- Arrêt of September 4, 2013

04/09/2013 - 2012/AH/264

Case law

Summary

Samenvatting 1

De beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer wordt maar definitief na het verstrijken van de termijn om beroep in te stellen, dwz zeven dagen na verzendingsdatum of verhandiging van het formulier voor gezondheidsbeoordeling aan de werknemer.

De beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer die nog niet definitief is, kan niet dienen als bewijs van overmacht.


Arrêt - Integral text

ARBEIDSHOF ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

Arrest

4 september 2013

J Z,

met als raadsman mr. THOELEN Nicholas, advocaat te HASSELT, Luikersteenweg 227,

voor wie pleit mr. MALFLIET Geert, advocaat te HASSELT,

tegen:

V L,

vertegenwoordigd door mevrouw MENTEN Katrien, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, met volmacht.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 7 juni 2012 van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Hasselt.

Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist, en het hoger beroep dient ontvankelijk te worden verklaard.

Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 19 juni 2013 van deze kamer.

PROCESVERLOOP - ANTECEDENTEN

LV trad op 3 september 1984 als arbeider (onderhoudspersoneelslid) in dienst van JZ.

Op 2 maart 2010 beëindigde JZ de arbeidsovereenkomst wegens definitieve medische ongeschiktheid.

De verklaring van de arbeidsgeneesheer, waarin vermeld wordt dat de medische ongeschiktheid definitief is, dateert van 1 maart 2010.

JZ zou aldus de beroepstermijn van zeven dagen, voorzien in artikel 64 en 65 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht, niet in acht hebben genomen.

LV stelde dat, zolang de mogelijkheid bestond om de beroepsprocedure in te leiden tegen de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, de beslissing niet definitief was; zodoende was de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht voortijdig.

Volgens JZ zou LV de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer hebben aanvaard, nadat hem de beroepsprocedure en beroepstermijn werden uitgelegd, zodat LV aan zijn recht op hoger beroep verzaakte en "definitieve" overmacht vaststond.

Ter staving van haar stelling verwees JZ naar bijgebrachte verklaringen van B, directeur personeel en organisatie en F, coördinator personeelsbeheer.

LV meende dat deze verklaringen niet konden weerhouden worden aangezien B en F aangestelden zijn van JZ.

Aangezien JZ de arbeidsovereenkomst beëindigde vooraleer de definitieve medische overmacht vaststond, was zij, volgens LV, een verbrekingsvergoeding verschuldigd.

Met een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank Hasselt op 25 februari 2011 vorderde LV een opzeggingsvergoeding ten bedrage van 50.659,20 EUR en de afgifte van het loonbriefje voor de opzeggingsvergoeding, onder verbeurte van een dwangsom.

Tijdens de procedure herleidde LV zijn vordering tot 43.443,18 EUR bruto.

Bij vonnis van 7 juni 2012 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelde dienvolgens JZ tot betaling van 43.443,18 EUR, meer de wettelijke interesten op het bruto bedrag en de gerechtelijke interesten vanaf 25 februari 2011 tot de dag der algehele betaling, te verminderen met de wettelijke inhoudingen in zoverre deze verschuldigd zijn en aan de bevoegde instellingen worden overgemaakt.

Veroordeelde JZ tot afgifte van het loondocument in verband met voormelde verbrekingsvergoeding binnen de 30 dagen na betekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag, te verbeuren vanaf de eenendertigste dag na betekening van het vonnis.

Verwees JZ in de kosten van het geding.

JZ kon niet akkoord gaan met het vonnis van de arbeidsrechtbank Hasselt en stelt hoger beroep in met een verzoekschrift ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 5 oktober 2012.

POSTULERINGEN VAN PARTIJEN

JZ postuleert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Derhalve het bestreden vonnis te hervormen en de oorspronkelijke vorderingen van LV ongegrond te verklaren.

Voor zover als nodig JZ toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, getuigenverhoor inbegrepen dat:

"

- op 1 maart 2010 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen LV en Karel Bosmans ten gevolge van de beslissing van de preventieadviseur- arbeidsgeneesheer en dat LV definitief arbeidsongeschikt is en dit in de aanwezigheid van MF;

- KB tijdens deze vergadering de procedure van overmacht wegens definitieve arbeidsongeschiktheid heeft toegelicht;

- K B daarbij het artikel 65 van het KB van 28 mei 2003, vermeld op de achterkant van het formulier voor gezondheidsbeoordeling, heeft voorgelezen;

- LV heeft aangegeven dat hij de procedure begreep en dat hij de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer aanvaardde en niet wenste in hoger beroep te gaan";

In ondergeschikte orde, een deskundigenonderzoek te gelasten met als opdracht:

"

- kennis te nemen van de dossiers en de feiten, alle nuttige inlichtingen inwinnen met betrekking tot de aard van de prestaties van LV voorafgaand aan de schorsing van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst wegens ziekte en de mogelijkheid van LV om deze activiteiten ooit in normale omstandigheden te hernemen;

- het uitvoeren of laten uitvoeren door een arts naar zijn keuze van de nodige medische onderzoeken van LV;

- advies te geven omtrent het feit of de volledige arbeidsongeschiktheid van LV een tijdelijke, dan wel een definitief karakter heeft verkregen.

Tenslotte LV te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

LV postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn schikkingen.

Tenslotte JZ te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep.

MOTIVERING

1. Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden en het hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige.

2.1. Conform de artikelen 64 en 65 van het KB van 28 mei 2003 kan er beroep ingesteld worden tegen de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer door de werknemer waarbij de geschiktheid in verband met het uitgevoerde werk wordt beperkt of waarbij hij ongeschikt wordt bevonden om het uitgevoerde werk verder te zetten. Dit beroep moet binnen de 7 dagen, na de verzendingsdatum of overhandiging van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling aan de werknemer, ingesteld worden.

2.2. Op 2 maart 2010 beëindigde JZ de arbeidsovereenkomst wegens definitieve medische arbeidsongeschiktheid. De verklaring van de arbeidsgeneesheer waarin vermeld wordt dat de medische arbeidsongeschiktheid definitief is, is van 1 maart 2010.

Uit één en ander blijkt dat JZ de beroepstermijn van zeven dagen niet naleefde.

3. In rechte stelt zich de vraag of overmacht bewezen is en één en ander formeel en correct verliep ten genoege van recht.

4.1. Het hof dient de gevolgen in recht van de niet-naleving van de 7-dagentermijn te beoordelen.

4.2. De verplichting, krachtens artikel 72 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003, de verdere tewerkstelling te verzekeren van de werknemer die definitief ongeschikt werd verklaard door een definitieve beslissing van de arbeidsgeneesheer-preventie-adviseur is geen resultaatsverbintenis, maar evenmin een zuiver morele verbintenis of middelverbintenis : de werkgever is ertoe gehouden een vervangingsbetrekking aan te bieden of objectieve en redelijke vrijstellingsmotieven aan te geven.

De werkgever, die de verbreking van de overeenkomst door overmacht vaststelt voor het verstrijken van de termijn om beroep aan te tekenen zoals bepaald in artikel 65 van het koninklijk besluit, beëindigt de overeenkomst op onregelmatige wijze; de vraag naar de mogelijkheid tot reklassering dient hierbij niet in overweging genomen te worden (Arbh. Luik, 13 januari 2009, J.T.T. 31 maart 2009, blz. 132).

4.3. Wanneer de overlegprocedure niet werd gevolgd, om welke reden dan ook, beschikt de werknemer, naar het oordeel van het hof, in ieder geval over een recht van beroep tegen de beslissing die werd genomen door de preventieadviseur waarbij hij ongeschikt werd verklaard om het werk uit te oefenen. Dat (schorsend) beroep moet binnen de zeven dagen ingeleid worden.

Zolang geen definitieve beslissing werd genomen betreffende de geschiktheid voor het werk, is de blijvende ongeschiktheid derhalve niet bewezen ten genoege van recht.

4.4. Zelfs indien geen beroep wordt aangetekend, kan de werkgever ten vroegste na afloop van de beroepstermijn (zeven dagen) het einde van de overeenkomst wegens overmacht vaststellen.

5. In casu werd de termijn om beroep in te stellen niet gerespecteerd.

De beroepstermijn van zeven dagen beoogt werknemers de tijd te geven om na te denken, zich te bevragen en een beslissing te nemen. Ook heeft een werknemer, naar het oordeel van het hof, in die termijn van zeven dagen nog het recht zich te bedenken, indien hij eerder gebeurlijk mondeling een standpunt innam (zelfs eventueel, voor zover bewezen, verzaakte).

6. In casu staat de definitieve arbeidsongeschiktheid derhalve in rechte niet vast, omdat de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer geen bindende eindbeslissing uitmaakt.

Aangezien JZ van haar kant het bewijs van de ingeroepen overmacht niet heeft geleverd, kon LV van zijn kant de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst vaststellen, zodat hij terecht aanspraak maakt op de door hem gevorderde en door de arbeidsrechtbank toegekende opzeggingsvergoeding, waarvan de becijfering niet ter discussie staat (vergelijk Cass. 23 maart 1998, J.T.T. 1998, 377).

7. Wanneer de werkgever zich beroept op overmacht, dient hij hiervan het bewijs te leveren. JZ baseert zich op een beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, die geen bindende eindbeslissing is aangezien de termijn om beroep in te stellen tegen de beslissing nog niet verstreken was. Vermits de beslissing als niet definitief dient beschouwd te worden kan zij niet dienen als bewijs van overmacht.

De partij, die zich op overmacht als beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst beroept, draagt immers de bewijslast.

8. Artikel 70 § 3 van het KB van 28 mei 2003 bepaalt in dit verband: "Zolang er geen definitieve beslissing omtrent de arbeidsgeschiktheid van de werknemer genomen is, is de definitieve arbeidsongeschiktheid niet bewezen".

De beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer wordt definitief als de termijn om beroep in te dienen verstreken is (na zeven werkdagen, na verzendingsdatum of overhandiging van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling aan de werknemer). (N. Gilis, "Het gezondheidstoezicht op de werknemers", Kluwer, 1 juli 2011).

9. In casu is er geen definitieve beslissing omtrent de arbeidsgeschiktheid van LV en is de definitieve arbeidsongeschiktheid niet bewezen. Er bestond op dat moment nog de mogelijkheid voor om de beroepsprocedure in te leiden tegen de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.

Zolang de mogelijkheid bestaat om de beroepsprocedure in te leiden tegen de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, is de beslissing van deze laatste niet definitief, en is de beëindiging wegens overmacht voortijdig zodat de beoordeling van de geschiktheid voor de bedongen arbeid zelfs niet aan de orde is.

10. De jurisprudentie is eenduidig: "Aldus de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bestatigend per 9 februari 2004, heeft geïntimeerde voortijdig de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kenbaar gemaakt aan appellante, vooraleer de voorgeschreven beroepstermijn tegen de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer verstreken was.

De reden waarop geïntimeerde zich meende te kunnen steunen - een situatie van medische overmacht gesteund op de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer - was derhalve niet effectief gerealiseerd op het ogenblik dat geïntimeerde de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vaststelde en kenbaar maakte t.a.v. appellante.

Appellante had in principe nog de mogelijkheid om tot en met 11 februari 2004 de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer aan te vechten en zolang was deze beslissing niet definitief.

Door vóór de afloop van deze beroepstermijn alsnog het einde van de arbeidsovereenkomst te acteren, heeft geïntimeerde appellante echter verhinderd om ten volle dit recht tot het instellen van hoger beroep uit te putten.

...

Dit impliceert dat geïntimeerde zich hier niet met gunstig gevolg op dit gegeven - de bevindingen/attestatie vanwege de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer d.d. 2 februari 2004 - kan beroepen in het kader van de bewijslast en -levering van het door haar aangevoerde gegeven dat er sprake zou zijn van een definitieve arbeidsongeschiktheid van appellante, als beëindigingsgrond voor de arbeidsovereenkomst" (Arbh. Antwerpen (afd. Hasselt), 12 mei 2009, Soc. Kron. 2012, 8).

11. Het formulier voor de gezondheidsbeoordeling kan in casu, naar het oordeel van het hof, geen bewijs vormen voor het bestaan van overmacht, aangezien deze niet definitief is.

De beslissing van de arbeidsgeneesheer is een éénzijdige vaststelling en elke medische beslissing is vatbaar voor betwisting.

In het verlengde van de vroegere ARAB-reglementering werd aan de werknemer door het KB gezondheidstoezicht van de werknemers niet voor niets een recht op een overleg- en een beroepsprocedure toegekend.

12. In casu is het hof derhalve van oordeel dat, zolang geen definitieve beslissing werd genomen betreffende de arbeidsongeschiktheid, de blijvende ongeschiktheid in rechte niet bewezen voorkomt.

Overmacht moet men bewijzen en in casu bewijst (vgl. artikel 870 Ger. W) JZ geen overmacht. De argumentering betreffende de schending van artikel 32 Arbeidsovereenkomstenwet en het Burgerlijk Wetboek doet, naar het oordeel van het hof, geen afbreuk aan het feit dat de partij die zich op overmacht beroept dit moet bewijzen.

Het KB van 28 mei 2003 legt geen "voorafgaande voorwaarde" op, maar legt de nadruk op de bewijslast bij het inroepen van overmacht. Een éénzijdige verklaring van de arbeidsgeneesheer kan geen bewijs zijn, zeker niet als LV niet de mogelijkheid heeft om de verklaring te betwisten.

Ook artikel 1148 BW werd niet geschonden en ook op dit onderdeel treedt het hof de redenering van de eerste rechter bij:

"De stelling van verwerende partij dat het KB van 28 mei 2003 strijdig zou zijn met het Burgerlijk Wetboek en met de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten kan niet worden bijgetreden.

De rechtbank meent daarentegen dat het KB van 28 mei 2003 het begrip ‘definitieve' overmacht verder uitwerkt, verder specifieert en meent dat er zeker geen sprake is van schending van bovengenoemde artikelen.

Het Burgerlijk Wetboek en de wet op de arbeidsovereenkomsten bepalen dat "overmacht" een beëindigingswijze is van een arbeidsovereenkomst.

Niets belet dat dit begrip "overmacht of "definitieve overmacht" nader wordt bepaald in het kader van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst.

Zelfs indien het KB van 28 mei 2003 niet toepasselijk zou zijn zou de rechtbank eveneens dienen na te gaan wanneer er sprake is van "definitieve overmacht" ingeval van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank diende alsdan eveneens na te gaan of in casu de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer een definitieve beslissing is, hetgeen in casu niet het geval is."

De verplichting van de werkgever om eerst ander aangepast werk te zoeken vooraleer de beëindiging op basis van overmacht wegens definitieve arbeidsongeschiktheid te kunnen vaststellen, heeft impact op het begrip "overmacht" doch niet op bewijs van één en ander; de werkgever diende in casu enerzijds de arbeidsongeschiktheid en anderzijds het definitief karakter ervan te bewijzen.

13. Uit één en ander volgt dat LV zich niet meer kon beroepen op het KB indien hij de beroepstermijn had laten voorbij gaan zonder de verklaring van de arbeidsgeneesheer te betwisten (andere hypothese).

Ten deze heeft de werkgever LV niet de kans gegeven om de beslissing van de arbeidsgeneesheer nog te betwisten.

14.1. Gelet op de vorige overwegingen dient te worden besloten dat overmacht niet bewezen voorkomt en JZ ten onrechte op basis van overmacht de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, zodat een opzeggingsvergoeding van achttien maanden verschuldigd is.

14.2. "De arbeidsovereenkomst werd effectief beëindigd, maar nu het bestaan van een medische overmacht niet is aangetoond, is als zodanig de beëindigingswijze van artikel 32 5° van de Arbeidsovereenkomstenwet niet van toepassing, en/of werd ze ten onrechte aangevoerd door geïntimeerde. De arbeidsovereenkomst werd m.a.w. eenzijdig door geïntimeerde beëindigd, en zulks dan op onrechtmatige wijze, want doorgevoerd zonder dat er een opzeggingstermijn werd gerespecteerd. Nu er sprake is van een onrechtmatige en aan geïntimeerde toeschrijfbare beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is appellante opzichtens geïntimeerde gerechtigd op een opzeggingsvergoeding" (Arbh. Antwerpen (afd. Hasselt), 12 mei 2009, Soc. Kron. 2012, 8).

14.3. LV heeft reeds voor de arbeidsrechtbank zijn vordering naar 43.443,18 EUR bruto herleid, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 2 maart 2010 als opzeggingsvergoeding, overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zoals vastgesteld in artikel 3 van de CAO van 30 juni 2006 (regnr: 81886/co/305).

14.4. De berekening is als volgt samengesteld:

- brutomaandloon: 2.049,30 EUR

- haardvergoeding: 73,27 EUR

- premie ADV 45+: 107,79 EUR

- werkgeversbijdrage maaltijdcheques: 28,20 EUR

- eindejaarspremie: 95,72 EUR

- attractiviteitspremie: 59,22 EUR

Totaal: 2.413,51 EUR x 18 maanden = 43.443,18 EUR bruto

15. JZ stelt tenslotte dat zij geen ontslaghandeling heeft gesteld en verwijst naar cassatierechtspraak van 19 mei 2008 en stelt dat LV de onregelmatige beëindiging had moeten vaststellen:

"Als de werkgever zich ten onrecht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht beroept, kan de werknemer dit beschouwen als een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Bij betwisting van de overmacht staat het dan aan de werknemer de eenzijdige onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vast te stellen."

LV verwijst naar de duidelijke stukken 3, 4 en 6:

"Wij herhalen nogmaals onze vraag om over te gaan tot betaling van een opzeggingsvergoeding aangezien u onrechtmatig de arbeidsovereenkomst hebt beëindigd wegens overmacht medische redenen.

Wij blijven dan ook bij ons standpunt dat uw cliënt de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigd heeft. De ontslaghandeling die geleid heeft tot eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst blijkt overigens wel zeer duidelijk uit de door uw cliënt afgeleverde brief van 02/03/2010 en uit het afgeleverde formulier C4" .

16. JZ is derhalve een opzeggingsvergoeding verschuldigd.

17. Ten overvloede merkt het hof op dat de verklaringen van KB en de verklaring van MF (stuk 9 en 10 bundel JZ) niet als bewijs weerhouden worden.

De getuigen zijn aangestelden en KB is de directeur personeel & organisatie en tevens diegene die LV heeft ontslagen (stuk 2 bundel LV). MF is de coördinator personeelsbeheer. Deze verklaringen kunnen, naar het oordeel van het hof, ten deze niet als objectief gegeven en bewijs weerhouden worden. KB handelt zelfs als werkgever (ondertekening ontslagbrief, stuk 2) en kan bezwaarlijk als getuige fungeren.

De twee verklaringen vertonen veel gelijkenissen en zijn grotendeels in dezelfde bewoordingen zijn opgemaakt. Tenslotte zijn de initiële verklaringen niet ondertekend.

In een later stadium poogt JZ één en ander te corrigeren.

18. Het is naar het oordeel van het hof niet nodig om op het getuigenaanbod in te gaan, omdat men geen afstand kan doen van de beroepstermijn (en zeker niet mondeling). Het doet niet ter zake of LV al dan niet heeft verklaard dat hij niet in beroep wenste te gaan.

Opdat de afstand van rechten als rechtshandeling zou blijken, dient duidelijk te zijn welke rechten door de werknemer worden prijsgegeven, en mag er geen betwisting mogelijk zijn van welke rechten de werknemer afstand wilde doen.

Het getuigenaanbod dient naar het oordeel van het hof als onderzoeksmaatregel te worden afgewezen en wordt niet opportuun bevonden.

19. JZ vraagt in ondergeschikte orde nog om het bestaan van overmacht aan te mogen tonen met een deskundigenonderzoek, doch het feit of er uiteindelijk effectief sprake is van overmacht doet in huidige betwisting niet ter zake. JZ heeft de procedure niet gevolgd, waardoor de definitieve arbeidsongeschiktheid niet bewezen is en de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigd werd.

Het komt het hof niet opportuun voor om meer dan 3 jaar na de feiten via onderzoeksmaatregel de overmacht met terugwerkende kracht te onderzoeken.

De verdere argumenten van partijen, ontwikkeld in conclusies of ter zitting, en voor zover niet beantwoord in huidig arrest, worden verworpen als irrelevant, minstens ongegrond.

BESLISSING

Het arbeidshof,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het vonnis van 7 juni 2012 van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Hasselt, gewezen onder A.R. nr. 2110498.

Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek JZ VZW tot de gerechtskosten.

Vereffent deze kosten aan de zijde van JZ VZW op 2.750 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Laat deze kosten onvereffend aan de zijde van LV wegens het niet indienen van een kostenopgave.

Aldus gewezen door:

Johan MARTENS, kamervoorzitter,

Jozef TROONEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Willy KENNES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

Jozef TROONEN Willy KENNES Johan MARTENS

en uitgesproken door de voorzitter van de derde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 4 september 2013 met bijstand van griffier Liliane KIREJEW.

Liliane KIREJEW Johan MARTENS

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELING: einde van de overeenkomst

  • door overmacht

  • arbeidsrecht

  • definitieve medische arbeidsongeschiktheid

  • bewijs