- Arrêt of March 18, 2013

18/03/2013 - 2012/AB/307

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. Met toepassing van artikel 17 tweede lid van het Handvest van de Sociale Verzekerde wordt van deze principiële regel afgeweken: indien de vergissing te wijten is aan de socialezekerheidsinstelling, zal de nieuwe beslissing slechts uitwerking hebben op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan, wanneer het recht op de prestatie kleiner is dan de aanvankelijk genoten prestatie.

Toegepast op de regeling van de terugvorderingen van ten onrechte genoten socialezekerheidsuitkeringen betekent dit dat na de nieuwe beslissing alle ten onrechte genoten uitkeringen vanaf de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, moeten terugbetaald worden, tenzij de vergissing die aanleiding heeft gegeven tot de verbetering van de oorspronkelijke beslissing te wijten is aan de instelling die de beslissing genomen heeft, en het recht op prestatie op grond van de nieuwe beslissing lager is dan de door de verbeterde beslissing toegekende prestatie.

2. Met toepassing van artikel 21 van het Handvest brengen de onverschuldigd betaalde prestaties slechts van rechtswege intrest op vanaf de betaling, indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist, bedrog of bedrieglijke handelingen van de belanghebbende persoon.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 MAART 2013.

5DE KAMER

Arbeidsongeval

Op tegenspraak

Definitief + verzending naar de Arbeidsrechtbank te Tongeren

In de zaak :

DE FEDERALE VERZEKERINGEN, Gemeenschappelijke Kas voor Verzekering tegen Arbeidsongevallen, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Stoofstraat 12.

Appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. JORIS, advocaat te Kuringen.

Tegen:

K. , wonende te xxx.

Geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr E. SNEIJERS, advocaat te Sint-Truiden.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Tongeren op 26 mei 2006;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest gewezen op tegenspraak door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 15 juni 2009;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest gewezen op tegenspraak door het Hof van Cassatie op 17 mei 2010;

- het proces-verbaal van vrijwillige verschijning neergelegd ter openbare terechtzitting van 2 april 2012;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de neergelegde stukken van de partijen.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 7 januari 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

De heer K. was op 19 december 2002 het slachtoffer van een arbeidsongeval in dienst van het uitzendbureau Actief Interim tijdens werkzaamheden die hij uitoefende bij de gebruiker Luchthaven MHS in Maastricht (Nederland).

Volgens de arbeidsovereenkomst werd zij gesloten voor één dag (7,50 uren) met een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 37,5/38 uur.

Volgens de aangifte van het arbeidsongeval is de heer K. gevallen toen hij zich op een pallet door een vorkheftruck omhoof liet heffen om kartonnen af te nemen.

De Federale Verzekeringen is verzekeraar arbeidsongevallen van de werkgever.

Met brief van 17 december 2003 meldde de Federale Verzekeringen aan de heer K. dat haar raadsgeneesheer van oordeel was dat de letselgevolgen van het arbeidsongeval als geconsolideerd konden worden beschouwd met een raming van de blijvende arbeidsongeschiktheid op 15 %. De vergoeding wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid werd betaald tot 18 december 2003.

Met brief van 23 december 2003 vorderde de Federale Verzekeringen terugbetaling door de heer K. van 8.988,65 EUR. Uit een brief die op 20 oktober 2004 aan de vakorganisatie van de heer K. werd verzonden, werd voornoemd bedrag teveel betaald daar rekening werd gehouden met een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 20 december 2002 tot 30 november 2003 aan een basisloon van 18.576,19 EUR, terwijl het basisloon slechts 5.085,67 EUR bedroeg.

Met brief van 6 februari 2004 maakte de Federale Verzekeringen aan de heer K. een voorstel tot overeenkomst - vergoeding over op voornoemde gegevens en rekening houdend met een 21.635,55 EUR.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 30 november 2004 vorderde de heer K. voor de Arbeidsrechtbank van Tongeren:

- wat de berekening van het basisloon betreft, te stellen dat dit als voltijds werknemer berekend dient te worden en niet als deeltijds werknemer;

- aan de Federale Verzekeringen opdracht te geven een overzicht bij te brengen van de ingehouden bedragen voor de periode van 19 december 2003 tot en met 15 november 2004 en de Federale Verzekeringen te veroordelen om deze bedragen aan de heer K. terug te betalen;

- een college van geneesheer - deskundigen aan te stellen waarbij een psychiater en een ergoloog, om advies te verlenen over de tijdelijke en de blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval van 19 december 2002;

- overeenkomstig de bevindingen van de deskundige, de Federale Verzekeringen te veroordelen tot betaling van de vergoedingen met toepassing van de Arbeidsongevallenwet Private Sector;

- de Federale Verzekeringen te veroordelen tot de kosten van het geding.

b.-

Met vonnis van 1 februari 2005 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk; alvorens verder recht te doen stelde zij dr. J.P. Peumans aan als deskundige.

In zijn deskundig verslag, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 9 augustus 2005, bepaalde de deskundige de gevolgen van het arbeidsongeval als volgt:

Tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 19 december 2002 tot en met 18 december 2003 en van 24 februari 2004 tot en met 23 maart 2004

Consolidatiedatum: 19 december 2003

Blijvende fysische invaliditeit: 15 %

Blijvende economische ongeschiktheid: 20 %.

c.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 24 november 2005, stelde de Federale Verzekeringen een tegenvordering tot terugbetaling van 6.816,07 EUR.

d.

Met vonnis van 24 mei 2006 zegde de arbeidsrechtbank voor recht dat het jaarlijks basisloon 21.635,55 EUR bedraagt; de zaak werd voor het overige naar de rol verzonden.

e.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van deze vonnissen.

f.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 26 juni 2006, tekende de Federale Verzekeringen beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank van 24 mei 2006.

Zij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis gedeeltelijk zou hervormen en opnieuw recht doende het basisloon voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid zou begroten op 5.085,67 EUR; tevens dat het arbeidshof de voor de arbeidsrechtbank gestelde tegenvordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren en bijgevolg de heer K. zou veroordelen tot betaling aan haar van 6.816,07 EUR meer de wettelijke intrest, minstens haar te machtigen tot recuperatie van dit bedrag en intrest door verrekening met de aan de heer K. toekomende vergoedingen.

g.-

Met arrest van 15 juni 2009 verklaarde het arbeidshof het hoger beroep ontvankelijk en in volgende mate gegrond:

- het bestreden vonnis werd hervormd waarbij het basisloon voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid werd bepaald op 5.085,65 EUR; het vonnis werd bevestigd in de mate dat het basisloon voor de blijvende arbeidsongeschiktheid werd begroot op 21.635,55 EUR.

- de oorspronkelijke tegenvordering van de Federale Verzekeringen werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; de heer K. werd veroordeeld tot terugbetaling van 6.816,07 EUR te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 23 december 2003;

- de vordering van de heer K. tot terugbetaling van de ten onrechte gerecupereerde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest, werd als ongegrond afgewezen;

- de zaak werd terug naar de arbeidsrechtbank verzonden voor de uitvoering van een onderzoeksmaatregel en de verdere beslissing ten gronde, met heropening van het deskundig onderzoek met bijkomende opdracht aan de deskundige.

De beslissing met betrekking tot de kosten werd aangehouden.

h.-

Op 26 oktober 2009 stelde de heer K. een voorziening in cassatie in tegen dit arrest.

i.-

Met arrest van 17 mei 2010 vernietigde het Hof van Cassatie het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de heer K. om de Federale Verzekeringen te veroordelen tot terugbetaling van de reeds gerecupereerde bedragen, vermeerderd met de intrest, als ongegrond afwijst en in zoverre het de heer K. veroordeelde tot betaling aan de Federale Verzekeringen van 6.816,07 EUR te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 23 december 2003.

De aldus beperkte zaak werd verwezen naar het Arbeidshof te Brussel.

j.-

Met proces-verbaal van vrijwillige verschijning, neergelegd ter zitting van het Arbeidshof te Brussel op 2 april 2012, vorderden partijen hen akte te willen verlenen van hun vrijwillige verschijning na verzending van de zaak door het Hof van Cassatie met arrest van 17 mei 2010.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

1. Vorderingen van partijen

a.-

De Federale Verzekeringen vordert in haar syntheseberoepsconclusie na cassatie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 21 september 2012:

- het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 24 mei 2006 te hervormen voor wat betreft de voor de eerste rechter gestelde terugvordering

- haar akte te verlenen van de voor de eerste rechter gestelde terugvordering en deze gegrond te verklaren;

- de heer K. te veroordelen tot betaling van het bedrag van 6.555,74 EUR, meer de wettelijke intrest vanaf 23 december 2003, dan wel minstens haar te machtigen tot recuperatie van dit bedrag en intrest over te gaan door verrekening met de aan de heer K. toekomende vergoedingen inzake tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid

- de vordering van de heer K. tot terugbetaling van het reeds gerecupereerde bedrag af te wijzen;

- de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter voor verdere uitvoering van de bijkomend aan de deskundige toevertrouwde opdracht.

b.-

In zijn beroepsbesluiten na cassatie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 2 juli 2012, vordert de heer K.:

- in hoofdorde, het hoger beroep van de Federale Verzekeringen met betrekking tot de gestelde terugvordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, bijgevolg de Federale Verzekeringen te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden bedragen, meer de wettelijke en de gerechtelijke intrest;

- in ondergeschikte orde, indien het arbeidshof van oordeel is dat de heer K. gehouden is tot terugbetaling aan de Federale Verzekeringen van het bedrag van 6.555,74 EUR, te zeggen voor recht dat er pas tot terugvordering kan overgegaan worden vanaf 1 januari 2004 gelet op het Handvest van de sociaal verzekerde;

- nog meer ondergeschikt, de Federale Verzekeringen enkel machtiging te geven tot recuperatie van 6.555,74 EUR zonder vermeerdering met de wettelijke en de gerechtelijke intrest;

- de Federale Verzekeringen te veroordelen tot de kosten van het geding;

- de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter voor verdere uitvoering van de bijkomend aan de deskundige toevertrouwde opdracht.

2. Beoordeling

a.-

Artikel 17 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde (hierna genoemd het Handvest) bepaalt:

"Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring.

Onverminderd de toepassing van artikel 18, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht.

Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met de subsidies, vergoedingen of toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van de prestatie."

Voor de toepassing van artikel 17 van het Handvest is vereist dat een (eerste) beslissing van een sociale-zekerheidsinstelling is aangetast door een juridische of materiële vergissing, en dat een nieuwe beslissing wordt genomen door de socialezekerheidsinstelling.

De regel van artikel 17 eerste lid van het Handvest is dan dat de nieuwe beslissing uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan.

Met toepassing van artikel 17 tweede lid van het Handvest wordt van deze principiële regel afgeweken: indien de vergissing te wijten is aan de sociale-zekerheidsinstelling, zal de nieuwe beslissing slechts uitwerking hebben op de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving ervan, wanneer het recht op de prestatie kleiner is dan de aanvankelijk genoten prestatie.

Toegepast op de regeling van de terugvorderingen van ten onrechte genoten socialezekerheidsuitkeringen betekent dit dat na de nieuwe beslissing alle ten onrechte genoten uitkeringen vanaf de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, moeten terugbetaald worden, tenzij de vergissing die aanleiding heeft gegeven tot de verbetering van de oorspronkelijke beslissing te wijten is aan de instelling die de beslissing genomen heeft, en het recht op prestatie op grond van de nieuwe beslissing lager is dan de door de verbeterde beslissing toegekende prestatie.

b.-

In deze zijn volgende vragen aan de orde:

- heeft de Federale Verzekeringen een nieuwe beslissing genomen?

- was de eerste beslissing aangetast door een materiële of juridische vergissing?

- is deze vergissing te wijten aan de Federale Verzekeringen?

- wist de heer K. of diende hij te weten dat hij geen recht had of meer had op de oorspronkelijk toegekende vergoedingen?

c.-

Naar het oordeel van het arbeidshof dient het ‘betalingsbericht' dat de Federale Verzekeringen op 23 december 2003 aan de heer K. verzond te worden begrepen als een nieuwe beslissing met betrekking tot het recht van de heer K. op vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

Mogelijk zou de heer K. kunnen argumenteren dat de beslissing tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen niet alle vermeldingen bevat die in de in de artikels 14 en 15 van het Handvest worden voorgeschreven, doch zowel artikel 14 tweede lid als artikel 15 tweede lid van het Handvest bepalen enkel dat, indien de beslissing de in het eerste lid van elk artikel genoemde vermeldingen niet bevat, de termijn om een voorziening in te stellen niet ingaat.

d.-

Op de tweede plaats staat vast dat de eerste beslissing van de Federale Verzekeringen, waarbij vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid werden toegekend op basis van een voltijds basisloon aangetast was door een materiële vergissing en tevens dat deze materiële vergissing niet te wijten was aan de Federale Verzekeringen.

Inderdaad is de Federale Verzekeringen voortgegaan op de gegevens die door de werkgever van de heer K. op de aangifte van het arbeidsongeval werden aangegeven en waarin werd vermeld dat de heer K. voltijds werkte.

Het is pas nadat de Federale Verzekeringen kennis heeft gekregen van de arbeidsovereenkomst die betrekking heeft op de tewerkstelling van 19 december 2002, dag waarop de heer K. slachtoffer werd van een arbeidsongeval, dat zij kon vaststellen dat de tewerkstelling niet voltijds was, zoals aangegeven door het uitzendkantoor op de aangifte van arbeidsongeval, doch wel deeltijds (37,5 uur op een voltijdse arbeidsduur van 38 uur).

e.-

Volledigheidshalve dient tenslotte te worden vastgesteld dat niet wordt aangetoond dat de heer K. wist of diende te weten dat hij geen recht had of meer had op de oorspronkelijk toegekende vergoedingen.

Zoals geoordeeld door het Hof van Cassatie van 17 mei 2010, kan uit de omstandigheid dat de sociaal verzekerde de nieuwe beslissing in rechte betwist, niet worden afgeleid dat de heer K. voor de kennisgeving ervan wist of moest weten dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van de prestaties.

f.-

Het gevolg van wat voorafgaat is dat de oorspronkelijke beslissing van de Federale Verzekeringen aangetast was door een materiële vergissing, zodat de Federale Verzekeringen met toepassing van artikel 17 eerste lid van het Handvest gehouden was een nieuwe beslissing te nemen, die ingaat op het ogenblik waarop de verbeterde beslissing inging.

Vermits de materiële vergissing niet te wijten was aan de Federale Verzekeringen, kan de heer K. geen beroep doen op de bepaling van artikel 17 tweede lid van het Handvest.

g.-

Met toepassing van artikel 21 van het Handvest brengen de onverschuldigd betaalde prestaties slechts van rechtswege intrest op vanaf de betaling, indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist, bedrog of bedrieglijke handelingen van de belanghebbende persoon.

De Federale Verzekeringen toont niet aan dat de heer K. zich schuldig zou hebben gemaakt aan arglist, bedrog of bedrieglijke handelingen, zodat met toepassing van artikel 1153 BW slechts intrest verschuldigd is vanaf de datum van ingebrekestelling, te weten vanaf 23 december 2003.

h.-

De oorspronkelijke terugvordering van de Federale Verzekeringen is bijgevolg gegrond, en de vordering van de heer K. tot terugbetaling van de ingehouden vergoeding ongegrond.

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep, zoals beperkt na het tussengekomen arrest van het Hof van Cassatie van 17 mei 2010, ontvankelijk en als volgt gegrond;

Verklaart de voor de arbeidsrechtbank door de Federale Verzekeringen gestelde tegenvordering gegrond en veroordeelt de heer K. tot terugbetaling van het bedrag van 6.555,74 EUR, meer de wettelijke intrest vanaf 23 december 2003; machtigt de Federale Verzekeringen tot recuperatie van dit bedrag en intrest over te gaan door verrekening met de aan de heer K. toekomende vergoedingen inzake tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid;

Verklaart de vordering van de heer K. tot terugbetaling door de Federale Verzekeringen van de ingehouden bedragen ontvankelijk doch ongegrond;

Verwijst de Federale Verzekeringen in de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de heer K. als volgt vereffend:

160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt

160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof Brussel;

Verwijst de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere uitvoering van de bijkomend aan de deskundige toevertrouwde opdracht.

 

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

P. CLERINX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

R. VAN CAUWENBERGE : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

K. CUVELIER : Griffier,

P. CLERINX R. VAN CAUWENBERGE

K. CUVELIER D. RYCKX

De heer P. CLERINX, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door Mr D. RYCKX, Raadsheer en Mr R. VAN CAUWENBERGE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 18 maart 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door K. CUVELIER, Griffier,

K. CUVELIER D. RYCKX

Free keywords

  • HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE

  • Terugvordering van ten onrechte genoten socialezekerheidsprestaties

  • Intrest.