- Arrêt of March 7, 2013

07/03/2013 - 2012/AB/37

Case law

Summary

Samenvatting 1

De termijn voor het indienen van een aanvraag tot terugbetaling in het kader van een revalidatieovereenkomst tussen een zorgenverstrekker en het RIZIV, is een vervaltermijn. Op deze vervaltermijn zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de verlenging van de termijn, wanneer deze verstrijkt op een zaterdag of zondag niet toepasselijk, vermits deze termijn geen proceshandeling is. Het College van Geneesheren-directeur heeft geen bevoegdheid om af te wijken van deze termijnen en kan geen rechtsmisbruik plegen door zich strikt aan deze termijnen te houden.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 MAART 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - ziekteverzekering

tegensprekelijk overeenkomstig art. 747, § 2, Ger. W.

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211, appellant, vertegenwoordigd door mr. SLEGERS Pierre, advocaat te 1170 BRUSSEL,

tegen:²

1. VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL, eerste geïntimeerde, met zetel te 1050 BRUSSEL, Pleinlaan 2,

2. VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL, tweede geïntimeerde, met zetel te 1090 JETTE, Laarbeeklaan 101,

beiden vertegenwoordigd door mr. SALOMEZ Kristof, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat 3,

3. LANDSBOND VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1150 BRUSSEL, Sint Huibrechtsstraat 19, derde geïntimeerde, die niet verschijnt, noch wordt vertegenwoordigd.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek van de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen op 09 november 2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 28e kamer (A.R. 10/12537/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 januari 2012,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 18 december 2012 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

- de repliek op dit schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 17 januari 2013 voor het RIZIV,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op 14 februari 2013. De uitspraak werd ten slotte verdaagd op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De Vrije Universiteit Brussel diende op 26 april 2010 per fax een aanvraag in bij het College van geneesheren- directeurs van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (verder het Riziv) tot de tenlasteneming van de kosten van plaatsing van een hartdefibrillator, dit op basis van een overeenkomst afgesloten tussen het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Riziv en de Vrije Universiteit Brussel op 26 juni 2009. De aanvraag had betrekking op een defibrillator die geplaatst werd op 26 maart 2010.

Bij beslissing van 16 juni 2010 heeft het College van geneesheren-directeurs deze aanvraag tot terugbetaling als onontvankelijk, want laattijdig, afgewezen. Het College van geneesheren- directeurs verwees daarbij naar artikel 5 van de hoger vermelde overeenkomst van 26 juni 2009, waarin bepaald wordt dat de aanvraag tot terugbetaling dient te gebeuren binnen de 30 dagen na de implantatie. De aanvraag, ingediend op maandag 26 april 2010 per fax, respecteerde, aldus het College, deze termijn niet.

2.

Bij verzoekschrift van 16 september 2010 heeft de Vrije Universiteit Brussel beroep ingesteld bij de arbeidsrechtbank te Brussel tegen de beslissing van 16 juni 2010. Het beroep werd meegericht tegen de Landsbond van de Onafhankelijke ziekenfondsen, die de verzekeringsinstelling is van de persoon bij wie de hartdefibrillator werd ingeplant. Het was ook door tussenkomt van deze Landsbond dat de beslissing van het College van geneesheren-directeurs werd ter kennis gebracht. Het beroep werd verder gericht tegen een schrijven van 8 juli 2010 van het College van geneesheren-directeurs, waarbij de aanvraag tot herziening van de beslissing van 16 juni 2010 afgewezen werd.

Bij vonnis van 9 december 2011, ter kennis gebracht op 14 december 2011, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. De bestreden beslissing werd vernietigd en er werd voor recht gezegd dat de ingreep van 26 maart 2010 als geneeskundige revalidatieverstrekking diende ten laste genomen te worden door het Riziv.

3.

Bij verzoekschrift van 11 januari 2012 heeft het Riziv hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. Het verzoekschrift werd gericht zowel tegen de Vrije Universiteit Brussel als tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

1.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig.

De Vrije Universiteit Brussel betwist echter de ontvankelijkheid van het hoger beroep in zoverre dit gericht is tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen. Volgens de Vrije Universiteit Brussel was de Landsbond geen tegenpartij van het Riziv in de procedure in eerste aanleg. Verder hebben het Riziv en de Landsbond geen tegengestelde belangen verdedigd voor de eerste rechter en hebben zij geen vorderingen tegen elkaar ingesteld.

Volgens het Riziv mist de Vrije Universiteit Brussel het belang en de hoedanigheid om de onontvankelijkheid van de vordering in te roepen ten aanzien van de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen.

2.

De Vrije Universiteit Brussel heeft inderdaad geen belang bij de betwisting van de ontvankelijkheid van het hoger beroep in zoverre dit hoger beroep gericht is tegen de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen. Dit neemt niet weg dat het hof ambtshalve dient te onderzoeken of het Riziv een voldoende belang heeft om een medeverweerder voor de eerste rechter te betrekken in het hoger beroep. Het criterium om vast te stellen of er een belang is om hoger beroep in te stellen is te weten of het bestreden vonnis griefhoudend is ten aanzien van de partij die in beroep komt.

Dit belang bestaat in casu zeker in zoverre het Riziv aanvoert dat de eerste rechter hem niet alleen tot de kosten van de procedure mocht veroordelen. In deze mate is het vonnis griefhoudend voor het Riziv en kon de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen uiteraard in het geding betrokken worden.

3.

De kennisgeving van de bestreden beslissing gebeurde verder, zoals door de wet voorzien is, door de medische directie van de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen, die de verzekeraar ziekte en invaliditeit is van de persoon bij wie de hartdefibrillator werd ingeplant, en die dan ook degene is die wettelijk gehouden is tot de effectieve betaling van de in betwisting zijnde tegemoetkoming. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk dat het hoger beroep dient ingesteld te worden én tegen het Riziv én tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen. Het doel daarvan is om te vermijden dat een vonnis zou uitgesproken worden dat niet tegenstelbaar zou zijn aan de uitbetalingsinstelling, met als gevolg dat verzekerde of instelling het vonnis dat door de vernietiging van de administratieve beslissing in zijn voordeel uitgesproken zou worden, niet effectief zou kunnen ten uitvoer leggen.

In die context heeft het Riziv er belang bij om zijn beroep mee te richten tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen. Indien dit niet zou gebeurd zijn, zou het risico bestaan hebben dat de Vrije Universiteit Brussel, ondanks een hervorming van het eerste vonnis, toch nog op basis van het vonnis in eerste aanleg de tegemoetkoming, waarop hij geen recht had, zou kunnen opeisen.

Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk ten aanzien van de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen.

II. BEOORDELING.

Het vonnis waartegen beroep en de standpunten van partijen voor het hof.

1.

De eerste rechter was van oordeel dat de aanvraag tot tegemoetkoming tijdig werd ingediend. Hij volgde daarbij de stelling van de Vrije Universiteit Brussel dat, bij de bepaling van het precieze ogenblik waarop de termijn voor het indienen van de aanvraag verstreek, toepassing diende gemaakt te worden van de regels vastgelegd in artikel 2, 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek die voorzien dat, wanneer de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, de vervaldag wordt verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

De eerste rechter was verder van oordeel dat, anders dan het Riziv voorhield, de rechtbank met volheid van bevoegdheid een oordeel kon vellen over de beslissing van het College van geneesheren-directeurs, dat de ingreep waarvan terugbetaling gevraagd werd voorzien was onder één van de codes opgenomen in artikel 4, § 1 van de revalidatieovereenkomst en dat niet betwist werd dat de interventie beantwoordde aan de inhoudelijke voorwaarden van tenlasteneming.

2.

Volgens het Riziv vinden de artikelen 2, 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek geen toepassing op de termijn voor het indienen van een administratieve of conventionele aanvraag tot het bekomen van een tegemoetkoming. Artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek heeft in het bijzonder enkel betrekking op de termijnen voor het verrichten van een proceshandeling, terwijl het indienen van een aanvraag tot het bekomen van een tegemoetkoming geen proceshandeling kan uitmaken. Het Riziv verwijst terzake naar een arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt van 19 januari 2012, in een identieke betwisting. Met betrekking tot de door de Vrije Universiteit Brussel aangevoerde stelling dat toch het normdoel van de termijn bereikt werd (cfr. verder onder nr.3) stelt het Riziv dat de Vrije Universiteit Brussel ten onrechte de revalidatieovereenkomst als een zuiver burgerrechtelijke overeenkomst omschrijft. Volgens het Riziv gaat het niet om een overeenkomst, maar over een reglement. De overheid dient dit reglement strikt toe te passen: zij handelt niet in naar haar eigen belang, maar wel in het algemeen belang. Zij dient de beginselen van behoorlijk bestuur toe te passen, maar mag de wettelijke regel niet miskennen. Het Riziv stelt ook dat, in tegenstelling met wat door de Vrije Universiteit Brussel wordt voorgehouden, de termijn voorzien in de revalidatieovereenkomst van 26 juni 2009 wel degelijk een vervaltermijn is.

Het Riziv stelt verder beroep in tegen het vonnis van de eerste rechter in zoverre de eerste rechter enkel hem veroordeelde tot de kosten terwijl de vordering mede gericht was tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen en, in de regel, de kosten van rechtswege verdeeld worden per hoofd.

Het Riziv stelt ook dat, in tegenstelling met wat de Vrije Universiteit Brussel voorhoudt, in ieder geval geen toepassing dient gemaakt te worden van artikel 1017, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre het voorziet dat de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in artikel 579, 6°, 580, 581 en 582, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek, steeds tot de kosten veroordeeld wordt.

3.

De Vrije Universiteit Brussel vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. De Vrije Universiteit Brussel stelt in hoofdorde dat er wel degelijk aanleiding was tot een termijnverlenging op grond van de artikelen 2, 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek. Bijkomend stelt de Vrije Universiteit Brussel dat in ieder geval het normdoel van de termijn bereikt werd. Zelfs indien de aanvraag per aangetekende post zou verstuurd zijn op zaterdag 24 april 2010, hetgeen tijdig was, dan nog zou zijn aanvraag ten vroegste toegekomen zijn bij het Riziv op maandag 26 april, zodanig dat het Riziv geen enkel nadeel zou geleden hebben door het indienen van de aanvraag op maandag 26 april per fax. Door desondanks de overschrijding van de termijn in te roepen om een tussenkomst te weigeren zou het Riziv, in strijd met artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, de overeenkomst niet te goeder trouw hebben uitgevoerd en rechtsmisbruik begaan hebben door zijn recht uit te oefenen op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon. De Vrije Universiteit Brussel stelt tenslotte dat uit de revalidatieovereenkomst van 26 juni 2009 nergens blijkt dat de voorgeschreven termijn een vervaltermijn zou zijn. De termijn voor het indienen van de aanvraag rechtstreeks bij het College van geneesheren-directeurs zou daarbij moeten onderscheiden worden van de termijn van 30 dagen die voorzien is door artikel 142 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1976 tot uitvoering van de gecoördineerde wetten op de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen. De Vrije Universiteit Brussel wijst er daarbij op dat het Riziv eveneens in gebreke gebleven is de termijn, die door de overeenkomst werd vastgesteld om een beslissing te nemen, te respecteren. Wanneer men deze termijn als een ordetermijn zou beschouwen dan is er geen reden om de termijn voor het indienen van de aanvraag niet eveneens als een ordetermijn te beschouwen.

De Vrije Universiteit Brussel is verder van oordeel dat, in toepassing van art. 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, het in ieder geval het Riziv is dat tot de kosten van het geding moet veroordeeld worden.

Het wettelijk kader.

4.

Overeenkomstig artikel 34, 7° van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 op de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen (verder de ziektewet) worden revalidatieverstrekkingen beschouwd als geneeskundige verstrekkingen die in aanmerking komen voor een tussenkomst. In zoverre het revalidatieverstrekkingen betreft die niet zijn opgenomen in de door de Koning vastgestelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, worden zij overeenkomstig artikel 23, § 1, van de ziektewet slechts ten laste genomen mits voorafgaande toestemming in elk afzonderlijk geval. Deze toestemming kan uitgaan, hetzij van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds, hetzij van het College van geneesheren-directeurs van het Riziv.

Artikel 138 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de ziektewet bepaald voor welke gevallen een toestemming vereist is van het College van geneesheren-directeurs (§1) en voor welke revalidatieverstrekkingen de tegemoetkoming toegekend kan worden mits toestemming van de adviserend geneesheer (§2). Verstrekkingen, opgenomen in de revalidatieovereenkomsten, bedoeld in artikel 22, 6° van de ziektewet, moeten in de regel, en met uitzondering van de in artikel 13,8 § 2, opgesomde gevallen, steeds goedgekeurd worden door het College van geneesheren- directeurs.

5.

Volgens artikel 139 van het Koninklijk Besluit dienen de aanvragen steeds door de rechthebbende ingediend te worden bij de adviserend geneesheer van de mutualiteit. Voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 138, §1, maakt de adviserend geneesheer de aanvragen met zijn advies onverwijld over aan het College van geneesheren directeurs. De beslissingen van het College van geneesheren-directeurs worden aan de rechthebbende ter kennis gebracht door tussenkomst van de medische directie van de mutualiteit (art. 141 van de wet).

Overeenkomstig artikel 142, § 2, van het Koninklijk Besluit wordt, behoudens andersluidende bepalingen, de tegemoetkoming geweigerd voor de verstrekkingen die zijn verricht langer dan 30 dagen voor de datum waarop de aanvraag door de adviserend geneesheer is ontvangen.

6.

Overeenkomstig artikel 23, § 3, van de ziektewet maakt het College van geneesheren-directeurs met de revalidatie- en herscholingsinrichtingen ontwerpen op van de met hen te sluiten overeenkomsten en legt het deze daartoe voor aan het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging. Overeenkomstig artikel 22, 6°, van de wet sluit het Comité van de Dienst voor geneeskundige verzorging met de revalidatie- en herscholingsinrichtingen de in artikel 23 § 3 bedoelde overeenkomsten.

De overeenkomst van 26 juni 2009, waarover de betwisting is gerezen, is volgens zijn aanhef een overeenkomst bedoeld in artikel 23, § 3, en 22, 6°, van de ziektewet. De inhoud en modaliteiten van deze overeenkomsten worden blijkbaar door geen andere wettelijke bepaling geregeld. De overeenkomst verwijst ook niet naar andere bepalingen. Evenmin verwijzen partijen naar andere bepalingen. De bepalingen van hoofdstuk V van de ziektewet (art. 42 e.v.) lijken geen toepassing te vinden op de vermelde overeenkomsten, vermits in hoofdstuk V telkens enkel melding wordt gemaakt van overeenkomsten tussen de rechthebbenden en de verzekeringsinstellingen enerzijds en de zorgverleners, diensten en instellingen anderzijds met betrekking tot hun financiële en administratieve betrekkingen.

7.

De overeenkomst van 26 juni 2009 voorziet in zijn artikel 1 dat de overeenkomst tot doel heeft de modaliteiten te bepalen van de tegemoetkomingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging inzake implanteerbare hartdefibrillatoren met ingeplante toebehoren, alsook de honoraria en prijzen ervan. Artikel 2 bepaalt de indicaties waarvoor een tegemoetkoming kan worden toegekend. Artikel 3 bepaalt een aantal voorwaarden waaraan het centrum voor implanteerbare hartdefibrillatoren moet voldoen en artikel 4 bepaalt de voorwaarden waaraan de implanteerbare hartdefibrillator zelf moet voldoen, in het bijzonder inzake de technische omschrijving en de prijs.

Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt de medisch-administratieve procedures voor de individuele aanvragen van tegemoetkomingen. Artikel 5, 1, al. 8, bepaalt in het bijzonder dat de inrichting (bedoeld wordt het ziekenhuis dat de revalidatieovereenkomst afsluit) er zich toe verbindt voor de rechthebbenden, die beantwoorden aan de criteria van deze overeenkomst, in te staan voor het indienen van de aanvraag tot tegemoetkoming bij hun verzekeringsinstelling en dit binnen de reglementair voorziene termijn. Alinea 9 van dezelfde bepaling voorziet dat het centrum (bedoeld worden de erkende medische dienst die de defibrillatoren inplant) de aanvraag binnen 30 dagen na de implantatie moet indienen bij het College van geneesheren-directeurs.

Artikel 6.1 van de overeenkomst bepaalt een aantal verbintenissen van de inrichting. Deze verbindt er zich toe om in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging geen hartdefibrillatoren in rekening te brengen voor rechthebbenden die niet aan één van de indicaties van de overeenkomst beantwoorden. De inrichting kan wel in dat geval de kosten aan de patiënt aanrekenen, op voorwaarde dat deze duidelijk geïnformeerd wordt over het feit dat geen tussenkomst zal verleend worden door de ziekteverzekering. De patiënten blijven echter in dat geval vrij om bij hun verzekeringsinstelling een aanvraag tot tegemoetkoming in te dienen.

Artikel 6.2 voorziet dat de inrichting er zich toe verbindt om, bij weigering van het College van geneesheren-directeurs omwille van het niet indienen van de aanvraag binnen de 30 dagen na implantatie, geen kosten van de hartdefibrillator ten laste te leggen van de rechthebbende.

De aard van de termijn voor het indienen van de aanvraag.

8.

In tegenstelling met wat de Vrije Universiteit Brussel voorhoudt, is de termijn van 30 dagen, waarbinnen de aanvraag bij het College van geneesheren-directeurs dient ingediend te worden, wel degelijk een vervaltermijn. Deze termijn valt samen met de termijn die voorzien is in artikel 142 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 voor het indienen van de gewone aanvraag voor het bekomen van de terugbetaling van een revalidatietegemoetkoming. De overeenkomst wijzigt deze termijn niet, maar voorziet enkel dat, met het oog op een snelle afhandeling van de aanvraag, het centrum de aanvraag rechtstreeks kan overmaken aan het College van geneesheren-directeurs. Dit laatste belet overigens niet dat ook een gewone aanvraag moet ingediend worden via de adviserend geneesheer. Uit stuk 4 van het dossier van het Riziv, de kennisgeving door de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen van de beslissing van het College van geneesheren-directeurs, blijkt dat een dergelijke aanvraag bij de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen op 27 april 2010, te weten eveneens buiten de termijn, werd ingediend.

De omstandigheid dat de overeenkomst niet uitdrukkelijk bepaalt dat deze termijn is voorgeschreven op straffe van verval, doet daaraan geen afbreuk. Uit de overeenkomst blijkt voldoende dat het naleven van de termijn een voorwaarde is voor het bekomen van de tussenkomst van de ziekteverzekering. Artikel 6.2 bevestigt dit door te stellen dat de inrichting dit verval niet kan teniet doen door de prestatie aan de patiënt aan te rekenen.

De omstandigheid dat ook het College van geneesheren-directeurs de hem opgelegde termijn om een beslissing te nemen niet nageleefd heeft, houdt niet in dat het verval, dat volgt uit het laattijdig indienen van de aanvraag, zou opgeheven worden.

Kan de termijn verlengd worden wanneer de laatste dag op een zaterdag of een zondag valt?

9.

De Vrije Universiteit Brussel, gevolgd door de eerste rechter, meent dat de termijn kan verlengd worden in toepassing van artikel 2, 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek.

Overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.

Overeenkomstig artikel 48 van dit wetboek (de inleidende bepaling bij het hoofdstuk VIII "Termijnen") zijn de termijnen voor het verrichten van de proceshandelingen onderworpen aan de regels van dit hoofdstuk.

Overeenkomstig artikel 52 van dit wetboek wordt de termijn gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan en omvat alle dagen, ook de zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen.

Overeenkomstig artikel 53 van dit wetboek is de vervaldag in de termijn inbegrepen. Is die dag echter een zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

10.

Zoals het Riziv terecht stelt, is de termijn om in uitvoering van een overeenkomst, of in uitvoering van een wettelijke reglement, een aanvraag tot het bekomen van een bepaalde tegemoetkoming in te dienen, geen proceshandeling in de zin van artikel 48 van het Gerechtelijk Wetboek, noch gaat het om een rechtspleging in de zin van artikel 2 van hetzelfde wetboek.

Het arrest van de Raad van State van 22 oktober 1998 (nr. 76.591), waarnaar de Vrije Universiteit Brussel verwijst, heeft enkel betrekking op de vraag of de bepalingen van artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek toepassing kunnen vinden op andere " betwiste zaken", administratieve of burgerrechtelijke, en vindt aldus geen toepassing op "niet-betwiste zaken", te weten de naleving van de termijn voor het indienen van een aanvraag tot het bekomen van een tegemoetkoming of een ander, door een wet of overeenkomst, voorzien voordeel.

Het arrest van de Raad van State van 22 oktober 1998 blijkt overigens een geïsoleerd arrest te zijn.

In verschillende latere arresten heeft dezelfde raad geoordeeld dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek geen toepassing vinden op administratiefrechtelijke betwistingen. Zo oordeelde de Raad van State in zijn arrest nr. 211.410 van 22 februari 2011 dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de verplaatsing van de vervaldag enkel gelden voor proceshandelingen en dat de aanvechting van de beslissing van een delibererende klassenraad met een administratief beroep geen proceshandeling is. De Raad voegt daaraan toe dat in het kader van een administratief beroep enkel sprake kan zijn van het verplaatsen van een vervaldag indien de administratieve beroepsprocedure dit uitdrukkelijk voorziet. In dezelfde zin besliste de raad in zijn arrest nr.208.780 van 8 november 2010 ten aanzien van een beroep tegen een weigeringsbeslissing van een arbeidskaart en in zijn arrest nr.50.365 van 24 november 1994 inzake een beroep tegen een milieuvergunningsaanvraag. In dezelfde arresten stelde de Raad van State telkens ook dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat dat, buiten artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek om, tot een verplaatsing van een vervaltermijn kan leiden.

Ook het Hof van Cassatie besliste in een arrest van 10 oktober 1985 (Arr. Cass. 1985-1986, 162) dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk, wanneer de vervaldag van een termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, die vervaldag op de eerstkomende werkdag wordt verplaatst. Het betrof in het geciteerde arrest de termijn van 60 kalenderdagen na voorlopige oplevering van de gezamenlijke werken bedoeld in artikel 16 van het Ministerieel Besluit van 14 oktober 1964 aangaande de administratieve en technische contractuele bepalingen die het algemeen lastenkohier van de overeenkomsten van de staat uitmaken. In een arrest van 8 april 1994 (R.W. 1995-1996,1453) besliste het Hof van Cassatie op basis van dezelfde principes dat de termijn voor het instellen van de rechtsvordering tot betaling van een vergoeding wegens uitzetting in het kader van een handelshuurovereenkomst een fatale termijn is, waarvan het verstrijken leidt tot het verval van het recht en dat, wanneer de laatste dag voor het instellen van de rechtsvordering een zondag of een wettelijke feestdag is, de vervaldag niet verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag. In dezelfde zin besliste het Hof van Cassatie nog met betrekking tot de termijn voor het neerleggen van een factuur op de griffie van de rechtbank van koophandel in toepassing van artikel 20, 5° van de hypotheekwet (Cass. 1.10.1998, Juridat).

Indien een dergelijk algemeen rechtsbeginsel zou bestaan zou men dit overigens bvb ook moeten toepassen op de termijn van kennisgeving van een ontslag om dringende reden, wanneer deze verstrijkt op een zaterdag, of ook voor de gewone opzegging van een arbeidsovereenkomst, voor de opzegging van een huurovereenkomst enz.

Het bereiken van het normdoel. Uitvoering te goeder trouw van de "overeenkomst".

11.

Overeenkomstig artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek kan het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling, met inbegrip van de niet naleving van de in die afdeling bedoelde termijnen of van de vermelding van de vormen, niet tot nietigheid leiden wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de norm op het oog had of dat de niet vermelde vorm wel in acht genomen is.

Net zoals het geval is met de bepalingen van artikel 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek kan deze bepaling, die specifiek is voor het burgerlijk procesrecht, niet uitgebreid worden tot andere domeinen. Het gaat in casu niet om een proceshandeling, en het gaat evenmin om een rechtspleging zoals bedoeld in artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Er is aan het hof, onder voorbehoud van de toepassing van de regels inzake de uitvoering te goeder trouw of van de regels inzake misbruik van recht, geen enkele wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel bekend dat zou inhouden dat een door de wet voorgeschreven termijn, of een door een overeenkomst voorgeschreven termijn voor het stellen van een handeling, niet zou moeten toegepast worden indien blijkt dat, ondanks de overschrijding van de termijn, de handeling het door de wet of de overeenkomst beoogde doel zou bereikt hebben.

12.

In casu gaat het bovendien, en dit in tegenstelling met hetgeen de Vrije Universiteit Brussel aanvoert, niet om een louter conventionele termijn. De overeenkomsten, waarvan sprake in de artikelen 23, § 3, en 22, 6°, van de ziektewet, zijn geen louter burgerrechtelijke overeenkomsten waarbij het Riziv zou gemachtigd zijn om, onafhankelijk van de bestaande wettelijke regelgeving, aan bepaalde instellingen voordelen toe te kennen die niet als dusdanig door de wet voorzien zijn of volgens modaliteiten, die mogen afwijken van de fundamentele wettelijke bepalingen.

Het eigenlijke voorwerp van deze overeenkomsten is dat het College van geneesheren-directeurs gemachtigd wordt om, in plaats van telkens een afzonderlijk voorafgaande goedkeuring te moeten verlenen, een akkoord af te sluiten met een instelling, waarbij afgesproken wordt welke precieze revalidatieverstrekkingen zullen worden goedgekeurd, en waarbij administratieve regels worden vastgelegd teneinde een spoedige afhandeling van de aanvraag te bekomen. Deze overeenkomsten, die moeten goedgekeurd worden door het Comité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, kunnen niet zonder meer afwijken van de wettelijke bepalingen, net zo min als zij "willekeurig" kunnen worden afgesloten met instellingen, waarbij de modaliteiten van toekenning zo maar kunnen verschillen.

13.

De "overeenkomsten" dienen daarbij de wettelijke bepalingen, en in het bijzonder de bepalingen voorzien in het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996, na te leven. Zulks houdt in dat de wettelijke termijnen, voor het indienen van de aanvraag tot terugbetaling, dienen nageleefd te worden. Meer in het bijzonder dient de bepaling van artikel 142, § 2, nageleefd te worden dat voorziet dat, behoudens andersluidende bepalingen, de tegemoetkoming geweigerd wordt voor de verstrekkingen die zijn verricht langer dan 30 dagen vóór de datum waarop de aanvraag door de adviserend geneesheer is ontvangen. Deze laatste bepaling is niet alleen van toepassing op de gevallen waarin, overeenkomstig artikel 138 2°, de adviserend geneesheer zelf een beslissing kan nemen over de tenlasteneming van de revalidatieverstrekkingen, maar ook in die gevallen bedoeld in artikel 138,1°, waarin het College van geneesheer-directeurs de uiteindelijke beslissing moet nemen.

Het is in dit kader dat artikel 5 van de overeenkomst niet alleen voorziet dat het centrum binnen de 30 dagen na de implantatie de aanvraag moet indienen bij het College van geneesheer-directeurs, maar bovendien dat de inrichting er zich toe verbindt, binnen de reglementaire voorziene termijn, de aanvraag tot tegemoetkoming in te dienen bij de verzekeringsinstelling, die overeenkomstig artikel 142, § 3, van het bovenvermeld koninklijk besluit belast is met de betaling van de tegemoetkoming.

14.

Het College van geneesheren-directeurs heeft, net zo min als de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling, de bevoegdheid om af te wijken van de door de wet voorziene indieningstermijn voor de aanvraag, behoudens desgevallend ingeval van behoorlijk bewezen overmacht.

Door een strikte toepassing te maken van de wettelijke en ‘conventionele' bepaling heeft het College van geneesheren-directeurs zijn recht niet uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon.

15.

In het licht van het voorgaande moet geoordeeld worden dat de bestreden administratieve beslissingen terecht de aanvraag tot tegemoetkoming van de Vrije Universiteit Brussel als laattijdig afgewezen hebben, zonder dat het verder noodzakelijk is te onderzoeken in welke mate de bevoegdheid van het College van geneesheer-directeurs een discretionaire bevoegdheid is, zoals het Riziv voorhoudt, en welke de precieze omvang is van de controle die de rechter op deze bevoegdheid kan uitoefenen.

De kosten.

16.

Gelet op de beslissing van het hof dat de oorspronkelijke vordering van de Vrije Universiteit Brussel ongegrond was, dient de Vrije Universiteit Brussel veroordeeld te worden tot de kosten van beide aanleggen. Het beroep van het Riziv tegen het vonnis van de eerste rechter, in zoverre dit vonnis alleen het Riziv en niet de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen tot de kosten veroordeelt, wordt aldus zonder voorwerp.

17.

Overeenkomstig artikel 1017, al. 2, van het Gerechtelijk Wetboek wordt, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, de overheid of de instelling belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 579, 6°, 580, 581 en 582,1° en 2° steeds tot de kosten verwezen, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk. Overeenkomstig artikel 1017, al. 3, wordt met sociaal verzekerden bedoeld: de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7° van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde.

De Vrije Universiteit Brussel kan niet beschouwd worden als een sociaal verzekerde in de zin van artikel 2, 7° van de wet van 11 april 1995. Het gaat overigens ook niet om een vordering ingesteld door of tegen de sociaal verzekerde persoonlijk, zoals voorzien door artikel 1017, al. 2, van het gerechtelijk Wetboek .

De Vrije Universiteit Brussel dient dan ook tot de kosten van beide aanleggen veroordeeld te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het vonnis waartegen beroep en wijst de Vrije Universiteit Brussel af van zijn oorspronkelijke vorderingen.

Verklaart het arrest gemeen aan de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen.

Veroordeelt de Vrije Universiteit Brussel tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van het Riziv op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

De heer Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, die aan het beraad heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. W. wordt het arrest ondertekend door Fernand KENIS, raadsheer, voorzitter van de zevende kamer en Karel GACOMS, raadsheer, in sociale zaken, werknemer-arbeider.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 7 maart 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING

  • Ziektewetgeving

  • Geneeskundige verzorging

  • Geneeskundige verstrekkingen.