- Arrêt of December 17, 2013

17/12/2013 - 2013/AH/66

Case law

Summary

Samenvatting 1

Een bonusregeling, opgesteld in de Engelse taal en van toepassing in een onderneming met een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied, is in strijd met het Taaldecreet van 19 juli 1973.

De rechtspraak van het Hof van Justitie waarin het oordeelt dat er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van werknemers indien een lidstaat, i.c. België, de verplichting oplegt om een arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend op te stellen in de officiële taal van dat taalgebied, is niet naar analogie toepasbaar op een arbeidsovereenkomst die geen grensoverschrijdend karakter heeft.

Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vóór het ogenblik waarop de bonus betaald wordt, is de bonus in beginsel pro rata temporis verschuldigd voor de tijdens de referentieperiode tot op dat tijdstip geleverde arbeid.


Arrêt - Integral text

ARBEIDSHOF ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

Arrest 17 december 2013

F. C. NV, met maatschappelijke zetel te 3560 LUMMEN, Grote Baan 34, ingeschreven met KBO-nummer 0438 839 282,

met als raadsman mr. SAVELKOUL Luc, advocaat te PAAL

tegen:

M. B., wonende te 3530 HOUTHALEN-HELCHTEREN, Motmansstraat 21,

aanwezig ter zitting

met als raadsman mr. RENETTE Steven, advocaat te HASSELT

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 26 oktober 2012 van de arbeidsrechtbank Hasselt.

Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.

I. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL BEROEP

Met een verzoekschrift, op 20 februari 2013 neergelegd ter griffie van dit hof, tekende NV F. C., hierna verder NV genoemd, hoger beroep aan tegen het vonnis (A.R 211/2949) van 26 oktober 2012 van de arbeidsrechtbank Hasselt.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het incidenteel beroep, ingesteld door B. M., is eveneens ontvankelijk.

II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1.

B. M. trad op 1 augustus 1995 als bediende  assistent milieucoördinator in dienst van NV M., zijnde een rechtsvoorganger van de NV, in het kader van een op 31 juli 1995 ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (stuk 3 stukkenbundel B. M.)

Voordien was B. M. ook al in het kader van 2 opeenvolgende stageovereenkomsten (met toepassing van alle in de Arbeidsovereenkomstenwet vervat liggende bepalingen inzake een arbeidsovereenkomst voor bedienden) bij de NV tewerkgesteld vanaf 1 augustus 1994 (stukken 1 en 2 stukkenbundel B. M.).

B. M. heeft in beroepsbesluiten vermeld (hierin niet tegengesproken door de NV) dat hij evolueerde naar de functie van 'plantmanager' (deze functiebenaming is ook op de voorgelegde loondocumenten terug te vinden).

Met een aangetekende brief van 10 december 2010 stelde de NV P. B. M. ervan in kennis dat de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang verbroken werd, rekening houdend met een verbrekingsvergoeding overeenstemmend met 19 maanden loon, hetzij 244.349,00 EUR (stuk 8 stukkenbundel B. M.).

Er volgde daarop briefwisseling over en weer tussen de raadslieden van partijen, n.a.l.v. de eis van B. M. inzake een aanvullende opzeggingsvergoeding en pro rata bonus 2010 (stukken 13 t/m 17 stukkenbundel B. M.), maar een regeling werd niet bereikt.

2.

Op 9 december 2011 legde B. M. bij de arbeidsrechtbank Hasselt een verzoekschrift neer opzichtens de NV.

Zijn vordering, zoals geformuleerd in een syntheseconclusie van 20 april 2012, was erop gericht om de NV te horen veroordelen tot betaling van:

- een bedrag van 20.308,97 EUR bruto als aanvullende opzeggingsvergoeding;

- een bedrag van 11.115,63 EUR bruto als pro rata bonus van 2010;

- de vergoedende, de wettelijke en de gerechtelijke intresten alsook de kosten van het geding.

De NV stelde opzichtens B. M. een tegenvordering in.

Deze vordering, zoals geformuleerd in een syntheseconclusie van 22 mei 2012, was er in ondergeschikte orde op gericht om:

- vast te horen stellen dat er door de NV een bedrag van 4.766,91 EUR bruto teveel werd betaald en dit bedrag te compenseren met het door B. M. gevorderde bedrag;

- vast te horen stellen dat B. M. maximaal gerechtigd kan zijn op een pro rata variabele bonus van 5.623 EUR bruto.

Bij vonnis van 26 oktober 2013 van de arbeidrechtbank Hasselt werd:

- akte verleend aan de eisuitbreiding van B. M.;

- de hoofdvordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard;

- de NV veroordeeld tot betaling van een bedrag van:

- 7.076,06 EUR bruto als aanvullende opzeggingsvergoeding;

- 7.496,77 EUR bruto als pro rata bonus,

meer de wettelijke intresten vanaf 10 december 2010 en de gerechtelijke intresten vanaf 9 december 2011 en te verminderen met de wettelijke inhoudingen in zoverre verschuldigd;

- de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard;

- de NV veroordeeld tot de kosten van het geding.

3.

Tegen dit vonnis van de arbeidsrechtbank Hasselt stelde de NV hoger beroep in bij dit hof.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

1.

NV F. C. vordert om:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- het vonnis a quo te hervormen;

- in hoofdorde:

- de vordering van B. M. ontvankelijk te verklaren doch alvorens verder recht te doen een prejudiciële vraag te stellen vaan het Grondwettelijk Hof, met name:

"• Schendt het decreet van 19 juli 1973 van de Vlaamse Gemeenschap tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de voor de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, artikel 11 van de Grondwet, in zoverre het een discriminatie teweegbrengt tussen werkgever en werknemer met het statuut van hoger bediende/leidinggevend kader binnen een internationaal georiënteerde en georganiseerde onderneming en op internationaal werkterrein (waar het Engels een algemeen gangbare en de voornaamste voertaal is), en een niet te billijken en rechtvaardigen ongelijke behandeling ten nadele van de werkgever door enkel aan deze werknemer de mogelijkheid te bieden om zich te beroepen op de inhoud en de bepalingen van een anderstalig gemeenschappelijk document dat deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst en -verhouding en hierdoor aan de werknemer een ongerechtvaardigde bescherming toekent, dewelke het normaal evenwicht tussen partijen in een arbeidsrelatie verstoort;"

- de vordering van B. M. ongegrond te verklaren indien het hof zou oordelen dat de prejudiciële vraag niet opportuun is;

- B. M. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen;

- in ondergeschikte orde:

- de vordering van B. M. ontvankelijk doch slechts deels gegrond te verklaren;

- te zien vaststellen dat door de NV een bedrag van 4.766,91 EUR bruto teveel werd betaald en dit te compenseren met het door B. M. gevorderde bedrag;

- te zien vaststellen dat B. M. maximaal gerechtigd kan zijn op een pro rata variabele bonus van 5.623 EUR bruto;

- B. M. te veroordelen tot de kosten van het geding, minstens deze kosten om te slaan tussen beide partijen.

2.

B. M. vordert om:

- het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht te doen;

- zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de NV te veroordelen tot betaling van:

- een bedrag van 20.308,97 EUR bruto als aanvullende opzeggingsvergoeding;

- een bedrag van 11.115,63 EUR bruto als pro rata bonus 2010,

te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 10 december 2010 en de gerechtelijke intresten vanaf 9 december 2011 tot de dag van algehele betaling;

- de NV te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

IV. VERZOEK HEROPENING DER DEBATTEN

Nadat de debatten gesloten waren (pleitzitting van 22 oktober 2013) en nadat de zaak in beraad was genomen (met 26 november 2013 als voorziene datum van de uitspraak van het arrest, bepaald op de terechtzitting van die dag te 14 uur), heeft B. M. op 26 november 2013 om 11 uur 25 ter griffie van dit hof een verzoekschrift tot heropening der debatten neergelegd.

In dit verzoekschrift heeft B. M. het navolgende vermeld (onder meer) :

"Tijdens de duur van het beraad werd verzoeker een nieuw stuk van overwegend belang ter hand gesteld, met name een schriftelijke verklaring van de voormalige directeur (CEO) van F. C., de heer F. S., aangaande het onafgebroken recht (!) van verzoeker op de zgn. STIPbonus en dat vanaf het ogenblik waarop deze bonus in het leven werd geroepen, begin 2001 ;

Verzoeker wenst omwille van dit nieuwe stuk van overwegend belang de debatten heropend te zien en om de redenen hierna verder uiteengezet (/)."

De schriftelijke verklaring waaraan B. M. refereert, gevoegd bij het verzoekschrift tot heropening der debatten, betreft een verklaring van F. S., in briefvorm gericht tot B. M. en gedateerd op 25 november 2013.

In toepassing van artikel 772 Ger.W. kan, indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegende belang ontdekt en zolang het vonnis (in dit geval arrest) niet uitgesproken is, de heropening van de debatten gevraagd worden.

Het hof is van oordeel dat het hier niet gaat om het "ontdekken van een nieuw stuk".

De in artikel 772 Ger.W. vervat liggende vereiste van het "ontdekt worden" houdt in dat het moet gaan om feiten die niet voortspruiten uit de wil van de partijen (vgl. Antwerpen 22 september 1998, P&B 1999, 247).

Bedoeld 'nieuw stuk'  de vermelde verklaring van F. S. d.d. 25 november 2013  werd duidelijk geredigeerd op verzoek van B. M., en dit ingevolge een vraag of problematiek die tijdens de pleidooien op 22 oktober 2013 ter sprake kwam (dit werd door B. M. ook zo vermeld in de verdere motivering in zijn verzoekschrift tot heropening der debatten).

Aan de door artikel 772 Ger.W. gestelde vereiste van het 'ontdekken' van een nieuw stuk is hier bijgevolg niet voldaan.

Op het verzoek tot heropening der debatten wordt derhalve door het hof niet ingegaan, en dit verzoek wordt verworpen.

V. BEOORDELING

V.a. De door B. M. van de NV gevorderde aanvullende opzeggingsvergoeding

1.

B. M. gaat niet akkoord met de door de NV n.a.l.v. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitbetaalde opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met 19 maanden loon.

B. M. meent dat 20 maanden moeten worden toegepast en stelt eveneens dat het voor de begroting van de opzeggingsvergoeding in aanmerking te nemen 'lopende loon' niet correct werd ingeschat door de NV.

B. M. vordert een aanvullende opzeggingsvergoeding van 20.308,97 EUR bruto (+ intresten).

De NV betwist deze vordering van B. M. en meent dat zij wel degelijk op correcte basis het in aanmerking te nemen 'lopende loon' heeft ingeschat en in functie van de door haar in aanmerking genomen (theoretische) opzeggingstermijn een correcte opzeggingsvergoeding heeft uitbetaald, zonder dat B. M. nog gerechtigd is op een aanvullende opzeggingsvergoeding.

2.

In toepassing van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 is de partij die de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst beëindigt zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, ertoe gehouden om aan de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen, gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.

Bij de bepaling van het daarbij in aanmerking te nemen 'lopende loon' bestaat er tussen partijen geen discussie over de navolgende componenten :

- 116.832,93 EUR vast jaarloon (met inbegrip van de eindejaarspremie en het dubbel vakantiegeld) ;

- 19.213,00 EUR variabel loon laatste 12 maanden ;

- 11.413,08 EUR werkgeversbijdrage groepsverzekering;

- 1.365,21 EUR werkgeversbijdrage maaltijdcheques ;

- 370,56 EUR werkgeversbijdrage hospitalisatieverzekering.

Bij de bepaling van het 'lopende loon' bestaat er tussen partijen wel discussie over :

- de begroting van het voordeel in natura, bestaande in het privégebruik van de firmawagen waarover B. M. beschikte ;

- het voordeel bestaande uit het privégebruik van een laptop en GSM.

Het hof spreekt zich hierna achtereenvolgens uit over deze betwiste posten.

3.

* Privégebruik firmawagen.

B. M. had een firmawagen Renault Grand Espace met bijhorende tankkaart ter beschikking waarvan hij klaarblijkelijk voor privédoeleinden onbeperkt gebruik mocht maken.

Het privégebruik van de firmawagen is een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst waarmee bij de bepaling van de opzeggingsvergoeding overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet rekening moet worden gehouden (vgl. Cass. 4 januari 1993, J.T.T. 1993, 328).

Dit principe staat als zodanig niet ter discussie ; wel bestaat er tussen partijen discussie over de omvang daarvan.

B. M. begroot dit voordeel op 700 EUR per maand, hetzij op 8.400 EUR per jaar.

De NV stelt dat dit voordeel op 182 EUR per maand, hetzij op 2.346 EUR per jaar moet worden gewaardeerd.

Vooreerst merkt het hof op dat het niet de 'pro fisco' (en/of mogelijk op de loonbrieven vermelde regeling) is die bij de begroting van bedoelde voordeel decisief of determinerend is.

Bij de opname van het voordeel in de berekeningsbasis voor de opzeggingsvergoeding moet rekening worden gehouden met het reële voordeel dat de werknemer werkelijk puurt uit het privégebruik van de firmawagen (en de bijhorende tankfaciliteiten).

Bij de begroting van dit voordeel in natura ligt naar het oordeel van het hof de nadruk niet zozeer op het type van de firmawagen of de kostprijs (of leasekost) daarvan, maar wel op het gebruiksgenot en de besparing die het voordeel aan de werknemer oplevert, zulks vanuit de afweging dat de werknemer niet noodzakelijk zelf een eigen wagen (eventueel van een ander type en/of met een lagere kostprijs) dient aan te schaffen of te gebruiken, gelet op het privégebruik dat hij van de hem ter beschikking gestelde firmawagen (met gratis brandstof) kan maken.

Het hof is van oordeel dat het in die zin op te vatten reële voordeel dat B. M. hier putte uit het privégebruik van de firmawagen (en tankkaart) forfaitair en redelijkerwijze op 450 EUR per maand, hetzij op 5.400 EUR per jaar, kan worden begroot en aldus als component van het 'lopende loon' (als berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding) in aanmerking kan worden genomen.

4.

* GSM.

B. M. maakt gewag van een hem toekomend voordeel, bestaande uit het toegestane privégebruik van een GSMtoestel.

De NV heeft aangevoerd dat zij B. M. geen privégebruik van het GSMtoestel heeft toegestaan, zodat dit niet in de loonbasis mag worden opgenomen.

Het hof treedt dit standpunt van de NV bij.

B. M. (hier de eisende partij op wie terzake de bewijslast rust) bewijst niet dat hij de hem ter beschikking gestelde GSM voor privégebruik mocht aanwenden ; het gegeven dat hij zulks 'de facto' mogelijk toch heeft gedaan, levert nog niet het bewijs op van een hem door de werkgever toegestaan en/of verstrekt voordeel in natura.

Bij gebrek aan bewijs van het effectief bestaan van een aldus door de werkgever toegestaan voordeel, bestaande in het privégebruik van een GSM, kan dit niet in aanmerking worden genomen bij het 'lopende loon'.

* Laptop.

Anders is het gesteld met het voordeel bestaande in het privégebruik van een laptop.

B. M. heeft aangevoerd, en zonder dat de realiteit daarvan op enigerlei wijze door de NV werd tegengesproken, dat de NV via rechtstreekse facturatie de kosten van het internetabonnement van B. M. (van de internetaansluiting op zijn privéadres) betaalde, hetgeen erop duidt dat B. M. zodoende ook genoot van het onbeperkte privégebruik van bedoelde laptop.

Het hof is van oordeel dat de onvoorwaardelijke betaling door de NV van deze internetkosten duidt op een effectief door de NV aan B. M. (minstens impliciet) toegestaan privégebruik van bedoelde laptop.

Dit door de NV aan B. M. toegestaan voordeel kan op 60 EUR per maand, hetzij 720 EUR per jaar worden geschat, en het kan ten belope van dit bedrag bij het in aanmerking te nemen 'lopende loon' worden opgenomen.

5.

Het jaarloon dat als berekeningsbasis voor de opzeggingsvergoeding in aanmerking moet worden genomen, kan, rekening houdend met de niet betwiste loonbestanddelen enerzijds, en in het licht van de voorgaande beoordeling inzake de betwiste posten anderzijds, als volgt worden bepaald :

116.832,93 EUR vast jaarloon (eindejaarspremie, dubbel vakantiegeld) ;

19.213,00 EUR variabel loon laatste 12 maanden ;

11.413,08 EUR werkgeversbijdrage groepsverzekering;

1.365,21 EUR werkgeversbijdrage maaltijdcheques ;

370,56 EUR werkgeversbijdrage hospitalisatieverzekering.

720,00 EUR voordeel laptop

5.400,00 EUR privégebruik firmawagen (+ tankkaart)

155.314,78 EUR TOTAAL BRUTO JAARLOON

Het loon van B. M. oversteeg derhalve op het ogenblik van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst de daartoe bepaalde jaargrens van artikel 82, §2§3 van de Arbeidsovereenkomstenwet (voor 2010 : 30.327,00 EUR), zodat B. M. als een 'hogere bediende' moet worden aangemerkt.

Gelet op de tussen partijen bestaande discussie, dient de rechter  thans dit hof  zich uit te spreken over de duur van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn (artikel 82, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet).

6.

Conform een constante cassatierechtspraak die door dit hof wordt bijgetreden, wordt deze opzeggingstermijn alsdan bepaald, rekening houdend met de mogelijkheid voor de bediende om op het tijdstip van de opzegging een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op de anciënniteit, de leeftijd, de functie en het bedrag van het loon van betrokkene, naar gelang de elementen eigen aan de zaak (vgl. Cass. 8 september 1980, Arr.Cass. 1981, 16 ; Cass. 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58 ; Cass. 4 februari 1991, R.W. 199091, 1407 ; Cass. 9 mei 1994, R.W. 199495, 1163 ; Cass. 2 december 2002, nr. S020060N, www.juridat.be ; Cass. 5 januari 2009, S.080086N, www.juridat.be ; Cass. 11 maart 2013, S.120088N, www.juridat.be ; Cass. 11 maart 2013, S.120101N, www.juridat.be).

Mits toekenning van de juiste waarde aan elk van de hiervoren vermelde parameters, in functie van de elementen eigen aan de zaak, diende volgens het hof, gezien de anciënniteit van de betrokken werknemer van ca. 16 jaar en 2 maanden (in dienst sedert 1 augustus 1994), zijn leeftijd van ca. 39 jaar en 8 maanden (geboren op 12 februari 1971), zijn functie van plantmanager, en het in aanmerking te nemen brutojaarloon van 155.314,78 EUR, op het ogenblik van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst (10 december 2010) normalerwijze rekening te worden gehouden met een (theoretische) opzeggingstermijn van 20 maanden.

De verwijzing van partijen naar een berekening van de opzeggingstermijn volgens de zogenaamde "formule Claeys"  waarbij dan klaarblijkelijk een mathematische formule (met implementatie van verschillende parameters) wordt gehanteerd voor de berekening van de opzeggingstermijn voor 'hogere bedienden' (voor een nadere situering : vgl. VAN EECKHOUTTE W., Compendium Arbeidsrecht 201314, Mechelen, Kluwer, 2013, nr. 4079)  is in het licht van de voorgaande beoordeling en de cassatierechtspraak waarnaar verwezen werd zonder praktisch belang, en het hof spreekt zich daaromtrent, wegens het voorts niet dienende karakter ervan, niet verder uit.

7.

In functie van een te weerhouden jaarloon van 155.726,14 EUR stemt een opzeggingsvergoeding van 20 maanden loon overeen met :

155.314,78 EUR x 20/12 = 258.857,96 EUR bruto.

De NV betaalde een bedrag uit van 244.349,00 EUR.

Het saldo aan opzeggingsvergoeding (of de aanvullende opzeggingsvergoeding) waarop B. M. opzichtens de NV nog gerechtigd is, bedraagt zodoende :

258.857,96 EUR verschuldigd  244.349,00 EUR betaald =

14.508,96 EUR bruto.

De desbetreffende vordering van B. M. (en het door hem ingestelde incidenteel beroep) is in die mate (en vermeerderd met de toepasselijke intresten) gegrond.

Het vonnis a quo, waarin een lager bedrag aan aanvullende opzeggingsvergoeding werd weerhouden, wordt door het hof dienovereenkomstig hervormd.

V.b. De door B. M. van de NV gevorderde pro rata bonus 2010

1.

B. M. vordert van de NV een pro rata bonus voor het jaar 2010, door hem begroot op 11.115,63 EUR.

B. M. appelleert klaarblijkelijk aan een binnen de NV geldende regeling volgens dewelke het personeel in functie van bepaalde behaalde doelstellingen jaarlijks een bonus (of variabel loon) uitbetaald kreeg, bovenop het vaste loon en andere geldende voordelen.

De NV spreekt als zodanig het bestaan niet tegen van een dergelijke binnen haar firma geldende regeling of vigerend systeem.

De NV heeft in dat verband aangevoerd dat het bonussysteem gesteund was op een bij haar vigerende 'stip policy' ("stip" is de afgekorte benaming van "short term incentive plan").

Volgens de NV had het feit dat deze 'stip policy' in het Engels was geredigeerd geen invloed op de geldigheid ervan, en kon B. M. in toepassing daarvan geen aanspraak maken op de door hem gevorderde bonus ; de NV refereert klaarblijkelijk aan een in de 'stip policy' vervat liggende clausule volgens dewelke er in geval van ontslag geen pro rata bonus verschuldigd zou zijn aan de ontslagen werknemer.

2.

B. M. heeft aangevoerd dat de kwestieuze 'stip policy' in de Engelse taal is geredigeerd (stuk 17, bijlage stukkenbundel B. M.) en zodoende in strijd is met het Decreet van 19 juli 1973, met als gevolg dat de 'stip policy' van rechtswege nietig is en hem niet tegenstelbaar is.

Deze aanvoering van B. M. inzake de toepassing en uitwerking van de taalreglementering is terecht.

Het Decreet van de 19 juli 1973 van de Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap 'tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen' (B.S. 6 september 1973), hierna verder aangeduid als het Nederlandse Taaldecreet, regelt de taal die van toepassing is op de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers.

Het Nederlandse Taaldecreet is van toepassing op werkgevers die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben.

De NV had haar maatschappelijke zetel te Lummen, zijnde dus in het Nederlandse taalgebied, en diende zodoende rekening te houden met de bepalingen van het Nederlandse Taaldecreet.

In toepassing van artikel 2 van het Nederlandse Taaldecreet is de te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van die ondernemingen, het Nederlands.

Conform de bepalingen van het Nederlandse Taaldecreet was hier het Nederlands in principe de verplicht te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgever en de werknemer en voor alle wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden bestemd voor het personeel, zoals bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst of de individuele contacten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband hielden met de tewerkstelling (artikelen 2, 3, 5 Taaldecreet).

Waar bedoelde 'stip policy', met daarin mogelijk vervat liggend de specifieke modaliteiten inzake een variabele verloning of bonus, hier kennelijk in een andere taal dan de Nederlandse taal opgesteld, met name in de Engelse taal, gaat het alsdan om een 'bescheid' dat niet aan deze voorwaarden beantwoordt.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 van het Nederlandse Taaldecreet is dergelijk in strijd met het decreet opgesteld stuk nietig.

Deze nietigheid wordt ambtshalve door de rechter vastgesteld.

Dergelijke drastische maatregel vloeit voort uit het openbare orde karakter van bedoelde wetgeving (vgl. Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 25 januari 2011, BVBA N. t/ B., A.R. 2009/AH/204, onuitgegeven ; Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 18 januari 2000, BVBA PS T. t./ G., A.R. 980192, onuitgegeven ; cf. STEYAERT, J., DE GANCK, C., DE SCHRIJVER, L., "Arbeidsovereenkomst", Brussel, StoryScientia, 1990, nr. 1158).

Aangezien ondertussen de arbeidsovereenkomst en de ermee samenhangende tussen partijen bestaande 'sociale betrekkingen' beëindigd zijn, is een eventuele vervanging van het nietig stuk, zoals voorzien in artikel 10, lid 3 van het Nederlandse Taaldecreet  in welk geval de opheffing van de nietigheid desgevallend plaatsvindt vanaf de indiening bij de griffie van de arbeidsrechtbank (artikel 10, lid 4 Taaldecreet)  doelloos (vgl. Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 25 januari 2011, BVBA N. t/ B., A.R. 2009/AH/204, onuitgegeven ; Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 18 januari 2000, BVBA PS T. t./ G., A.R. 980192, onuitgegeven ; Arbh. Brussel 20 april 1976, R.W. 197677, 934, met noot Blanpain, R.).

Stukken die in strijd met het Nederlandse Taaldecreet werden opgesteld, zijn absoluut nietig 'ex tunc'.

Daaruit volgt dat de rechter normalerwijze niet vermag acht te slaan op de in de verkeerde taal opgestelde documenten en dat hij geen rekening mag houden met de inhoud ervan, inzonderheid met de wilsuitdrukking (cf. Cass. 31 januari 1978, T.S.R. 1978, 329).

Niettemin kan overeenkomstig artikel 10, lid 5 van het Nederlandse Taaldecreet dergelijke nietigverklaring geen nadeel berokkenen aan de werknemer (en laat ze de rechten van derden onverminderd).

Dit komt er als zodanig in praktijk op neer dat de werknemer zich inzake de nietige documenten kan beroepen op de bedingen welke hem tot voordeel strekken, terwijl hij de nietigheid van de voor hem nadelige bedingen kan inroepen (vgl. Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 25 januari 2011, BVBA N. t/ B., A.R. 2009/AH/204, onuitgegeven ; Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 18 januari 2000, BVBA PS T. t./ G., A.R. 980192, onuitgegeven ; Arbh. Gent, afd. Brugge 21 april 1995, J.T.T. 1996, 283 ; vgl. eveneens BUYSSENS, H., "Bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht", in Actuele problemen van het Arbeidsrecht 4, Maklu Uitgevers, Antwerpen, 1993, 214).

De werkgever van zijn kant kan zich niet op de nietige stukken beroepen, noch wat betreft het 'instrumentum', noch wat betreft het 'negotium', terwijl de werknemer niettemin zijn vordering er wel op kan enten, in de mate dat hij erop beroep wenst te doen (vgl. Arbh. Gent, afd. Brugge, 21 april 1995, J.T.T. 1996, 283).

Vertaald in functie van de onderhavige betwisting leiden de hiervoren vermelde principes en overwegingen tot de navolgende concrete toepassing dat de in strijd met het Nederlandse Taaldecreet opgestelde 'stip policy', en in de mate dat de NV zich daarop wenst te beroepen, nietig wordt verklaard.

3.

Het hof merkt volledigheidshalve op dat een relatief recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 16 april 2013 (HvJ 16 april 2013, Las/PSA Antwerpen NV, nr. C 202/11, Pb.C. 164/3 van 8 juni 2013) geen afbreuk doet of kan doen aan de onder het vorige punt (sub V.b.2.) uitgesproken beoordeling.

Het Hof van Justitie kwam in de vermelde zaak tot de beoordeling dat de verdragsbepaling die het vrij verkeer van werknemers waarborgt zo moet worden uitgelegd dat ze in de weg staat aan een regeling die elke werkgever met een exploitatiezetel op het grondgebied van een taalgebied van een lidstaat de verplichting oplegt om arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend op te stellen in de officiële taal van dat taalgebied op straffe van een door de rechter ambtshalve uit te spreken nietigheid.

Dit arrest betreft, volgens de eigen bewoordingen ervan, echter enkel arbeidsovereenkomsten (en eventueel erbij horende sociale betrekkingen) met een "grensoverschrijdend karakter", hetgeen volgens het Hof van Justitie voorhanden is wanneer één van de partijen afkomstig is uit een andere lidstaat van de Unie en de officiële taal van de betrokken regio niet spreekt.

Uit niets blijkt dat deze door het Hof van Justitie voorgestane hypothese hier gerealiseerd zou zijn : er zijn geen elementen of indicaties waaruit hier tot het bestaan van een zodanige arbeidsovereenkomst met een ‘grensoverschrijdend karakter' vermag te worden besloten.

Bij gebrek aan het gerealiseerd zijn van die door het Hof van Justitie veronderstelde hypothese, is bedoeld arrest en de uitwerking ervan in onderhavige zaak niet per analogie toepasbaar.

De aanvoering van de NV dat B. M. een hogere kaderlidbediende was en dat dientengevolge de communicatie tussen hem en de NV, een internationaal georiënteerde en georganiseerde onderneming met een internationaal werkterrein en met het Engels als algemeen gangbare en voornaamste voertaal, steeds in het Engels gebeurde, doet  indien al bewezen  daaraan geen afbreuk.

De feitelijkheden van de zaak waarover het Hof van Justitie zich uitsprak zijn wezenlijk verschillend van die van onderhavige zaak, en er is thans in onderhavige zaak geen aanleiding voor een toepassing per analogie van de uitspraak van het Hof van Justitie.

Bedoelde taalreglementering en de eruit voortvloeiende uitwerking, hoger sub V.b.2. vermeld, blijft derhalve onverminderd van toepassing.

4.

De NV stelde nog dat B. M. zich in strijd met artikel 1134 B.W. schuldig maakte aan een inbreuk op de goede trouw doordat hij zich enerzijds beroept op de 'stip policy' om de bonus te claimen, en anderzijds de nietigheid ervan inroept om te ontsnappen aan andere ongunstige bepalingen ervan.

Het hof volgt deze argumentatie niet.

Zoals hiervoren reeds werd geoordeeld (zie hoger, sub V.b.2.), is bedoelde taalreglementering van openbare orde en is dienvolgens het zich erop beroepen door een procespartij niet strijdig met het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten.

Een procespartij die zich op een dergelijk wettelijk voorschrift beroept, bezondigt zich niet aan een inbreuk op de goede trouw.

En zelfs indien B. M. zich er niet expliciet op zou beroepen, dan nog was er sprake van een (relatieve) nietigheid van bedoelde 'stip policy' aangezien een dergelijke in strijd met de vermelde taalreglementering geredigeerde akte door de rechter ambtshalve nietig moet worden verklaard.

Dergelijke maatregel die zich specifiek aan de geadieerde rechter opdringt ("ambtshalve"), staat als zodanig los van het principe van de uitvoering te goeder trouw en/of van een beweerde miskenning daarvan door één van de contractanten van een overeenkomst.

De andersluidende argumentatie van de NV steunt op een verkeerde rechtsopvatting die door het hof niet wordt gedeeld.

5.

De NV heeft voorts beargumenteerd dat indien de 'stip policy' op grond van de op de toepassing van de taalreglementering gesteunde redengeving nietig zou worden verklaard, zulks een niet te billijken onevenwicht in de contractuele relatie tussen werkgever en werknemer zou impliceren, kennelijk vanuit de opvatting (althans zo heeft het hof het opgevat) dat de werknemer zich wel nog op de door nietigheid aangetaste akte kan beroepen en de werkgever niet.

Het is vanuit die optiek dat de NV het hof verzoekt om inzake een vermeende discriminatie en schending van het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel over te gaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Bedoelde vraag, hoger bij weergave van de 'eisen in hoger beroep' (zie hoger, sub III.1.) reeds geciteerd en zonder dat ze thans integraal moet worden herhaald, komt het hof echter niet relevant of pertinent voor.

De door de NV geformuleerde vraagstelling is namelijk niet relevant (en/of dienend) in zoverre daarbij wordt uitgegaan van een vermeende discriminatie "tussen werkgever en werknemer met het statuut van hoger bediende/leidinggevend kader binnen een internationaal georiënteerde en georganiseerde onderneming en op internationaal werkterrein (waar het Engels een algemeen gangbare en de voornaamste voertaal is)".

Tussen deze door de NV vooropgestelde specifieke categorieën van werknemers en/of werkgevers is namelijk in het Nederlandse Taaldecreet als zodanig nergens voorzien.

Aangezien ze als zodanig geen grondslag vindt in de geëvoceerde wettelijke reglementering, lijkt dientengevolge m.b.t. die door de NV vooropgestelde specifieke categorieën de gesuggereerde prejudiciële vraagstelling (aan het Grondwettelijk Hof) al op voorhand 'gecontamineerd' en irrelevant.

De geformuleerde vraagstelling is volgens het hof bovendien onvoldoende pertinent geformuleerd aangezien er zeer algemeen naar een vermeende discriminatie op grond van de totaliteit van het Nederlandse Taaldecreet wordt verwezen, zonder enige verdere specificatie te geven omtrent de concrete wettelijke bepaling(en) waarover het zou kunnen gaan, specificatie die nochtans noodzakelijk is opdat de eventuele vraagstelling daadwerkelijk zin zou kunnen hebben.

Het hof vermag zich bij de formulering van een prejudiciële vraag niet 'zomaar' in de plaats van de vragende partij te stellen en moet er niet naar raden welke specifieke wettelijke bepaling(en) mogelijk het voorwerp van de vraagstelling kan (kunnen) uitmaken; het komt uiteraard aan de vragende partij toe om dit correct en specifiek te duiden, hetgeen hier dus niet is gebeurd.

Ook om die reden komt volgens het hof de vraagstelling, zoals geformuleerd door de NV, niet voor eventuele toewijzing in aanmerking.

Kortom :

Bij gebrek aan relevantie en/of pertinentie verwerpt het hof het verzoek van de NV inzake een aan het Grondwettelijk Hof mogelijk te stellen prejudiciële vraag.

6.

Rest er de beoordeling over de grond of gegrondheid(?) van de desbetreffende vordering van B. M..

Uitgangspunt is dat er binnen de NV een systeem bestond  hetgeen door de NV niet tegengesproken maar integendeel expliciet bevestigd werd  waarbij de NV aan B. M. jaarlijks een bonus toekende in functie van een vooropgesteld en door hem eventueel behaald resultaat.

Deze bonus werd uitbetaald in de maanden maart of april van het daaropvolgende jaar.

Het is niet zo dat B. M. geen recht zou hebben op een (pro rata temporis) bonus voor het jaar 2010 om reden dat hij op 10 december 2010 door de NV ontslagen werd en dus niet meer aan het werk was op een ogenblik dat de bonus nog in functie van bepaalde jaartargets (geldend voor het volledige jaar) moesten worden omgerekend.

Een mogelijke in die zin in de kwestieuze 'stip policy' vervat liggende clausule kan geen toepassing vinden omwille van de hiervoren vermelde reden(en) (zie hoger, inzake de toepassing en uitwerking van het Nederlandse Taaldecreet, sub V.b.2.).

Het hof kan zich in het licht van de hier beschikbare gegevens terugvinden in het door de eerste rechters in het vonnis a quo vermelde principe (onder verwijzing naar een uitspraak van het arbeidshof Brussel van 14 juni 2010, J.T.T. 2011, 106) dat bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vóór het ogenblik waarop de bonus betaald wordt, de bonus in beginsel pro rata temporis verschuldigd is voor de tijdens de referentieperiode tot op dat tijdstip geleverde arbeid.

7.

Inzake de concrete daarmee overeenstemmende begroting van bedoelde bonus, blijft er tussen partijen discussie bestaan :

 B. M. stelt dat hij in functie van de behaalde resultaten recht zou hebben op een bonus van 7 % van het bruto jaarsalaris, hetzij 11.115,63 EUR ;

 de NV stelt dat de bonus maximaal 5,25 % van de 'STIP', hetzij 5.623,00 EUR bedraagt.

Het hof dient vast te stellen dat de NV, zijnde degene die normalerwijze over alle terzake dienende boekhoudkundige gegevens beschikt, tot op heden nalaat om afdoende geconcretiseerd (en geïndividualiseerd) opheldering te geven over bepaalde door B. M. in 2010 gerealiseerde doelstellingen, nodig ter concrete begroting van bedoelde bonus.

Het hof is van oordeel dat in die omstandigheden de door de arbeidsrechtbank in het vonnis a quo gehanteerde redengeving inzake de bepaling van bedoelde bonus kan worden overgenomen.

Deze redengeving luidt als volgt (cf. het bestreden vonnis, blz. 67 ; met eiser wordt B. M. bedoeld) :

"(/) De bonus wordt bepaald in functie van de doelstellingen, deels gestoeld op doelstellingen van het bedrijf en deels op persoonlijke doelstellingen, m.n.

- doelstellingen van de groep F. C.

- doelstellingen van de afdeling F. C. te Lummen

- persoonlijke doelstellingen

Elke doelstelling wordt beoordeeld op een schaal van 5, zodat maximaal 15/15 kan worden gescoord, hetgeen resulteert in een bonus van 15% op het jaarloon.

Eiser geeft aan dat de doelstellingen van de groep F. C. niet werden behaald, zodat daar de score 0/5 dient toegekend. Voor de doelstellingen van de afdelingen te Lummen werd een score van 3/5 behaald. Zijn persoonlijke doelstellingen beoordeelt eiser 3/5. Eiser komt derhalve aan een bonus van 7%.

De NV betwist deze becijfering. Zij stelt dat maximaal 5,25% werd behaald.

Bij nazicht van de door de NV aangebrachte stukken meent de rechtbank dat deze enkel betrekking hebben de persoonlijke doelstellingen, m.n. wordt daarin een opsplitsing gemaakt van:

- 25% Ebit Opco FCP

- 25% Ebit Operations FSP

- 15% 80% realisation of BBP Team

- 35% Realize 2SC within budget

Een en ander blijkt uit de persoonlijke tussentijdse evaluatiefiche die eiser mocht ontvangen 13 oktober 2010 en waarin deze parameters werden opgenomen. Hieruit blijkt tevens dat eiser volledig op schema was om de targets voor 2010 te behalen.

Hoewel hierom verzocht blijft de NV in gebreke de correcte, volledige becijfering voor te brengen van zowel de doelstellingen van het bedrijf als de persoonlijke doelstellingen.

De rechtbank sluit zich dan ook aan bij de becijfering van eiser.

Voor de begroting van de bonus dient rekening gehouden met het jaarloon, zijnde het vaste loon, inclusief eindejaarspremie en vakantiegeld. De voordelen in natura kunnen niet opgenomen worden in deze basis.

Eiser is derhalve gerechtigd op betaling door de NV van een pro rata bonus van 7.496,77 euro bruto, becijferd als volgt :

((8.393,17 euro x 13,92) x 7%) x 11/12".

De desbetreffende vordering van B. M. is gedeeltelijk en in die mate (vermeerderd met de erop toepasselijke intresten) gegrond.

M.b.t. dit aspect wordt het vonnis a quo, waarbij er in dezelfde zin over geoordeeld werd, door het hof bevestigd.

V.c. De door de NV gevraagde schuldvergelijking

1.

De NV stelt dat zij bij de bepaling van het brutobasisjaarloon in functie waarvan zij betaling van de opzeggingsvergoeding verrichtte, per abuis een bedrag aan vakantiegeld op het variabel loon verrekend heeft ten belope van 4.766,91 EUR (dit bedrag werd extra toegerekend op een bedrag aan variabel loon waarin reeds vakantiegeld vervat lag), en zij vordert om ten belope van dit teveel aangerekende bedrag schuldvergelijking te zien toepassen met datgene tot betaling waarvan zij veroordeeld zou worden.

2.

B. M. betwist als zodanig niet wezenlijk dat de NV het door haar vermelde bedrag teveel heeft uitbetaald.

B. M. heeft daaromtrent primordiaal wel aangevoerd dat bedoelde vordering van de NV verjaard zou zijn.

Dit laatste standpunt wordt door het hof niet gedeeld.

De desbetreffende vordering van de NV, strekkende tot compensatie, kan als zodanig genieten van de stuiting van de verjaring die tot stand werd gebracht door de hoofdvordering B. M..

De door de NV ingestelde tegeneis vindt namelijk zijn rechtstreekse oorzaak in de eigenlijke hoofdvordering van B. M., nu deze de post inzake een aanvullende opzeggingsvergoeding zelf heeft gesteld, en ze vormt in essentie een verweer erop (strekkend tot compensatie van teveel betaalde opzeggingsvergoeding).

De regels inzake nieuwe vorderingen  het berusten op een feit of een handeling (akte) in de dagvaarding aangevoerd (cf. artikel 807 Ger.W.)  zijn toepasselijk op de tegenvorderingen ; ook de tegeneis die wordt ingesteld als een verweer op de hoofdvordering of die strekt tot compensatie geniet van de stuitende werking van de verjaring die in het leven werd geroepen door de gedinginleidende dagvaarding van de initiële hoofdvordering (vgl. Cass. 10 april 1978, R.W. 197879, 1377 ; Cass. 10 september 1982, R.W. 198384, 542 ; Cass. 22 januari 2004, R.W. 200506, 423 ; Cass. 14 oktober 2005, Arr. Cass. 2005, nr. 513 ; Cass. 23 februari 2006, Arr. Cass. 2006, nr. 106).

Bedoelde tegenvordering van de NV is bijgevolg ontvankelijk.

3.

Bedoelde tegenvordering is echter ongegrond.

Er is namelijk reeds impliciet compensatie uitgevoerd bij de bepaling van de aanvullende opzeggingsvergoeding waarop B. M. gerechtigd is, en waaromtrent het hof hoger, sub V.a., een beoordeling uitsprak.

Bij de begroting van de totale aan B. M. toekomende opzeggingsvergoeding werd door het hof (en door B. M. zelf) het vakantiegeld op het variabele loon niet dubbel aangerekend ; het werd alsdan slechts één maal in de berekeningsbasis opgenomen.

Het door de NV betaalde bedrag aan opzeggingsvergoeding dat daarop in mindering werd gebracht, bevatte wel het teveel (d.w.z. dubbel) betaalde bedrag aan vakantiegeld op variabel loon.

Het door de NV teveel betaalde werd op die wijze 'de facto' reeds gecompenseerd met het uiteindelijk door haar nog verschuldigde bedrag, en er kan m.b.t. hetzelfde bedrag niet nog eens schuldvergelijking worden toegepast.

De desbetreffende (tegen)vordering van de NV is bijgevolg ongegrond.

V.d. Gerechtskosten

Rekening houdend met de (qua omvang) gedeeltelijke gegrondverklaring van de vordering van B. M. en zulks in afweging met het totaal door hem gevorderde, acht het hof het raadzaam om de gerechtskosten tussen partijen om te slaan als volgt (artikel 1017, lid 4 Ger.W.) :

 de NV wordt tot 3/4 van de gerechtskosten veroordeeld ;

 B. M. wordt tot 1/4 van de gerechtskosten veroordeeld.

In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing.

BESLISSING

Het arbeidshof,

Willigt het door B. M. op 26 november 2013 bij dit hof neergelegde verzoek tot heropening der debatten niet in en verwerpt dit verzoek.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis van 26 oktober 2012 van de arbeidsrechtbank Hasselt enkel wat de begroting van de door NV F. C. aan B. M. te betalen aanvullende opzeggingsvergoeding betreft, evenals wat de gerechtskosten betreft.

En dienaangaande opnieuw recht doende.

Begroot de aanvullende opzeggingsvergoeding tot betaling waarvan NV F. C. aan B. M. gehouden is, op 14.508,96 EUR bruto vermeerderd met de toepasselijke intresten.

Zegt voor recht dat de gerechtskosten moeten worden omgeslagen op de verder hierna bepaalde wijze.

Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. NV F. C. tot 3/4 van de gerechtskosten en B. M. tot 1/4 van de gerechtskosten, van beide aanleggen.

Vereffent deze kosten aan de zijde van de NV op 2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Vereffent deze kosten aan de zijde van B. M. op 2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door:

Paul CEUPPENS, raadsheer,

, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELING: forfaitaire opzeggingsvergoeding

  • overeenkomst zonder tijdsbepaling

  • beëindiging arbeidsovereenkomst

  • bonusregeling

  • taalwetgeving