- Arrêt of May 2, 2013

02/05/2013 - 2012/AB/364

Case law

Summary

Samenvatting 1

Overeenkomstig art. 225 § 3 van het KB van 3/07/1976 tot uitvoering van de gecoördineerde wetten op de ziekteverzekering wordt als werknemer met gezinslast beschouwd de werknemer, waarvan de samenwonende partner een inkomen heeft dat lager is dan het maandbedrag voorzien door die bepaling. Het bedrag van het inkomen van de samenwonende partner wordt daarbij bepaald door de daguitkering te vermenigvuldigen met 26.

Wanneer in die context de verzekeringsinstelling in het inlichtingenblad enkel informeert naar het inkomen voor de maand februari (die nooit 26 uitkeringsdagen kent) en op die basis de uitkering als werknemer met gezinslast toekent, dan is het onverschuldigd karakter van de uitkeringen, ingevolge het feit dat voor de andere maanden de inkomstengrens overschreden werd, het gevolg van een fout van de verzekeringsmaatschappij en mag een herziening enkel naar de toekomst gebeuren. Het is niet aan de verzekerde om de anomalie in het inlichtingenformulier op te merken.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 MEI 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - ziekteverzekering

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579 bus 40, appellant, vertegenwoordigd door mr. COLELLA S. loco mr. VAN OBBERGHEN Vincent, advocaat te 1800 VILVOORDE, Medialaan 30

tegen:

1. B. , wonende te xxx,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DELBROEK M. loco mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 9 maart 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 28e kamer (A.R. 08/9386/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 april 2012,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 14 maart 2013 door advocaat-generaal ANDRE,

- de repliek op dit advies door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, neergelegd ter griffie op 4 april 2013,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 maart 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw B. ontving sinds de maand februari 2006 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als werknemer met gezinslast. Er werd daarbij geen rekening gehouden met het inkomen van haar partner vermits dit inkomen, volgens de ingediende verklaring en overgelegde bewijsstukken, lager was dan de toegelaten inkomensgrens.

2.

Bij aangetekend schrijven van 3 april 2008 deelde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten aan mevrouw B. mee dat zij ten onrechte te hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangen had in de periode van 19 april 2006 tot 29 februari 2008, omdat het inkomen van haar partner in werkelijkheid het toegelaten grensbedrag overschreden had.

Er werd een bedrag teruggevorderd van 8.801,86 euro .

3.

Bij verzoekschrift van 2 juni 2008 heeft mevrouw B., overeenkomstig art. 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde, deze terugvordering betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

In het kader van deze procedure heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op 10 augustus 2010 een tegenvordering ingesteld, waarbij hij de veroordeling vorderde van mevrouw B. tot betaling van de som van 8.801,86 euro .

4.

Bij vonnis van 9 maart 2012, ter kennis gebracht op 22 maart 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel, zonder zich expliciet uit te spreken over de oorspronkelijke vordering van mevrouw B., de tegenvordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten als ongegrond afgewezen wegens de ingetreden verjaring. De arbeidsrechtbank stelde vast dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten weliswaar de verjaring gestuit had bij aangetekend schrijven van 6 juni 2008, maar dat de volgende stuitingsdaad slechts tussen gekomen was door het instellen van een tegenvordering op 10 augustus 2010.

5.

Bij verzoekschrift van 12 april 2012 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verwijt in de eerste plaats aan de eerste rechter om geen uitspraak gedaan te hebben over het oorspronkelijk verzoekschrift van mevrouw B., waarbij deze de nietigverklaring vorderde van de terugvorderingsbeslissing van 3 april 2008. Volgens de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten kon de arbeidsrechtbank slechts uitspraak doen over de tegenvordering na de gegrondheid van de hoofdvordering te hebben onderzocht.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten is verder van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte zijn vordering verjaard verklaard heeft. Volgens de Landsbond was, ingevolge de betwisting door mevrouw B. van de terugvorderingsbeslissing voor de arbeidsrechtbank, zijn recht op terugvordering geschorst tijdens de volledige periode waarin de procedure voor de arbeidsrechtbank hangende was en kon de verjaringstermijn aldus niet lopen.

Volgens de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten is bovendien op de terugvordering niet de gewone verjaringstermijn van twee jaar van toepassing, zoals voorzien door artikel 174, 1e lid, 5° en 6° van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, maar wel de tienjarige verjaringstermijn van de "actio judicati", dit wil zeggen de vordering tot uitvoering van zijn terugvorderingsbeslissing.

2.

Mevrouw B. stelt dat, welk ook de toepasselijke verjaringstermijn is, de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten niet tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen kon overgaan in toepassing van artikel 17 van de wet van 11 april 1995 houdende het handvest van de sociaal verzekerde, omdat de onverschuldigde betaling te wijten is aan een vergissing begaan door de verzekeringsinstelling. In dat geval heeft de nieuwe beslissing, waarbij het bedrag van de uitkeringen gewijzigd wordt, slechts uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving.

Mevrouw B. stelt in ondergeschikte orde dat in ieder geval de toepasselijke verjaringstermijn één jaar bedroeg in toepassing van artikel 174, 3e lid van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994, dat bepaalt dat de in artikel 174, 5°,6° en 7° vastgestelde verjaringstermijnen worden vastgesteld op één jaar, ingeval van een onverschuldigde betaling die voortvloeit uit een juridische of materiële vergissing van de verzekeringsinstelling en wanneer de per vergissing gecrediteerde verzekerde niet wist of moest weten dat hij geen recht had of niet langer recht had op de betaalde prestatie, geheel of gedeeltelijk.

3.

Mevrouw B. woonde samen met haar dochtertje en met haar levenspartner, die zelf ook van een ziekteuitkering genoot.

Overeenkomstig artikel 93 van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 en artikel 225 van het uitvoeringsbesluit van 3 juli 1996 kon zij voor de vaststelling van het bedrag van haar uitkeringen als werkneemster met gezinslast beschouwd worden, op voorwaarde dat het inkomen van haar partner niet het maandbedrag te boven ging, voorzien door artikel 225 § 3, al. 2 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996. Vermits het inkomen van de partner uit een uitkering bestond, diende het maandbedrag van zijn uitkering berekend te worden door de daguitkering te vermenigvuldigen met 26.

Bij een correcte toepassing van deze bepaling viel het inkomen van de partner van mevrouw B. net boven het toegelaten grensbedrag, zodanig dat zij geen aanspraak kon maken op een uitkering als werkneemster met gezinslast. Dit wordt als dusdanig ook niet betwist.

4.

Overeenkomstig artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van sociaal verzekerde, neemt de instelling van sociale zekerheid, wanneer vastgesteld wordt dat een beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring.

Indien de vergissing echter te wijten is aan de instelling van sociale zekerheid heeft de nieuwe beslissing slechts uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie lager is dan het aanvankelijk toegekende recht. Deze laatste bepaling is echter niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het Koninklijk Besluit van 31 mei 1993 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van een prestatie.

5.

In het inlichtingenformulier dat mevrouw B., samen met haar partner, diende in te vullen met het oog op de vaststelling van het bedrag van haar uitkering, werd voor het inkomen van de partner uitdrukkelijk gevraagd naar het bedrag van de uitkeringen voor de maand februari 2006. Ook in de latere jaarlijks formulieren werd telkens de vraag gesteld naar het inkomen van de maand februari.

De partner van mevrouw B. heeft naar waarheid verklaard dat zijn inkomen voor de maand februari 2006 lager was dan het in het inlichtingenformulier vermelde grensverdrag. Bij het inlichtingenformulier werd bovendien een verklaring gevoegd van het ziekenfonds van de partner van mevrouw B., die de detail inhield van de berekening van de uitkeringen voor de maand februari 2006, met de aanduiding van het dagbedrag en het aantal uitkeringsdagen waarvoor dit dagbedrag werd toegekend, te weten 24 dagen. Ook de latere inlichtingformulieren werden correct ingevuld en daarbij werd telkens een verklaring gevoegd van het ziekenfonds van de partner waarin voor de maand februari het bedrag van de daguitkering en het aantal uitkeringsdagen werd vastgesteld.

De onverschuldigde betaling was louter het gevolg van het feit dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in zijn inlichtingenformulier vroeg naar het bedrag van de uitkeringen in de loop van de maand februari, zonder rekening te houden met het feit dat deze maand geen 26 uitkeringsdagen telde en bijgevolg geen correcte referentiemaand was voor de vaststelling van het bedrag van de uitkeringen van de partner van mevrouw B.. Het bedrag van de daguitkering van de partner van mevrouw B. is daarbij niet veranderd sinds het ogenblik van de oorspronkelijke aangifte, behoudens de wettelijke indexeringen die echter geen invloed hebben op het recht op uitkeringen vermits ook de grensbedragen voor de vaststelling van het inkomen geïndexeerd worden. Hij was er dan ook niet toe gehouden de aangifte te doen van een wijziging in het bedrag van zijn uitkeringen.

De onverschuldigde betaling is in die omstandigheden duidelijk het gevolg van een vergissing van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten die uit het oog verloren heeft dat de maand februari geen correcte referentiemaand was voor de vaststelling van het inkomen, vermits deze maand geen 26 uitkeringsdagen telde. Het was aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en niet aan mevrouw B. of haar partner om daarop attent te zijn.

Er kan niet geoordeeld worden dat mevrouw B. wist of moest weten dat zij geen recht had of meer had op het gehele bedrag van de prestatie. Het inlichtingenblad was correct ingevuld en bovendien was bij het inlichtingenblad een formulier gevoegd dat en het dagbedrag van de uitkering en het aantal uitkeringsdagen vermelde. Mevrouw B. mocht er van uitgaan dat wanneer haar expliciet gevraagd werd naar het inkomen van haar partner voor de maand februari, zij (en haar partner) aan hun verplichtingen voldaan hadden door dit bedrag als dusdanig te vermelden.

In toepassing van artikel 17 van de wet van 11 april 1995 kon daarom de aanpassing van de uitkering slechts uitwerking hebben op de eerste dag van de maand na de kennisgeving, zodanig dat er geen terugvordering kon gebeuren van de onverschuldigd betaalde uitkeringen.

6.

Er kan terzake geen toepassing gemaakt worden van artikel 174, 3e lid van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994, zoals aangepast door artikel 47 van de wet van 19 december 2008, in zoverre het voorziet dat de in art.174, 5°, 6° en 7° bedoelde verjaringen worden vastgesteld op één jaar, ingeval van een onverschuldigde betaling die voortvloeit uit een juridische of materiële vergissing van de verzekeringsinstelling en wanneer de per vergissing gecrediteerde verzekerde niet wist of niet moest weten dat hij geen recht had, of niet langer recht had, op een bepaalde prestatie dit geheel of gedeeltelijk.

Deze bepaling is strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in de mate dat het aan een bepaalde categorie van sociaal verzekerden, in het bijzonder degenen die beroep doen op de prestaties van de ziekte en invaliditeitsverzekering, impliciet een ongunstiger regime oplegt dan aan de andere sociaal verzekerden doordat hen het voordeel van de integrale toepassing van artikel 17 van de wet van 11 april 1995 wordt ontnomen (cfr. Grondwettelijk Hof 20 oktober 2012, nr. 132/2012).

Overigens zou deze bepaling in ieder geval geen toepassing kunnen vinden op de huidige betwisting vermits deze wet slechts in voege trad op 10 januari 2009.

7.

De oorspronkelijke hoofdvordering van mevrouw B. dient dan ook gegrond verklaard te worden.

De oorspronkelijke tegenvordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten is om dezelfde reden ongegrond, zonder dat moet onderzocht worden of deze al dan niet verjaard zou geweest zijn.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op 4 april 2013,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw B. tot nietigverklaring van de beslissing van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van 3 april 2008 gegrond en zegt voor recht dat mevrouw B. niet gehouden is tot terugbetaling van de som van 8.801,86 euro .

Wijst de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten af van zijn vordering tot terugbetaling van de som van 8.801,86 euro .

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw B. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 2 mei 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE

  • Wet van 11/04/1995, art. 17.