- Arrêt of June 14, 2013

14/06/2013 - 2012/AB/1092

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer de rechter een betwisting moet oplossen, zoals het vaststellen van een gepaste opzeggingstermijn, is er geen effen schuldvordering, waarop een wettelijke schuldvergelijking kan plaats vinden. Een zodanige betwisting kan niet als dilatoir worden bestempeld.

Anders dan bij een wettelijke compensatie, formuleert de verweerder bij een gerechtelijke schuldvergelijking materieelrechtelijke aanspraken.

Dit impliceert het instellen van een uitdrukkelijke rechtsvordering, zodat de vordering tot gerechtelijke compensatie slechts kan ingewilligd worden, nadat de verweerder een tegenvordering voor zijn betwist recht heeft gesteld.

Een tegenvordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding is geen louter verweer op een vordering in betaling van vakantiegeld. Beide vorderingen zijn totaal onafhankelijk en losstaand van elkaar.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 JUNI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ROBERT BOSCH PRODUKTIE,

met maatschappelijke zetel te 3300 TIENEN, Hamelendreef 80,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. CRAENINCKX Herman, advocaat te

1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25.

Tegen:

H. , wonende te ***,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mevrouw GODTS Ingrid, afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers, houdster van een schriftelijke volmacht, kantoorhoudend te 3010 Leuven, Martelarenlaan 8.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 20 juni 2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 12/345/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 november 2012,

de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 13 februari 2013,

de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 27 november 2012 en 14 maart 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 17 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 18 juni 2008 ondertekenden de NV Robert Bosch Produktie (hierna afgekort als Bosch) en de heer H. een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waardoor de heer H. met ingang van 18 augustus 2008 werd aangeworven als kwaliteitsingenieur (middenkaderfunctie).

2. Op 21 december 2010 beëindigde de heer H. zelf deze arbeids-

overeenkomst met een opzeggingstermijn van 6 weken, ingaande op 1 januari 2011.

Op 14 januari 2011 liet Bosch weten dat in onderling akkoord de opzeggingsperiode zou lopen van 1 januari 2011 tot 30 maart 2011.

Op 26 januari 2011 repliceerde de vakorganisatie van de heer H. dat een opzeggingsperiode van 1,5 maanden zeer redelijk was en ze betwistte het gesprek over dit onderwerp en het akkoord.

Op 8 februari 2011 antwoordde Bosch dat ze gelet op het specifieke functieprofiel een opzeggingsperiode van 3 maanden handhaafde.

Op 9 februari reageerde de vakorganisatie opnieuw en bleef bij het eerdere standpunt, waaruit volgde dat de heer H. zou presteren tot 15 februari 2011.

3. Op 15 februari 2011 werd de arbeidsovereenkomst effectief beëindigd.

De documenten bij uitdiensttreding werden door Bosch opgemaakt en aan de heer H. doorgezonden bij brief van 23 maart 2011. Op het C4-formulier wordt als reden van werkloosheid vermeld: opzeg door werknemer.

De door Bosch berekende opzeggingsvergoeding van euro 6.348,72 leidde tot een inhouding van het nog openstaande vertrekvakantiegeld, waarna Bosch nog betaling van een saldo van euro 587,05 aan de heer H. vroeg.

Bij aangetekende brief van 13 april 2011 meldde de vakorganisatie van de heer H. dat ze met deze inhouding en vraag tot betaling van het saldo niet akkoord ging.

Op 19 juli 2011 kondigde de vakorganisatie een procedure voor de arbeidsrechtbank aan, indien het ingehouden vertrekvakantiegeld niet werd uitbetaald.

4. Bij dagvaarding van 10 februari 2012 vorderde de heer H. betaling door Bosch van:

enkel vakantiegeld 2011 of euro 3.416,72

dubbel vakantiegeld 2011 of euro 3.029,17

aanvullend vakantiegeld 2011 of euro 387,56

enkel vakantiegeld 2012 of euro 421,63

dubbel vakantiegeld 2012 of euro 373,80

aanvullend vakantiegeld 2012 of euro 47,82

vermeerderd met intresten en kosten.

5. Bij vonnis van 20 juli 2012 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd Bosch veroordeeld tot betaling van het onterecht ingehouden bedrag van euro 6.348,72 vermeerderd met intresten en kosten.

In de mate Bosch een tegeneis gesteld had, wat volgens de rechtbank niet het geval was, werd deze verjaard bevonden, zodat alleszins geen gerechtelijke schuldvergelijking kon toegepast worden.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 13 november 2012, tekende Bosch hoger beroep aan en vroeg dat een opzeggingstermijn van 3 maanden zou bevestigd worden, waaruit de verschuldigdheid van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 6.348,72 volgde, waarna de wettelijke schuldvergelijking diende toegepast;

In ondergeschikte orde, bij een andere begroting van de opzeggingsvergoeding, vroeg ze de wettelijke schuldvergelijking op het juiste bedrag toe te passen, minstens de gerechtelijke schuldvergelijking toe te passen.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van de bestreden vonnissen wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

Het ontbreken van overeenkomst over de opzeggingstermijn.

2. Op grond van art. 82 §3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de door de bediende in acht te nemen opzeggingstermijn vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter.

Ten onrechte wil Bosch een akkoord over een opzeggingstermijn van 3 maanden voorhouden.

Nadat Bosch in de brief van 14 januari 2011 naar een dergelijk akkoord had verwezen, werd dit bij brief van 26 januari 2011 onmiddellijk betwist door de vakorganisatie van de heer H.. Ook de verdere briefwisseling tussen partijen toont het ontbreken van overeenstemming aan (zie randnummers I.2 en 3)

Hieruit vloeit voort dat de termijn door de rechter diende te worden vastgesteld.

De voorwaarden van een wettelijke compensatie zijn niet voldaan

3. Op grond van art. 1291 Ger. W. moeten volgende voorwaarden voor een wettelijke schuldvordering voldaan zijn:

- twee vorderingen moeten over en weer bestaan;

- de vorderingen moeten bestaan tussen dezelfde personen, die zich bovendien in eigen naam verbonden hebben;

- beide vorderingen moeten geld of een vervangbare zaak van dezelfde soort tot voorwerp hebben;

- de verbintenissen moeten bestaan en vaststaand zijn en

- de verbintenissen moeten opeisbaar zijn.

4. Door het ontbreken van een overeenkomst over de opzeggingstermijn, is de vraag van Bosch tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding niet vaststaand. De verplichting van de heer H. diende eerst door de rechter te zijn vastgelegd.

Wettelijke schuldvergelijking is immers slechts mogelijk indien de verbintenissen effen zijn, dit is, wanneer het bedrag en het voorwerp van de verbintenis vaststaat. Dit is niet het geval wanneer het bestaan of het bedrag van de schuldvordering wordt betwist en de betwisting voldoende ernstig lijkt.

Wanneer de rechter de betwisting moet oplossen, zoals hier omwille van art. 82 §3 arbeidsovereenkomstenwet het geval is, kan er geen wettelijke schuldvergelijking plaats vinden. Een zodanige betwisting kan in de gegeven omstandigheden niet als dilatoir worden bestempeld (R. Steennot, "Schuldvergelijking" in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar, Verbintenissenrecht, nr. 9; J. Roodhooft, "Schuldvergelijking" in X, Bestendig handboek Verbintenissenrecht, V.3.14, nr. 4340).

Hieruit vloeit voort dat Bosch zich niet kon beroepen op de wettelijke schuldvergelijking om het verschuldigde en niet betwiste vakantiegeld in te houden.

De tegenvordering en de gerechtelijke schuldvergelijking

5. Het niet voldoen van de voorwaarden voor de wettelijke schuldvergelijking verhindert Bosch niet om een tegenvordering te stellen met o.m. een gerechtelijke schuldvergelijking.

6. Ook al werd een dergelijke tegenvordering niet uitdrukkelijk verwoord in het beschikkend gedeelte van de conclusies in eerste aanleg, toch is een vordering, die ingelast is in de motieven van een besluitschrift, regelmatig aan de rechter voorgelegd, zelfs als zij niet herhaald is in het laatste gedeelte van het geschrift. (Cass. 30 september 1996, JTT, 1997, 30, noot; Cass., 26 sept. 1958, A.C. 1959, 84).

Bosch heeft een dergelijke tegenvordering gesteld in zijn besluiten van 2 april 2012 en nog duidelijker in de synthesebesluiten van 1 juni 2012.

7. De heer H. stelt hier tegenover dat de tegenvordering tot het bepalen van de juiste opzeggingstermijn en de eruit voortvloeiende mogelijke aanvullende opzeggingsvergoeding verjaard is bij toepassing van art. 15 arbeidsovereenkomsten-wet.

Beide conclusies dateren effectief van meer dan één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst (15 februari 2011).

Bosch houdt echter voor dat de tegenvordering tot gerechtelijke compensatie een verweer is op de hoofdvordering tot betaling van de ingehouden vakantiegelden.

8. Anders dan bij een wettelijke compensatie, formuleert de verweerder bij een gerechtelijke schuldvergelijking materieelrechtelijke aanspraken.

De gerechtelijke compensatie impliceert dus het instellen van een rechtsvordering. Dit moet uitdrukkelijk gebeuren (Cass., 19 februari 1965, Pas., 1965, I, 630) Het inroepen van de compensatie als exceptie, zoals bij wettelijke compensatie, is onvoldoende. (E Dirix, " Gerechtelijke compensatie en beslag in eigen hand" in Liber Amicorum Prof. Em. E. Krings, Brussel, 1991, 106, nr. 4; R. Steenot, a.w., nr. 27; J. Roodhooft, a.w., nr. 4366).

De vordering tot gerechtelijke compensatie kan gebeurlijk ingewilligd worden, nadat de verweerder een tegenvordering voor zijn betwist recht heeft gesteld.

Hieruit vloeit voort dat de vraag van Bosch tot gerechtelijke compensatie moet voorafgegaan worden door het instellen van een tegenvordering tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding.

Een dergelijke tegenvordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding is geen louter verweer op de betaling van vakantiegeld. Beide vorderingen zijn totaal onafhankelijk en losstaand van elkaar (Arbh. Antwerpen, 16 september 1985, JTT 1987, 170).

9. Terecht roept de heer H. i.v.m. de betaling van de aanvullende opzeggingsvergoeding dan ook de verjaring van de tegeneis in.

Hierdoor kan er geen gerechtelijke compensatie plaats vinden.

Hieruit vloeit voort dat de heer H. terecht betaling vordert van de achterstallige vakantiegelden, die hij in zijn vordering correct opnam bij wijze van bruto bedragen, terwijl de inhouding op netto gebeurde.

10. Het hoger beroep is daardoor ongegrond. De overige middelen en argumenten van partijen kunnen hieraan geen afbreuk doen.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van de n.v. Robert Bosch Productie, doch geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zijnde, omdat de heer H. niet werd bijgestaan door een advocaat.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Roger VANDENPUT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 14 juni 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • Wettelijke schuldvergelijking.