- Arrêt of March 8, 2013

08/03/2013 - 2012/AB/429

Case law

Summary

Samenvatting 1

Ongeacht de doelstelling om oudere werknemers meer te activeren, is de leeftijd voor het bepalen van een opzeggingstermijn, in samenhang met de andere criteria, in realiteit een element dat de kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden beïnvloedt, zoals ook erkend wordt in de CAO 82 van de NAR van 10 juli 2002 betreffende outplacement voor werknemers van 45 jaar en ouder. Aangenomen wordt dat in die zin het leeftijdscriterium impliciet vastgelegd is krachtens de wet, wat een rechtvaardigingsgrond uitmaakt in de zin van art. 11 §1 van de anti discriminatiewet van 10 mei 2007.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 MAART 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

V.K. , wonende te ***,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. WOUTERS Muriël loco mr. BOLLEN Rudi, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Maartenstraat 8.

Tegen:

ABB NV, met maatschappelijke zetel te

1930 ZAVENTEM, Hoge Wei 27,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VAN KERREBROECK Nele loco mr. VANAVERBEKE Luc, advocaat te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat, 13.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 13 maart 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 10/16084/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 30 april 2012,

de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 22 oktober 2012,

de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 5 september 2012 en 7 januari 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 8 februari 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw V.K. kwam op 21 juni 1982 als administratief bediende in dienst van de NV Asea Brown Boveri (hierna afgekort als ABB) in het Accounting departement te Zaventem.

Vanaf 1 januari 2007 had ze gedurende 5 jaar recht op tijdskrediet ten belope van 1 dag/week.

2. Bij aangetekende brief van 24 september 2008 van ABB ontving ze een verwittiging omwille van haar aandeel in de slechte werksfeer van haar departement, waarbij men een aanzienlijke verbetering verwachtte.

Mevrouw V.K. reageerde hierop niet schriftelijk. Ze houdt voor dit mondeling te hebben gedaan.

ABB legt een rapport voor met een eindverslag van de preventieadviseur van 13 april 2010 wegens een formele klacht over grensoverschrijdend gedrag. Deze klacht dateerde van na het ontslag van mevrouw V.K. en onderzocht haar aandeel niet.

3. Bij aangetekende brief van 14 oktober 2009 werd mevrouw V.K. ontslagen met aankondiging van betaling van de minimum opzeggingsvergoeding van 18 maanden, vakantiegeld uitdiensttreding, pro rata eindejaarspremie en nog verschuldigd loon.

Er werd haar ook outplacement aangeboden.

4. Bij aangetekende brief van 28 april 2010 vorderde de vakorganisatie van mevrouw V.K. een saldo opzeggingsvergoeding op basis van 27 maanden, rekening houdend met een voltijds basisloon en feestdagenloon voor 1 en 11 november 2009.

Bij antwoordbrief van 21 mei 2010 kondigde ABB betaling van het feestdagenloon aan, maar verwierp de eis in verband met de opzeggingsvergoeding.

Uit de verdere briefwisseling blijkt dat partijen op hun standpunten bleven.

5. Op 14 oktober 2010 dagvaardde mevrouw V.K. ABB voor de arbeidsrechtbank te Brussel en vorderde betaling van euro 45.868,12 wegens een aanvullende opzeggingsvergoeding op basis van 27 maanden, te vermeerderen met gekapitaliseerde, wettelijke en gerechtelijke intresten en met de kosten. Tevens vroeg ze afgifte van aangepaste sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

6. Bij vonnis van 13 maart 2012 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering gedeeltelijk gegrond verklaard in de zin dat de opzeggingstermijn, o.m. rekening houdend met het gedrag van mevrouw V.K., bepaald werd op 20 maanden, zodat euro 5.704,18 (+ 2 maanden) vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten werd toegekend. Tevens diende ABB aangepaste en sociale documenten af te leveren. Het meergevorderde werd afgewezen.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 30 april 2012, tekende mevrouw V.K. hoger beroep aan en hernam ze haar oorspronkelijke vordering wat betreft de duur van de in totaal in acht te nemen opzeggingstermijn, die ze nu raamt op 26 maanden en wat betreft de door haar gevraagde kapitalisatie. Gelet op de inmiddels gevelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof vroeg ze niet meer de berekening van de opzeggingsvergoeding op basis van voltijds loon.

In graad van beroep herleidde ze dan ook haar vordering tot euro 22.816,76.

ABB tekent enkel incidenteel beroep aan voor de gerechtskosten en ze kan de beslissing van de eerste rechter over de opzeggingsvergoeding aanvaarden.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

De opzeggingsvergoeding

2. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereen-komstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

Ongeacht het feit van de moeilijke werkverhoudingen, zoals deze blijken uit het latere verslag van de preventieadviseur dat echter geen onderzoek deed naar het aandeel van mevrouw V.K. hierin, is gans de discussie over de voorgehouden ontslagreden voor het bepalen van de duur van de in acht te nemen opzeggings-termijn niet ter zake dienend.

Bij het bepalen van de opzeggingstermijn dient enkel rekening te worden gehouden met de kans van de werknemer om een gelijkwaardige betrekking te vinden, zodat de houding van de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet relevant is (Cass., 23 februari 1987, JTT 1987, 265).

Het hof maakt in zijn raming geen toepassing van enige formule, maar gaat over tot een evaluatie van de kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden op basis van de criteria, verduidelijkt door bovenstaande rechtspraak. Ongeacht de doelstelling om oudere werknemers meer te activeren, is de leeftijd, in samenhang met de andere criteria, in realiteit nog een element dat de kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden beïnvloedt, zoals ook erkend wordt in de CAO 82 van de NAR van 10 juli 2002 betreffende outplacement voor werknemers van 45 jaar en ouder. Aangenomen wordt dat in die zin het leeftijdscriterium impliciet vastgelegd is krachtens de wet, wat een rechtvaardigingsgrond uitmaakt in de zin van art. 11 §1 van de anti discriminatiewet van 10 mei 2007. (T Claeys, ‘Opzeggingstermijnen à la carte', Or. 2008, 63).

3. Rekening houdend met de leeftijd van 48 jaar, de anciënniteit van 27,25 jaar, de functie van administratief bediende en het niet betwiste deeltijdse jaarloon van

euro 34.225,14 alsook de gegevens eigen aan de zaak en de belangen van beide partijen kan de kans van mevrouw V.K. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geschat op 25 maanden.

4. De aanvullende opzeggingsvergoeding dient te worden begroot op:

euro 34.225,14/12 x 25 = euro 71.302,38

- uitbetaald euro 51.337,71

Saldo euro 19.964,67

5. Terecht heeft de eerste rechter ABB veroordeeld tot afgifte van de aangepaste sociale en fiscale bescheiden.

Er is geen reden om de afgifte op te leggen onder verbeurte van een dwangsom, omdat uit het dossier blijkt dat ABB steeds op dit punt spontaan zijn verplichtingen nakwam.

De kapitalisatie van intresten

6. Mevrouw V.K. vraagt in het beschikkend gedeelte van haar synthesebesluiten in graad van hoger beroep de kapitalisatie van de intresten.

In de motivering licht ze toe dat ze deze kapitalisatie wenst te bekomen vanaf 14 oktober 2010, rekening houdend met de vermelding in de dagvaarding en verder rekening houdend met de besluiten en het verzoekschrift hoger beroep.

7. Opdat kapitalisatie van intresten mogelijk zou zijn, moeten drie voorwaarden samen vervuld zijn:

het moet gaan om vervallen interest van kapitalen;

over een heel jaar verschuldigd;

er moet een gerechtelijke aanmaning zijn, die bij elke jaarlijkse vervaldag hernieuwd moet worden.

(J. Petit, Interest, APR, p. 194, nr. 207).

8. Wat betreft de eerste voorwaarde, mag de term kapitalen niet beperkt worden uitgelegd in de zin van geleende kapitalen, doch dit betreft ook sommen verschuldigd als gevolg van een rechterlijke beslissing ( J. Petit, o.c., p. 194, nr. 208).

Aldus kan artikel 1154 B.W. toepassing krijgen betreffende wettelijke intrest van een vergoeding die wordt toegekend wegens de onregelmatigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (Cass., 13 april 1987, Arr. Cass. 1986 -87, 1094 met conclusie Openbaar Ministerie).

De kapitalisatie kan niet geweigerd worden op grond van het argument dat het bedrag van de hoofdschuld nog betwist wordt, omdat men anders aan artikel 1154 B.W. een voorwaarde toevoegt (A. Van Oevelen, Interesten, syllabus C.B.R. 9 december 2008, 29 met verwijzing naar Cass., 30 januari 1896, Pas. 1896, I, 79 met conclusie O.M.; Cass., 16 december 2002, JTT 2003, 89, RW 2004-05, 1500, noot A. Van Oevelen.).

De kapitalisatie is dan ook mogelijk voor zover de vervallen intresten over een heel jaar verschuldigd zijn (tweede voorwaarde).

9. Wat betreft de derde voorwaarde, kan de gerechtelijke aanmaning gebeuren in een dagvaarding (Cass. 7 september 1978, RW 1978-79, 2223) of in een neergelegde conclusie (Cass. 18 juni 1981, JT 1981, 672, RW 1982-83, 383; Cass. 26 juni 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1285; Cass. 17 januari 1992, TBH 1993,237).

Opdat een dergelijke gerechtelijke aanmaning kan worden beschouwd als een ingebrekestelling in de zin van art. 1154 BW is echter vereist dat in deze procedureakte in het bijzonder de aandacht gevestigd wordt op de kapitalisatie van intresten (A Van Oevelen, o.c.., 32). Een vermelding in algemene bewoordingen volstaat daartoe niet (Antwerpen 9 november 1999, AJT 2000-01, 571 met noot).

10. Noch in de dagvaarding van 14 oktober 2010, noch in de besluiten eerste aanleg, neergelegd op 18 april 2011, wordt in het bijzonder de aandacht gevestigd op de kapitalisatie. Deze gerechtelijke akten houden dan ook geen aanmaning in.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geen kapitalisatie toegekend.

11. Mevrouw V.K. doet dit wel in graad van hoger beroep in haar verzoekschrift tot hoger beroep van 30 april 2012 en in haar beroepsbesluiten, neergelegd op 22 oktober 2012.

Aangezien de kapitalisatie maar geldt voor de vervallen intresten die voor een heel jaar verschuldigd zijn, kan deze enkel worden toegekend voor de intresten vervallen op 30 april 2012.

Incidenteel beroep gerechtskosten

12. In eerste aanleg begrootte mevrouw V.K. de opzeggingsvergoeding op basis van voltijds loon. Dit werd door de eerste rechter terecht verworpen en dit wordt in graad van hoger beroep door mevrouw V.K. aanvaard, reden waarom ze in beroep slechts een verminderde vordering handhaafde.

Het past dan ook dat de gerechtskosten eerste aanleg worden omgeslagen en dat ¼ ten laste van mevrouw V.K. wordt gelegd en ¾ ten laste van ABB.

De gerechtskosten hoger beroep vallen ten laste van ABB.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke hoofdeis ontvankelijk en in volgende mate gegrond;

Veroordeelt de NV ABB tot betaling aan mevrouw V.K. van een opzeggingsvergoeding van euro 19.964,67, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten.

Staat per 30 april 2012 de kapitalisatie toe van de vervallen intresten die op dat ogenblik reeds meer dan één jaar opeisbaar zijn en zegt voor recht dat de aldus gekapitaliseerde intrest bij de hoofdsom wordt gevoegd en vanaf 1 mei 2012 opnieuw intresten afwerpt.

Veroordeelt de NV ABB tot afgifte aan mevrouw V.K. van hieraan aangepaste sociale en fiscale bescheiden.

Wijst het meergevorderde af.

Compenseert de gerechtskosten eerste aanleg in de zin dat ¼ ten laste van mevrouw V.K. wordt gelegd en ¾ ten laste van ABB, deze aan haar zijde begroot op:

Dagvaarding euro 150,08

Rechtslegingsvergoeding eerste aanleg euro 2.750,00

Totaal euro 2.900,08

En aan de zijde van NV ABB op:

Rechtslegingsvergoeding eerste aanleg euro 2.750,00

Legt de gerechtskosten hoger beroep ten laste van de NV ABB

Deze aan de zijde van beide partijen begroot op:

Rechtslegingsvergoeding beroep euro 2.200,00.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Roger VANDENPUT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 8 maart 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN.