- Arrêt of November 9, 2012

09/11/2012 - 2011/AB/1110

Case law

Summary

Samenvatting 1

De premies die een voetballer van zijn club ontvangt zijn loon. Zij worden immers toegekend in ruil voor geleverde sportprestaties bij wedstrijden. Ze vallen tevens onder het arbeidsrechtelijk loonbegrip nu zij als tegenprestatie voor geleverde prestaties worden toegekend.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 NOVEMBER 2012.

3DE KAMER

Bediendecontract

Geacht op tegenspraak conform art. 747 § 2 Ger. Wb.

Definitief

In de zaak:

C. J.,

Appellant, vertegenwoordigd door

Mr K. DE SAEDELEER loco Mr J. MAESCHALCK, advocaat te Zellik.

Tegen:

S. J.,

J. P.,

Geïntimeerden, niet verschijnend noch vertegenwoordigd.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 18 juli 2008;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 december 2011;

- de conclusies van de appellante partij;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord appellante partij in haar middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2012 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 1 juni 2005 sloot de heer C. met de vzw KVO Aarschot een overeenkomst voor niet betaalde sportbeoefenaar-voetballer voor het seizoen 2005-2006, dat een aanvang nam op 1 juli 2005 om te eindigen op 31 mei 2006.

Op 1 juli 2006 werd opnieuw een overeenkomst onderschreven voor het seizoen 2006-2007 aanvangend op 1 juli 2006 om te eindigen op 31 mei 2007.

De overeenkomst voorzag in de betaling van zgn. verplaatsingskosten van euro 10 per training en van een zgn. kledijvergoeding van euro 150 per maand. Verder werden puntenpremies voorzien van euro 90 voor een gelijkspel en euro 270 voor een overwinning.

De heren J. S. en P. C. ondertekenden deze overeenkomsten in hun hoedanigheid van voorzitter en secretaris van de vzw KVO Aarschot.

Deze vzw werd in augustus 2007 in vereffening gesteld.

2. Bij aangetekende brief van 26 april 2007 stelde de heer C. de club in gebreke in betaling van de achterstallen ter waarde van een bedrag van euro 2.340.

Bij brief van zijn raadsman van 26 juli 2007 werden ook de bestuurders van de vzw in gebreke gesteld.

3. Bij dagvaarding van 15 oktober 2007 dagvaardde de heer C. de heren S. en C. als bestuurders voor de arbeidsrechtbank te Leuven. Hij vorderde hun solidaire veroordeling, minstens de ene bij gebreke aan de andere en alleszins de veroordeling van de heer S. in betaling van een schadevergoeding van euro 2.340 wegens achterstallige lonen, gesteund op een misdrijf en de vergoedende en gerechtelijke intresten op dat bedrag.

3. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 18 juli 2008 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard met veroordeling van de heer C. tot de kosten van het geding.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de heer C. niet onder toepassing van de wet van 24 februari 1978 op de betaalde sportbeoefenaars viel, omdat de door hem genoten vergoedingen de wettelijke grens niet overschreden.

Zij meende dat de heer C. verder ook niet het bewijs leverde van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 2 december 2011, tekende de heer C. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

2. De heer C. houdt voor dat het loonbedrag dat hij verdiende het wettelijk grensbedrag te boven gaat, boven hetwelk de overeenkomst wordt vermoed een overeenkomst voor betaalde sportbeoefenaar te zijn in de zin van de wet van 24 februari 1978, doch zelfs al zou dit niet het geval zijn, dan meent hij dat alleszins alle constitutieve bestanddelen van een arbeidsovereenkomst voorhanden zijn.

Is er een arbeidsovereenkomst?

in de zin van de wet van 24 februari 1978 op de betaalde sportbeoefenaars?

3. Art 3 van deze wet schept een vermoeden dat de overeenkomst die wordt gesloten tussen een werkgever en een betaalde sportbeoefenaar een arbeidsovereenkomst voor bedienden is ongeacht de benaming die aan de overeenkomst wordt gegeven.

Een betaalde sportbeoefenaar is een sportbeoefenaar die een loon ontvangt dat minstens gelijk is aan het minimumbedrag dat jaarlijks door de Koning wordt bepaald, na advies van het Nationaal Paritair Comité voor de sport. Dit bedrag werd bij Koninklijk Besluit van 7 juli 2005 vastgesteld op euro 7.858 voor het seizoen 2005-2006.

De heer C. houdt voor dat hij tijdens dat seizoen een loon genoot dat dit bedrag te boven ging.

4. Het loonbegrip stemt overeen met dit van art 2 van de loonbeschermingswet van 12 april 1965.

Dit loon bestaat uit loon in geld, fooien en in geld waardeerbare voordelen toegekend ingevolge de dienstbetrekking waarop de werknemer recht heeft ten laste van de werkgever.

Terecht stelt de heer C. dat de premies als loon in de zin van art 2 loonbeschermingswet in aanmerking moeten worden genomen. Zij worden immers toegekend in ruil voor geleverde sportprestaties bij wedstrijden. Ze vallen tevens onder het arbeidsrechtelijk loonbegrip nu zij als tegenprestatie voor geleverde prestaties worden toegekend. (J. Kerremans, B.Ameye, Sociaal en fiscaal statuut van de sportbeoefenaar, Sociale praktijkstudies Kluwer, 2009, p 27).

Dit volgt ook uit art 18 van de CAO van 12 juni 1998.

De contractueel toegekende premies zijn overdreven om als forfaitaire onkostenvergoeding te worden aanvaard en ze vormen alleszins een verdoken loon.

Bovendien kunnen volgens de overeenkomst op de premies inhoudingen worden verricht als boete wegens o.m. onbehoorlijk gedrag tijdens trainingen en wedstrijden. Dit wijst erop dat het niet om een werkelijke kostenvergoeding gaat.

5. Maar, de heer C. toont daardoor nog niet aan dat het totaal van de vaste vergoeding en van de premies die hij heeft genoten boven het grensbedrag ligt bepaald bij koninklijk besluit zodat het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaar niet geldt.

Is er een arbeidsovereenkomst?

in de zin van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten?

6. Niettemin is de heer C. van mening dat uit de overeenkomst blijkt dat alle constitutieve bestand-delen van een arbeidsovereenkomst aanwezig zijn.

Opdat er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst, moet een partij, de werknemer, zich er ten opzichte van de andere partij, de werkgever, toe verbinden om onder diens gezag arbeidsprestaties te verrichten tegen betaling van loon.

De verbintenis om regelmatig sportieve prestaties te leveren, trainingen en wedstrijden tegen betaling van vergoedingen die van aard zijn om substantieel bij te dragen in het levensonderhoud van de speler, wat hier het geval is, kunnen beschouwd worden als arbeidsprestaties tegen betaling van loon.

Het bestaan van een gezagselement is doorslaggevend voor de kwalificatie.

7. De heer C. verwijst hiervoor naar de bepalingen van de arbeidsovereenkomst, waaruit volgens hem duidelijk een gezagsrelatie blijkt.

Hij merkt op dat in de overeenkomst aan de verplichtingen van de speler maar liefst zestien punten worden gewijd, o.m. is de speler ertoe verplicht deel te nemen aan de verplaatsingen en reizen zoals georganiseerd door de club, alle richtlijnen te volgen i.v.m. voeding, al de richtlijnen en instructies te volgen die door de verantwoordelijke van de club gegeven worden in de loop van de wedstrijden, aan geen enkele wedstrijd of manifestatie van sportieve aard deel te nemen zonder voorafgaande en schriftelijke toelating van de club ... (art. 2.4 tot 2.19)

8. Op het niet nakomen van de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen zijn sancties voorzien. (zie art. 5 i.v.m. boeten en verhalen)

Bij een ernstige inbreuk op die verplichtingen kan de club zelfs de overeenkomst op ieder ogenblik zonder enige vergoeding verbreken.

Er worden boetes voorzien bestaande in afhouding van een aantal eenheden van de maandelijkse vergoeding indien deze verplichtingen niet worden nagekomen, o.m.

- in geval van ongewettigde afwezigheden op een officiële wedstrijd waarvoor de speler is geselecteerd, hetgeen veronderstelt dat de speler verplicht aanwezig moet zijn en zijn afwezigheden moet rechtvaardigen.

- in geval van deelname aan wedstrijden of manifestaties van sportieve of publicitaire aard zonder schriftelijke toestemming van de club.

- onbehoorlijk gedrag tijdens training of wedstrijd.

Daarenboven wordt bepaald dat de opsomming van de tekortkomingen niet beperkend is en dat de club in de niet voorziene gevallen het recht heeft aangepaste boetes te bepalen.

Krachtens de overeenkomst was de heer C. er bijgevolg toe gehouden op de voor de trainingen en matchen voorziene tijdstippen aanwezig te zijn en de instructies van de trainer te volgen. Er was een duidelijke hiërarchische gezagsuitoefening.

Het hof is van oordeel dat hieruit een voor een werkgever kenmerkend gezag blijkt: nl. het gezag instructies te geven, toe te zien op de naleving ervan en sanctionerend op te treden wanneer het hem goed dunkt. Alle constitutieve bestanddelen van een arbeidsovereenkomst zijn daardoor aanwezig, zodat een andere kwalificatie door partijen terzijde moet worden gesteld.

De overeenkomst voor een onbetaalde sportbeoefenaar sluit helemaal niet het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit.(vgl. A. Van der Vynckt, De werkgever van de voetbalspelers die geen betaalde sportbeoefenaar zijn, maar wel verbonden door een arbeidsovereenkomst..., T. Verz. 2008,290)

De burgerlijke vordering voortvloeiend uit een misdrijf

9. Aangezien in randnummer 4 werd vastgesteld dat de achterstallige premies als loon moeten worden beschouwd en aangezien uit randnummer 7 en 8 volgt dat er tussen de heer C. en zijn club een gezagsrelatie - en dus een arbeidsovereenkomst - bestond, kan hij voor de achterstallen i.v.m. zijn prestaties een burgerlijke vordering voortvloeiend uit een misdrijf stellen.

Niet betwist werd dat deze achterstallen van euro 2.340 nog verschuldigd zijn.

Het niet betalen van loon op de gestelde tijdstippen, maakt een misdrijf uit op grond van art 9 en art 42, 1° van de loonbeschermingswet, strafbaar gebleven op grond van art. 162, eerste lid 1° van het Sociaal strafwetboek met een sanctie van niveau 2.

Deze strafbaarstelling geldt ten aanzien van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers.

Een bestuurder van een rechtspersoon, hier de vzw KVO Aarschot, wordt geacht lasthebber van die vereniging te zijn. De heren S. en J. hadden die hoedanigheid tijdens de tewerkstelling van de heer C., zodat hij zijn burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf tegen hen kan stellen.

10. In het sociaal strafrecht worden met aangestelden en lasthebbers de personen geviseerd met een bijzondere bevoegdheid als toezichthouder op de naleving van de wet. Zij worden bestraft omdat zij bepaalde inbreuken kunnen en moeten voorkomen (P. Waeterinckx, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van enkele toezichthouders op de normconformiteit als middel van een behoorlijk bestuur van ondernemingen, RW 2003-2004, 1647-1664; Cass.15 september 1981, RW 81-82, 1123).

De wetgever gaat ervan uit dat zij hun gezag dienen aan te wenden om de totstandkoming van misdrijven te verhinderen (F. Deruyck, De rechtspersoon in het strafrecht, Mys & Breesch, 1996, nr 31).

Daaruit volgt dat die wettelijke toerekening niet terzijde wordt gesteld door art 5 van het Strafwetboek zoals ingevoerd bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (P. Waeterinckx, Strafbaarheid van rechtspersonen en toerekening van misdrijven, NJW 2004, p 1302).

11. Om een misdrijf vast te stellen, moet naast het materieel element, een moreel element worden aangetoond.

Aangezien de vordering niet betwist wordt, staat het materieel element vast.

Bij de niet opzettelijke misdrijven, zoals de meeste sociaalrechtelijke misdrijven, bestaat het moreel bestanddeel uit de volwaardige wil van de dader om de materiële handeling of nalatigheid te stellen; wanneer de werkgever een rechtvaardigingsgrond inroept en wanneer deze bewering niet ontbloot is van elk element van geloofwaardigheid, staat het aan degene die zich op dit misdrijf beroept, om de onjuistheid van deze rechtvaardigingsgrond aan te tonen (W. Rauws, Sociaalrechtelijke misdrijven en hun strafbaarstelling, in Sociaal Strafrecht, Maklu, 1998 p 73).

Rechtvaardigingsgronden zijn deze die elke fout in hoofde van de betrokkene uitsluiten, zoals overmacht, onoverwinnelijke dwaling, of een noodtoestand (J.F. Goffin, Responsabilités des dirigeants de sociétés, Larcier, 2004, p 371).

In casu roepen de heren S. en J. geen enkele reële rechtvaardigingsgrond in. Hun verwijzing naar de financiële problemen van de club, houdt geen rechtvaardigingsgrond in, temeer daar ze bij het afsluiten van de overeenkomsten dienden te weten dat de gebudgetteerde sponsorgelden of andere inkomsten onrealistisch waren.

Ze blijken zich overigens maar al te goed bewust te zijn van hun materiële en morele verantwoordelijkheid, daar ze deze erkend hebben bij de uitbetaling van een vergelijkbare vordering aan een andere speler. (zie ook stuk 11 van de heer C. met uitnodiging door de heren S. en J. om een afrekening op te maken in het dossier van de heer C. om het te kunnen afsluiten)

De onachtzaamheid of het gebrek aan voorzichtigheid volstaat voor de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van het misdrijf.

Het hof is van oordeel dat de heren S. en J. geen rechtvaardigingsgrond aantonen die hen zou kunnen ontslaan van aansprakelijkheid voor het misdrijf van niet betaling van loon en dat zij solidair met de VZW aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade.

12. Het hoger beroep is daardoor gegrond. De kosten van beide aanleggen vallen hierdoor ten laste van de heren S. en J..

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Recht sprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond;

Veroordeelt de heer J. S. en de heer P. J. solidair in hun hoedanigheid van lasthebbers van de VZW KVO Aarschot tot betaling aan de heer J. C. van een bedrag van euro 2.340 als schadevergoeding wegens niet betaling van loon en de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke intrestvoet, overgaand in de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding.

Veroordeelt hen tevens solidair tot de kosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van de heer C. begroot op:

euro 116,84 dagvaardingskosten,

euro 440,00 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg,

euro 440,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep,

 

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door:

L. LENAERTS: Raadsheer,

L. REYBROECK: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. HEYVAERT : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door:

D. DE RAEDT : Griffier,

L. REYBROECK, D. HEYVAERT,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 november 2012 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

Free keywords

  • Arbeidsreglementering

  • Bescherming van het loon

  • Wet 12 april 1965 art. 2

  • Premies voetballer