrekende premies ten belope van euro 90.988,10 te storten aan de maatschappij.

Mocht u het met onze berekeningen niet eens zijn, dan verzoeken wij u uw standpunt hier aangaande kenbaar te maken en de nodige stavingstukken voor te leggen. Bij gebreke aan een ernstige reactie binnen tien werkdagen, zien wij ons genoodzaakt zowel de voetbalbond als Mercator hiervan in kennis te stellen en verdere juridische stappen te ondernemen. U zult ons hiertoe niet willen verplichten.

Voor zover als nodig wensen wij een voorbehoud te formuleren aangaande de gederfde winstdeelname.

[...]"

Op 29 juni 2006 is de heer D.W. overgegaan tot dagvaarding van de VZW en vorderde hij hetgeen sub. II van dit arrest wordt vermeld.

2. De beoordeling

Het arbeidshof wenst vooreerst op te merken dat de VZW het vonnis van de arbeidsrechtbank van Mechelen van 21 december 2007 niet bestrijdt in de mate dat zij veroordeeld werd om in de groepsverzekering bij Mercator Verzekering NV ten voordele van de heer D.W. een bijkomende premie van 90.988,10 euro te storten.

Ter discussie in hoger beroep staat alleen de vraag of de VZW op dit bedrag van 90.988,10 euro intresten verschuldigd is.

De VZW argumenteert dat zij geen intresten moet betalen.

De heer D.W. is in hoger beroep van oordeel dat op voorvermeld bedrag van 90.988,10 euro met toepassing van artikel 1153 van het B.W. en artikel 10 van de Loonbeschermingswet van rechtswege wettelijke intresten verschuldigd zijn.

Het arbeidshof meent de heer D.W. te kunnen bijtreden in deze stelling.

Overeenkomstig artikel 1153 van het B.W. bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen.

Anders dan hetgeen de VZW voorhoudt, vordert de heer D.W. in de voorliggende zaak uitsluitend de uitvoering van een verbintenis die bestaat in de betaling van een welbepaalde geldsom overeenkomstig de berekeningswijze die voorzien werd in de groepsverzekeringsovereenkomst en die integraal deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.

De vaststelling dat deze geldsom aan een derde moet worden betaald doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 1153 van het B.W., dat nergens als voorwaarde stelt dat de geldschuld in handen van de schuldeiser betaalbaar is.

Vermits de verbintenis van de VZW bestaat in de betaling van een geldsom dient alleen de schade die voortvloeit uit de vertraging in de uitvoering ervan te worden begroot en deze bestaat in principe alleen in de wettelijke intrest.

Die schadevergoeding is verschuldigd zonder dat de heer D.W. enig verlies hoeft te bewijzen. Anderzijds wordt hem niet toegelaten te bewijzen dat hij een grotere schade dan die wettelijke intrest geleden heeft (artikel 1153, tweede lid B.W.).

Overeenkomstig het derde lid van artikel 1153 B.W. is de wettelijke intrest verschuldigd te rekenen vanaf de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen.

Een dergelijke uitzondering is vervat in artikel 10 van de Loonbeschermingswet dat bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt.

Niettegenstaande de werkgever de premie van een groepsverzekering aan een derde dient te betalen, is een dergelijke premie ten behoeve van het personeel, loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, vermits het een in geld waardeerbaar voordeel uitmaakt dat betaald wordt als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid (vgl. Cass. 16 januari 1978, Arr. Cass. 1978, 594, R.W. 1977-78, 2171; Cass. 4 februari 2002, R.W. 2001-2002, 1356).

Uit hetgeen voorgaat volgt dat de VZW op de door haar verschuldigde bijdragen in de groepsverzekering van rechtswege wettelijke intresten verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop de betaling van de bijdrage eisbaar is geworden.

Het arbeidshof stelt vast dat kennelijk niet ter discussie staat dat de datum waarop deze bijdragen verschuldigd waren deze zijn zoals weerhouden door de heer D.W., met name 20.430,97 euro op 1 juli 2003, 27.823,04 euro op 1 juli 2004 en 42.734,09 euro op 1 juli 2005.

Bijgevolg kunnen wettelijk intresten worden toegekend vanaf deze respectieve data.

Anders dan de VZW voorhoudt bestaat er naar het oordeel van het arbeidshof geen aanleiding om de loop van de gerechtelijke intresten op te schorten nu er vastgesteld dient te worden dat het uitblijven van de betaling van de bijdragen waartoe de VZW door de eerste rechters werd veroordeeld, en waarvan de verschuldigdheid niet meer wordt betwist, enkel aan deze laatste toerekenbaar is.

Geen enkel element van het dossier laat immers toe te besluiten dat de heer D.W. schuldig nagelaten heeft zijn dossier in staat van wijzen te brengen of zijn recht op gerechtelijke intresten heeft uitgeoefend op een manier die de grenzen overschrijdt van een normale uitoefening van dit recht.

Vermits het vonnis op initiatief van de heer D.W. aan de VZW betekend werd op 6 juni 2011, merkt de heer D.W. terecht op dat het hem inmiddels toegestaan is het bedrag van 90.988,10 euro rechtstreeks bij de VZW te innen.

In deze omstandigheden past het dan ook te oordelen dat de intresten aan de heer D.W. zelf dienen te worden betaald.

BESLISSING OP TEGENSPRAAK,

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk, doch ongegrond.

Het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk en gegrond als volgt.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 21 december 2007 wordt vernietigd, doch enkel in zoverre geoordeeld werd dat het bedrag van 90.988,10 euro vermeerderd dient te worden met de vergoedende intresten sedert 1 juli 2003 op een bedrag van 20.430,97 euro, sedert 1 juli 2004 op een bedrag van 27.823,04 euro, sedert 1 juli 2005 op een bedrag van 42.734,09 euro en met de gerechtelijke intresten vanaf 29 juni 2006.

Het arbeidshof oordeelt opnieuw over de intresten en veroordeelt de VZW K.L.S. tot betaling aan de heer B.D.W. van de wettelijke intresten sedert 1 juli 2003 op een bedrag van 20.430,97 euro, sedert 1 juli 2004 op een bedrag van 27.823,04 euro, sedert 1 juli 2005 op een bedrag van 42.734,09 euro en met de gerechtelijke intresten op al deze bedragen vanaf 29 juni 2006 tot datum van volledige betaling.

Het vonnis wordt voor het overige bevestigd.

De VZW K.L.S. wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend:

Voor de VZW begroot op:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 2.200,00 euro

Voor de heer D.W. begroot op:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 2.200,00 euro

Aldus gewezen door :

mevrouw A. ARIËN, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer F. LAMBERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

de heer F. LINGIER, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw W. HAES, griffier.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • arbeidsovereenkomst

  • loon

  • premies in groepsverzekering

  • verwijlintresten van rechtswege verschuldigd