- Arrêt of May 2, 2013

02/05/2013 - 2012/AB/1024

Case law

Summary

Samenvatting 1

Is niet zonder arbeid en zonder loon wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil de werknemer met een deeltijdse arbeidsovereenkomst die aanvaardt enkel te komen werken op dagen dat de werkgever hem effectief werk aanbiedt. Hij heeft geen recht op werkloosheidsuitkeringen voor de dagen waarop hij recht had te werken en dus recht had op loon.

Aan deze werkloze kan echter niet het recht op werkloosheidsuitkeringen ontzegd worden voor het geheel van zijn werkloosheidsdagen op de enkele grondslag dat een systeem van tewerkstelling op "oproep" de deur openzet voor misbruiken.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 MEI 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

heropening van de debatten

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. JACOBS C. loco mr. DE KETELAERE Jacques, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 155 A,

tegen:

1. E. , wonende te xxx, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw C.BOEHLEN, gevolmachtigde van een representatieve organisatie voor werknemers.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 8 oktober 2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 12/201/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 23 oktober 2012,

- de neergelegde conclusie,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 21 maart 2013 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 14 maart 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer E. sloot op 31 juli 2009 een arbeidsovereenkomst af met de NV Boardroom voor een tewerkstelling als arbeider voor 4 uur per week op vrijdagavond. Volgens zijn verklaring werkte hij echter niet wekelijks, doch was de tewerkstelling afhankelijk van een telefonische oproep van de werkgever op momenten dat deze zijn hulp nodig had. In werkelijkheid zou hij in de periode van 1 augustus 2009 tot einde juli 2010 slechts 6,5 dagen gewerkt hebben. Hij zou deze dagen vermeld hebben op zijn controlekaart van de werkloosheid.

2.

Bij beslissing van 17 november 2011 stelden de diensten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vast dat de heer E. in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 20 juli 2010, en bovendien op de dag van 23 februari 2007, niet zonder arbeid en zonder loon geweest was. Hij zou dan ook in die periode geen recht gehad hebben op werkloosheidsuitkeringen. Verder zou de heer E. nog occasioneel arbeidsprestaties verricht hebben voor Randstadt Belgium vanaf 30 april 2010. De uitkeringen voor de periode van 1 augustus 2009 tot en met 20 juli 2010 werden integraal teruggevorderd voor een bedrag van 11.254,81 euro . De werkloosheidsuitkering voor de dag van 23 februari 2007 werd niet teruggevorderd, wellicht als gevolg van de ingetreden verjaring.

Verder werd aan de heer E. een sanctie opgelegd van uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen vóór een periode van zes weken, te rekenen vanaf 21 november 2011 omdat hij nagelaten had voor het begin van een activiteit die niet verenigbaar was met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van zijn controlekaart zwart te maken.

Deze beslissing werd aan de heer E. betekend bij schrijven van 17 november 2011.

3.

De heer E. heeft deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Leuven bij verzoekschrift van 1 februari 2012.

Bij vonnis van 8 oktober 2012, ter kennis gebracht op 12 oktober 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering van de heer E. gedeeltelijk gegrond verklaard. De bestreden administratieve beslissing van 17 november 2011 werd in haar principe bevestigd - voor wat betreft de vaststelling van het onverschuldigd ontvangen van uitkeringen - maar de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen werd in toepassing van artikel 169 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (verder het werkloosheidsbesluit) herleid tot 0 euro . De opgelegde sanctie van uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen werd herleid tot één week.

4.

Bij verzoekschrift van 23 oktober 2012 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

In besluiten heeft de heer E. incidenteel beroep ingesteld en vraagt hij dat de opgelegde sanctie vervangen wordt door een verwittiging.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De eerste rechter nam aan dat er een overtreding was geweest van de werkloosheidsreglementering voor gans de betwiste periode. Hij oordeelde echter dat in toepassing van artikel 169, derde lid van het werkloosheidsbesluit, de terugvordering kon beperkt worden tot de effectief gewerkte dagen, met dien verstande dat voor de effectief gewerkte dagen de heer E. zijn controlekaart had ingevuld - met uitzondering van de dag van 23 februari 2007 - en dat er dus in feite geen terugvordering diende te gebeuren.

De eerste rechter herleidde de uitgesproken sanctie, althans in het dispositief van het vonnis, tot één week. In de motivering van het vonnis wordt echter gezegd dat de uitsluiting dient gepaard te gaan met het uitstel van één week.

2.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening laat in zijn beroepsakte in hoofdorde gelden dat geen toepassing gemaakt kon worden van artikel 169, lid 3 van het werkloosheidsbesluit. Deze bepaling dient volgens hem strikt geïnterpreteerd te worden. Bij gebreke van aangifte door de heer E. en de daaraan gekoppelde controle is het thans niet meer mogelijk de juiste omvang van de activiteit na te gaan. De heer E. en zijn werkgever hielden zich niet aan de afgesproken arbeidsregeling zodat iedere controle onmogelijk was. Er kan niet worden uitgesloten, aldus de Rijksdienst, dat de heer E. en zijn werkgever een constructie opzetten waarbij de werkgever zijn werknemer voor onbepaalde tijd meldde aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en, indien geen controle plaats vond, de heer E. als "toegestaan afwezig" werd gemeld, ook al had hij effectief prestaties verricht.

In ondergeschikte orde kan de Rijksdienst er zich mee akkoord verklaren dat de terugvordering wordt beperkt tot elke vrijdag in de periode van 1 augustus 2009 tot 20 juli 2010.

Voor wat betreft de herleiding van de opgelegde sanctie wijst de Rijksdienst op een tegenstrijdigheid in het vonnis van de eerste rechter. In het dispositief van het vonnis wordt de sanctie herleid tot een uitsluiting van één week, terwijl in de motivering er sprake is van een uitstel met één week, wat neerkomt op een effectieve uitsluiting van vijf weken, waarmee de Rijksdienst zich zou kunnen verzoenen.

De heer E. vraagt, voor wat betreft de terugvordering van de onverschuldigde betaalde prestaties, de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij stelt dat hij effectief slechts 6,5 dagen gewerkt heeft en dat hij voor die dagen zijn controlekaart heeft ingevuld. Aldus zou er geen reden zijn om de werkloosheidsuitkeringen terug te vorderen.

Voor wat betreft de sanctie vraagt de heer E., bij wijze van incidenteel beroep, dat deze zou vervangen worden door een verwittiging of, in ondergeschikte orde, dat de beslissing van de eerste rechter, zoals deze in het dispositief voorkomt, zou bevestigd worden in de zin van een uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een periode van één week.

3.

Overeenkomstig artikel 44 van het werkloosheidsbesluit dient de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, zonder arbeid en zonder loon te zijn wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Overeenkomstig artikel 45, 1° van hetzelfde besluit wordt als arbeid beschouwd de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit.

4.

Er is geen voldoende rechtsgrond om de heer E. volledig uit te sluiten uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 1 augustus 2009 tot 20 juli 2010 op basis van het enkele feit dat hij een deeltijdse prestatie van 4 uur per week met een vast uurrooster had opgenomen. Het betrof occasionele prestaties die de heer E. kon verrichten, voor zover zij werden vermeld op de controlekaart.

Deze uitsluiting is evenmin mogelijk op basis van de overweging dat het systeem, waarbij de heer E. werd aangeworven voor een (vaste) prestaties van 4 uur per week, maar in feite slechts arbeidsprestaties verrichtte wanneer er werk was, tot misbruik aanleiding kon geven. Fraude wordt niet vermoed en moet bewezen worden. De heer E. toont op basis van zijn individuele rekeningen en op basis van een attest van het sociaal secretariaat aan dat slechts voor 6,5 dagen effectieve prestaties werden aangegeven en dat de andere vrijdagen werden aangegeven als dagen van "gerechtvaardigde afwezigheid". Enkel voor 6,5 dagen werd een loon betaald. Indien misbruik mogelijk zou geweest zijn, zoals de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vooropstelt, was dit in ieder geval slechts voor de uren vermeld op de arbeidsovereenkomst, d.w.z. de vrijdagavonden.

Het is dan ook ten onrechte dat de bestreden administratieve beslissing de heer E. zonder meer uitsluit uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor gans de periode van 1 augustus 2009 tot 20 juli 2010. De dagen van tewerkstelling bij de nv Boardroom werden door de heer E. op zijn controlekaart vermeld.

5.

Wel staat vast dat de heer E., voor de vrijdagen dat hij niet werkte, niet onvrijwillig zonder loon of zonder arbeid was. De heer E. had op basis van zijn arbeidsovereenkomst recht om op die dagen te werken, en had aldus ook recht op loon. Wanneer hij op die dagen, al dan niet vrijwillig, afwezig bleef op zijn werk dan was hij niet onvrijwillig zonder werk en niet onvrijwillig zonder loon.

6.

De heer E. betwist niet dat hij op 23 februari 2007 gewerkt heeft zonder dit te melden op zijn controle. Voor die dag is de uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen dan ook gerechtvaardigd. Deze dag wordt echter niet teruggevorderd.

Uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissing blijkt echter verder, zoals door het openbaar ministerie wordt opgemerkt - en daarover wordt door geen van beide partijen besloten - dat de heer E., naast zijn tewerkstelling voor de NV Boardroom, één dag gewerkt in de maand april 2010, 12 dagen in de maand mei 2010 en 6 dagen in de maand juli 2010 voor de nv Randstadt (stuk 13 van het administratief dossier). Onduidelijk is of de heer E. (al) deze dagen geschrapt heeft op zijn controlekaart en of hij voor deze dagen werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft. De door de heer E. voorgelegde stukken i.v.m. zijn schrappingen zijn onvolledig (bvb. de maand april ontbreekt) of onduidelijk (voor de maand mei lijken schrappingen aangebracht, maar niet voor de maand juni).

Het past op dit punt de heropening van de debatten te bevelen. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient terzake de controlekaarten voor te leggen en, rekening houdend verder met hetgeen beslist werd onder 5, het aantal dagen van uitsluiting en terugvordering te herberekenen.

7.

Aan de heer E. werd een sanctie opgelegd op grond van art. 154 en 71 van het werkloosheidsbesluit omdat hij nagelaten had alle dagen van de tewerkstellingen te vermelden op zijn controlekaart. Deze sanctie was onterecht in zoverre ze alle dagen viseerde in de periode van 1 augustus 2009 tot 20 juli 2010.

De sanctie lijkt wel gerechtvaardigd voor de dag van 23 februari 2007. Onduidelijk is of de sanctie gerechtvaardigd is voor de dagen van tewerkstelling bij de nv Randstadt, hetgeen een invloed heeft of kan hebben op de omvang van de sanctie.

Het past dan de beoordeling van de sanctie en van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep op te schorten tot na de voorlegging van de controlekaarten.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het hoofdberoep gedeeltelijk gegrond.

Alvorens verder uitspraak te doen over de gegrondheid van het hoofdberoep en het incidenteel beroep,

Beveelt de heropening van de debatten ten einde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toe te laten de controlekaarten werkloosheid voor te leggen van de heer E. voor de periode van 1 augustus 2009 tot 20 juli 2010.

Bepaalt de termijnen voor neerlegging voor conclusies en stukken als volgt

*Voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening: 12 juli 2013 voor neerlegging van stukken en het opmaken van een aangepaste afrekening van de onverschuldigd betaalde uitkeringen,

*Voor de heer E.: 5 september 2013 voor het neerleggen en overleggen van de besluiten

Zegt dat de zaak opnieuw zal worden behandeld op de openbare terechtzitting van donderdag 10 oktober 2013 om 14u.

Houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 2 mei 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • WERKLOOSHEID

  • Toekenningsvoorwaarden

  • Afwezigheid loon.