- Arrêt of March 15, 2012

15/03/2012 - 2011/AB/840

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een persoon in het kader van een asielprocedure in een lokaal opvanginitiatief van een ocmw verblijft en daar een bepaalde som ontvangt waarmee hij dient te voorzien in de voeding en een aantal onderhoudskosten van zichzelf zijn kinderen, kan hij niet beschouwd worden als een persoon die meer dan de helft bijdraagt in het onderhoud van zijn kinderen en dus de kinderen hoofdzakelijk ten zijnen laste heeft. Deze persoon kan derhalve geen aanspraak maken op de gewaarborgde kinderbijslag.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 MAART 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - kinderbijslag

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

O. G. ,

appellante, vertegenwoordigd door mr. RIAD H. loco mr. FLACHET Ivo, advocaat te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55,

tegen:

RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Trierstraat, 70,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. COSEMANS W.-J. loco MR. DE KEERSMAEKER Christine, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 326 bus 26.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 27-06-2011 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 10/12599/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 september 2011,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 31 januari 2012 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

- de replieken op dit advies, neergelegd door de in het geding zijnde partijen op 16 februari 2012,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 26 januari 2012, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 31 januari 2012 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 16 februari 2012, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw O., die vooraf al in België verbleef en een regularisatieaanvraag had ingediend op grond van de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende het verblijf van vreemdelingen, heeft op 15 januari 2008 voor haar en haar vier minderjarige kinderen politiek asiel aangevraagd in België.

In het kader van deze asielaanvraag werd voor haar en haar kinderen, en voor de duur van de asielprocedure, voorzien in een materiële opvang in de zin van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers. Voor het verlenen van deze materiële opvang werd zij toegewezen aan een lokaal opvanginitiatief (L.O.I.) te Kraainem, waar zij verbleef tot 31 januari 2010.

De aanvraag van mevrouw O. tot het bekomen van politiek asiel werd afgewezen bij beslissing van 19 maart 2009. Het hoger beroep dat mevrouw O. instelde bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd, volgens de verklaringen van de raadsman van mevrouw O., afgewezen op 18 juni 2009.

Ondanks deze negatieve beslissing kon zij verder verblijven in het lokaal opvanginitiatief omdat haar geen bevel het grondgebied te verlaten betekend werd, wellicht omdat zij op 22 juni 2009 een nieuwe regularisatieaanvraag had ingediend op grond van art. 9 van de wet van 15 december 1980

Op 14 december 2009 werden mevrouw O. en haar kinderen gemachtigd tot een verblijf van onbeperkte duur op het Belgisch grondgebied in toepassing van artikel 9 bis en 13 van de wet van 15 december 1980 betreffende het verblijf van vreemdelingen. Vanaf 1 februari 2010 ontving mevrouw O. vanwege het ocmw Kraainem financiële steun gelijk aan het leefloon voor een persoon met gezinslast.

2.

Op 9 februari 2010 diende mevrouw O. een aanvraag in tot het bekomen van een gewaarborgde gezinsbijslag voor haar vier kinderen.

Bij beslissing van 18 juni 2010 werd de gewaarborgde gezinsbijslag toegekend, doch enkel vanaf 1 februari 2010. De gewaarborgde gezinsbijslag, die in de regel met terugwerkende kracht kan toegekend worden voor een periode van één jaar, werd geweigerd voor de periode voorafgaand aan 1 februari 2010, omdat mevrouw O. de kinderen, waarvoor zij de gewaarborgde gezinsbijslag aanvroeg, niet uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste had. Deze kinderen verbleven, volgens de bestreden beslissing, samen met hun moeder in een opvangcentrum dat de kinderen ten laste nam.

3.

Bij verzoekschrift van 17 september 2010 heeft mevrouw O. beroep ingesteld bij de arbeidsrechtbank te Brussel tegen de beslissing van 18 juni 2010, in zoverre deze beslissing de gewaarborgde gezinsbijslag weigerde voor de periode voorafgaand aan 1 februari 2010.

Bij vonnis van 27 juni 2011, dat aan mevrouw O. ter kennis werd gebracht op 8 juli 2011, werd de vordering als ongegrond afgewezen.

4.

Bij verzoekschrift van 7 september 2011 heeft mevrouw O. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is eveneens tijdig ingeleid, rekening houdend met de bepaling van artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat wanneer een termijn van hoger beroep of verzet begint te lopen en ook verstrijkt binnen de gerechtelijke vakantie, deze termijn wordt verlengd tot de 15e dag van het nieuwe gerechtelijk jaar. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De eerste rechter was van oordeel dat voldoende aangetoond was dat niet mevrouw O., maar wel het lokaal opvanginitiatief van het ocmw te Kraainem in feite het grootste deel van de kosten van opvang en opvoeding van de kinderen ten laste nam.

Mevrouw O. betwist deze interpretatie. Volgens haar dient bij analogie toepassing gemaakt te worden van het vermoeden ingeschreven in artikel 1, 4e en 5e lid van de wet van 20 juli 1971 betreffende de gewaarborgde kinderbijslag . Deze bepaling stelt het vermoeden in dat een kind geacht wordt hoofdzakelijk ten laste te zijn van een natuurlijke persoon, indien deze persoon voor meer dan de helft bijdraagt in het onderhoud van het kind. Dit vermoeden wordt, volgens dezelfde bepaling, niet omgekeerd om reden dat het kind recht heeft op maatschappelijke integratie krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Mevrouw O. stelt dat de materiële steun die zij ontving grotendeels gelijk was aan een financiële steun die door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt toegekend.

Mevrouw O. verwijst verder naar artikel 6 van de wet van 20 juli 1971 dat betrekking heeft op de ten laste name van de gewaarborgde gezinsbijslag van een kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een vluchteling. Volgens deze bepaling wordt, indien de staat is tussengekomen voor de kosten van de dienstverlening door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de gewaarborgde gezinsbijslag in de regel aan de Belgische staat terugbetaald. Het bedrag wordt echter volledig betaald aan de vluchteling die het kind uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste neemt, indien de Belgische staat niet is tussengekomen.

Mevrouw O. stelt ten slotte dat, in de interpretatie die door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers en door de eerste rechter werd gevolgd, de niet toekenning van het gewaarborgd maandloon een ongeoorloofde discriminatie zou inhouden ten opzichte van andere mensen die financiële steun krijgen van het OCMW.

De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

2.

Overeenkomstig artikel 1, 1° van de wet van 20 juli 1971 op de gewaarborgde gezinsbijslag wordt de gezinsbijslag toegekend onder de bij of krachtens de wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft.

Overeenkomstig artikel 1, 4° van deze wet wordt een kind geacht hoofdzakelijk ten laste te zijn van de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 1,1° indien deze persoon voor meer dan de helft bijdraagt in het onderhoud van het kind. Overeenkomstig art 1, 5° van de wet wordt de natuurlijke persoon geacht tot bewijs van het tegendeel deze voorwaarde te vervullen indien uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister blijkt dat het kind deel uitmaakt van zijn gezin. Dit vermoeden kan niet worden omgekeerd om reden dat het kind recht heeft op maatschappelijke integratie krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Overeenkomstig artikel 6 van de wet wordt de gewaarborgde gezinsbijslag die verschuldigd is ten behoeve van een kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een vluchteling, en die betrekking heeft op de periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag werd ingediend, terugbetaald aan de staat ten belope van maximaal het bedrag van de verhoging, bedoeld in artikel 2 van het Ministerieel Besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Indien de staat niet is tussengekomen wordt het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag, volgens dezelfde bepaling, echter volledig betaald aan de persoon bedoeld in eerste lid, 2°, dit is de persoon die het kind ten laste neemt.

3.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, 6, 7, 10 en 11 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen hebben de personen die in België asiel aanvragen in de regel enkel aanspraak op een materiële dienstverlening, die georganiseerd wordt door het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers, in samenwerking met een aantal organisaties en plaatselijke opvanginitiatieven, georganiseerd door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De asielzoekers kunnen niet meer, zoals in de vroegere wetgeving, aanspraak maken op een financiële steun ten laste van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

4.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat mevrouw O. niet voldeed aan de voorwaarde van art. 1,4° van de wet van 20 juli 1971 dat haar kinderen uitsluitend of hoofdzakelijk ten haren laste waren, en dat het vermoeden dat dienaangaande werd ingesteld door artikel 1,5° voor zover als nodig weerlegd is.

Het lokaal opvanginitiatief stelde aan mevrouw O. en haar kinderen een woning ter beschikking met alle daaraan verbonden energie- en onderhoudskosten. Het nam ook alle medische en farmaceutische kosten ten laste, inclusief het remgeld, de kosten van onderwijs en buitenschoolse opvang, de kosten van crèche en vervoer en de kosten van kleding (forfaitair bedrag). Daarnaast werd aan mevrouw O. en haar kinderen een bedrag ter beschikking gesteld van 169 euro per week, hetzij op maandbasis 732 euro , noodzakelijk voor de aankoop van voeding, huishoudelijke artikelen en andere hygiëne producten.

Dit laatste bedrag is, zoals de eerste rechter oordeelde, lager dan de voordelen die het ocmw toekende. Uit de verschillende beslissingen van het ocmw kan afgeleid worden dat de huurwaarde van de woning, die aan mevrouw O. en haar kinderen ter beschikking werd gesteld 581,21 euro bedroeg , te vermeerderen met een bedrag van energiekosten van 75 euro per maand, wat reeds een bedrag oplevert van 656,21 euro . Daarnaast nam het ocmw alle schoolkosten ten laste, inclusief de kosten van naschoolse opvang, de kosten van het verblijf van minstens één van de kinderen in een crèche, alle medische en farmaceutische kosten, de kosten van vervoer en de kosten van kleding. Al deze voordelen samen genomen vertegenwoordigen ongetwijfeld een bedrag dat hoger is dan het bedrag van 169 euro per week.

Vooral echter kan dit laatste bedrag zeker niet beschouwd worden als een "uitkering", waarvan mevrouw O. persoonlijk genoot, en waarmee zij de kosten van haar kinderen ten laste nam. De wet van 12 januari 2007 voorziet niet in een uitkering die aan de personen, die in een lokaalopvang initiatief verblijven, wordt toegekend. De uitgekeerde som is louter een modaliteit van de materiële dienstverlening die in lokale opvangstructuren wordt toegekend, wellicht vooral om praktische redenen, maar ook om aan de asielzoekers toch een zekere zelfstandigheid te verlenen en hen niet te verplichten tot een systeem waar zij zich zouden moeten wenden tot een ‘centrale voedselbank' of iets dergelijks.

Bovendien is er geen reden om te oordelen dat dit bedrag juridisch "toekwam" aan mevrouw O.. Dit bedrag, dat een gedeelte van de materiële hulp verving, kwam zowel toe aan mevrouw O. als rechtstreeks aan haar kinderen, die recht hadden op deze materiële hulp, ook al werd het bedrag uitbetaald aan de moeder omdat de kinderen niet in staat waren dit bedrag te beheren.

Iedere andere interpretatie zou in strijd komen met de fundamentele regel, vervat in de wet van 12 januari 2007, dat aan asielzoekers enkel nog een materiële steun wordt verleend. De wet van 20 juli 1971 dient geïnterpreteerd te worden en toegepast te worden in het licht van de bepalingen van de wet van 12 januari 2007.

Er is aldus ook geen wettelijke basis om "bij analogie" toepassing te maken van het vermoeden opgenomen in artikel 1, 5° van de wet van 20 juli 1971, waarbij er verder dient opgemerkt te worden dat de tweede zin van artikel 1,5° enkel inhoudt dat het vermoeden niet omgekeerd wordt omdat "het kind" (en niet de moeder) recht heeft op maatschappelijke integratie.

5.

Er is evenmin een voldoende wettelijke basis om een analogie te maken met de bepalingen inzake de gewaarborgde kinderbijslag voor kinderen ten laste van een politieke vluchteling, zoals opgenomen in artikel 6 van de wet van 20 juli 1971.

Mevrouw O. heeft nooit het statuut van politiek vluchteling gehad. Een vluchteling in de zin van de wet is de vreemdeling die als dusdanig wordt erkend en niet degene die zich slechts vluchteling heeft verklaard en gevraagd heeft als vluchteling worden erkend (Cass. 13 mei 1996, S.95.0119.N). De omstandigheid, die door mevrouw O. onderlijnd wordt in haar repliekconclusies op het advies van het Openbaar Ministerie dat zij vanaf haar asielaanvraag van 15 januari 2008, ‘wettelijk' op het grondgebied verbleef ( in die zin dat zij niet van het grondgebied kon verwijderd worden), doet daaraan geen afbreuk en kan aan mevrouw O. geen rechten toekennen die voorbehouden zijn aan erkende politieke vluchtelingen (die overigens vrijgesteld zijn van andere voorwaarden van de wet, zoals het verblijf op het grondgebied gedurende vijf jaar).

6.

In zoverre mevrouw O. aanvoert dat er sprake is van een ongeoorloofde discriminatie ten opzichte van andere mensen die financiële steun krijgen van het OCMW of meer in het algemeen ten aanzien van de andere personen die van een uitkering leven, en die wel op een gewaarborgde gezinsbijslag aanspraak kunnen maken wordt, alhoewel geen prejudiciële vraag wordt geformuleerd of geen verwijzing naar het Grondwettelijk Hof, in feite aangevoerd dat art. 1 van de wet van 20 juli 1971in strijd is met de bepalingen in de Grondwet met betrekking tot de gelijkheid van de burgers.

In de regel is het hof niet bevoegd om te oordelen of een wettelijke bepaling al dan niet strijdig is met de Grondwet. Overeenkomstig art. 26 § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het dit laatste hof dat, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet over de schending door een wet van de regels die door of krachtens bepaalde grondwettelijke bepalingen zijn vastgesteld (art. 26 §1 van de wet).

Overeenkomstig artikel 26 § 2 van dezelfde wet is echter het rechtscollege, waarvan de beslissing vatbaar is voor hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of voor een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen wanneer het van oordeel is dat de aangevochten wettelijke bepaling klaarblijkelijk de Grondwet niet schendt.

Opdat er sprake zou kunnen zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de categorie van personen, op wie een verschillende wetgeving van toepassing is, vergelijkbaar is met een andere categorie van personen, die niet aan de betwiste bepaling onderworpen is of die aanspraak kan maken op een voordeel waarvan de eerste categorie van personen niet kan genieten.

De categorie van personen die, in het kader van hun asielaanvraag - en dus vooraleer er enige beslissing genomen is over hun statuut - recht hebben op een materiële opvang, is niet vergelijkbaar met de categorie van de personen die een wettelijk verblijfstatuut heeft bekomen, en op die basis aanspraak kan maken op de voordelen van de wetgeving op het maatschappelijk welzijn en, onder bepaalde voorwaarden, van de wet van 20 juli 1971 op de gewaarborgde gezinsbijslag. Indien de eerste categorie van personen, de kandidaat-vluchtelingen, zolang hun asielaanvraag lopende is inderdaad niet van het grondgebied kunnen verwijderd worden dan verwerven zij echter in deze periode geen ‘verblijfsrecht' dat hen toelaat aanspraak te maken op tegemoetkomingen of uitkeringen, voorbehouden aan de personen die krachtens een wettelijke bepaling uitdrukkelijk gerechtigd zijn op het grondgebied te verblijven. De eerste categorie van personen kan, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 januari 2007 en de vroegere bepalingen van artikel 57 ter van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, tijdens de duur van de asielprocedure enkel aanspraak maken op een materiële dienstverlening. In zijn arrest nr. 169/2002 van 27 november 2002 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat deze regeling niet strijdig is met de grondwettelijke bepalingen.

Er is volgens het hof klaarblijkelijk geen schending van de grondwettelijke bepalingen met betrekking tot de gelijkheid (art.10 en 11 van de Grondwet).

7.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook bevestigd te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis en de bestreden administratieve beslissing.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw O. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 15 maart 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • Sociale voorzorg

  • Gewaarborgde gezinsbijslag. Wet van 20 juli 1971, art.1, 4°.