- Arrêt of October 24, 2013

24/10/2013 - 2012/AB/438

Case law

Summary

Samenvatting 1

Er bestaat een parallellisme tussen de verplichting voor de verzekeringsinstelling om een onverschuldigde betaalde prestatie in te schrijven in de bijzondere rekening, bedoeld in art. 164 van de wet en de verplichting de onverschuldigde prestaties ten laste te nemen van de administratiekosten. Wanneer een prestatie, als gevolg van de ingetreden verjaring niet dient ingeschreven te worden in de bijzondere rekening, kan ze ook niet ten laste gelegd worden van de administratiekosten.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 OKTOBER 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - geschil tussen instellingen

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

LANDSBOND DER ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1150 BRUSSEL, Sint-Huibrechtsstraat, 19, appellant, vertegenwoordigd door mr. VANDENHOUTE Magda, advocaat te 1180 BRUSSEL, Floréallaan 104,

tegen:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VERVAET E. loco mr. VAN BEVER Marc, advocaat te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32 bus 7 .

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 30 maart 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 28e kamer (A.R. 10/10746/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 2 mei 2012,

de neergelegde conclusies,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 26 september 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw V.D., verzekerde van de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen, werd erkend in de ziekteverzekering vanaf 10 oktober 2003. Sinds 15 september 2004 kreeg zij uitkeringen als invalide. Uit een controleverslag, betekend door het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering op 16 juni 2010, bleek dat mevrouw V.D. in die periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 mei 2008 een aantal dagen gewerkt had. Het controleverslag besloot tot de terugvordering van de uitkeringen vanaf 1 oktober 2007 tot en met 31 maart 2010, doch onder voorbehoud van de toepassing van artikel 101 van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 op de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en invaliditeit. Volgens het controleverslag diende toepassing gemaakt te worden van de vijfjarige verjaringstermijn, omdat er sprake was van een frauduleuze intentie in hoofde van mevrouw V.D..

Op 13 juli 2010 besliste de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het Rijksinstituut dat artikel 101 van de gecoördineerde wetten toegepast kon worden en dat de terugvordering diende beperkt te worden tot de dagen van effectieve werkhervatting.

2.

De Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen heeft, in uitvoering van dit controleverslag, zijn verzekerde in gebreke gesteld om tot terugbetaling over te gaan van de onverschuldigde uitkeringen, maar heeft tegelijk het controleverslag betwist voor de arbeidsrechtbank omdat het van oordeel was dat er geen bedrieglijke handelingen waren vastgesteld.

3.

Bij vonnis van 30 maart 2012 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van de Landsbond als ongegrond afgewezen. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de bedrieglijke handelingen in hoofde van de verzekerde wel vaststonden.

4.

Bij verzoekschrift van 2 mei 2012 heeft de Landsbond hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het verzoekschrift is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis, zodanig dat het beroep ook moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld.

III. BEOORDELING.

1.

De Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen betwist in hoofdorde de beoordeling van de eerste rechter dat er sprake was van bedrieglijke handelingen in hoofde van mevrouw V.D.. Onder verwijzing naar een cassatiearrest van 4 december 2006, en de daarop aansluitende rechtspraak van het arbeidshof te Bergen en te Luik, stelt hij dat een bedrieglijke handeling niet kan worden afgeleid uit de enkele vaststelling dat de verzekerde de uitoefening van een beroepsactiviteit niet aan de verzekeringsinstelling heeft aangegeven. De Landsbond verwijst ook naar de eigen omschrijving van het begrip ‘bedrieglijke handelingen' in een omzendbrief van 18 oktober 1991 van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering. Volgens De Landsbond heeft het Rijksinstituut geen enkele concrete bedrieglijke handeling vastgesteld in hoofde van de verzekerde. Het Rijksinstituut spreekt in zijn vaststelling ook ten onrechte over een frauduleuze intentie, terwijl volgens de tekst van de wettelijke bepalingen bedrieglijke handelingen moeten aangetoond worden. De Landsbond wijst er in dit verband op dat de verzekerde zijn activiteit niet verborgen gehouden heeft, vermits deze op normale wijze aangegeven werd in het sociaal zekerheidsstelsel van de werknemers. Hij wijst er verder op dat, indien de werkhervatting zich inderdaad uitspreidde over periode van acht maanden, er slechts sprake was van maximaal 66 dagen activiteit met een beperkt inkomen dat, mits aangifte van de activiteit, had kunnen gecumuleerd worden met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of waarvoor eventueel een vrijstelling van terugbetaling had kunnen bekomen worden.

In ondergeschikte orde betwist de Landsbond de berekeningswijze van de terugvordering.

2.

Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis op basis van de motieven die erin vervat zijn. Met verwijzing naar andere rechtspraak, dan deze aangehaald door de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen, onderlijnt hij dat een normaal, voorzichtig en oplettende burger hoort te weten dat cumul van arbeidsinkomsten en uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid niet toegelaten is.

Hij verwijst ook naar het inlichtingenblad dat de sociaal verzekerde moet invullen op het ogenblik dat hij arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aanvraagt, en waarin deze zich ertoe verbindt om eventuele inkomsten mede te delen aan zijn mutualiteit.

Het Rijksinstituut vraagt in ondergeschikte orde dat, indien het hof van oordeel zou zijn dat de vijfjarige termijn geen toepassing zou vinden, de Landsbond veroordeeld wordt om het gedeelte van de vordering dat verjaard is ten laste nemen als administratiekosten, overeenkomstig artikel 327,§ 2 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van gecoördineerde wetten van 14 juli 1994.

3.

Overeenkomstig artikel 174, 1e lid, 5° en 6° van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, verjaart de vordering tot terugvordering van de waarde van de ten onrechte ten laste van de uitkeringsverzekering of ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging verleende prestaties twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn betaald. Overeenkomstig artikel 174, lid 4, van deze wet gelden de in 5°, 6° en 7°, bedoelde verjaringen niet als het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg is van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekken verantwoordelijk is.

In een arrest van 4 december 2006 oordeelde het Hof van Cassatie dat het bestaan van bedrieglijke handelingen niet wettelijk kan worden afgeleid uit de enkele overweging dat de rechthebbende zich op de hoogte had kunnen stellen over zijn verplichtingen ten aanzien van zijn verzekeringsinstelling, noch uit de vaststelling dat de gerechtigde de voortzetting van een activiteit niet aan zijn verzekeringsinstelling heeft aangegeven (Cass. 4.12.2006, S.050071.F,Juridat).

Het standpunt van het Hof van Cassatie wijkt af van de vroegere rechtspraak van de rechters ten gronde die vaak de bedrieglijke handeling afleidden uit het loutere feit dat er mocht van uitgegaan worden dat de verzekerde wist dat hij geen beroepsactiviteit mocht cumuleren met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, zonder er aangifte van te doen. De bedrieglijke handelingen, waarvan de wet spreekt, werden aldus afgeleid uit een bedrieglijk inzicht dat in de regel verondersteld werd aanwezig te zijn bij een cumulatie van uitkeringen met een activiteit.

Vastgesteld moet worden dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie beter aansluit bij de tekst van de wet en een vrij ruime steun gevonden heeft in de rechtspraak

(cfr. Arbeidshof Mons, 18.02.2009, A.R. 20564, gewezen na het cassatiearrest van 4.12.2006, Arbh. Mons, 19 mei 2010, A.R. 2009/A.M./21.554, Arbh. Luik, 24.06.2008, A.R. 0365203/07, Arbrb. Luik, 9.07.2007, A.R. 321.999; Arbrb. Verviers, 14.06.2010, A.R. 09/1731.A) en in de rechtsleer (J.F. Funck, Droit de la sécurité sociale, De Boeck, 2006, p.73-74 ; Graulich, Massart en Dumont, « La révision, la récupération de l'indu et la prescription », in « Regards croisés sur la sécurité sociale », 2012, p. 93.)

Verder moet vastgesteld worden dat het Beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen van het Rijksinstituut in een omzendbrief van 29 april 1992, naar aanleiding van de invoegetreding van de wet van 18 oktober 1991 die het vroegere artikel 56 van de wet van 9 augustus 1963 wijzigde (thans artikel 101 en 102 van de gecoördineerde wet) zelf een gelijkaardige invulling gaf aan het begrip

"bedrieglijk opzet", dat bepalend is voor de mogelijkheid van het Beheerscomité om, in behartenswaardige gevallen, geheel of gedeeltelijk af te zien van de in het eerste lid van artikel 101 vermelde terugvordering. "Het loutere feit", zo wordt in de omzendbrief gesteld, "dat zonder voorafgaande toestemming een activiteit is hervat mag niet zonder meer worden gelijkgesteld met bedrieglijk opzet in welk geval dus geen beroep op deze bijzondere regeling kan worden gedaan. Het bedrieglijk opzet moet, volgens de parlementaire voorbereiding van de wet, blijken uit het gekarakteriseerd bedrog dat met name kan worden afgeleid uit het gebruik van valse stukken of van valse verklaringen".

4.

Vermits de bestreden administratieve beslissing aan de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen de verplichting oplegt om tot terugvordering over te gaan van de onverschuldigd betaalde uitkeringen, met inachtneming van de bijzondere verjaringstermijn van toepassing bij bedrieglijke handelingen, komt het aan de auteur van deze administratieve beslissing toe het bewijs bij te brengen van het bestaan van bedrieglijke handelingen.

De bestreden beslissing beperkt zich tot de vaststelling dat de niet toegelaten activiteiten herhaaldelijk en over een lange periode werden uitgeoefend, zodat de frauduleuze intentie van de betrokkene moet worden weerhouden. Zij stelt aldus geen positieve handeling, of bijzonder opzet vast, onderscheiden van de loutere materiële inbreuk op de wet om geen aangifte gedaan te hebben van een werkhervatting.

De loutere vaststelling dat de niet toegelaten activiteiten herhaaldelijk en over een lange periode werden uitgeoefend, volstaat op zich niet om tot het bestaan van een bedrieglijke handeling te besluiten. De duur van de werkhervatting wijst immers op zich niet op een bedrieglijk handelen in hoofde van de verzekerde. De bedrieglijke handeling of het bedrieglijk opzet, of de afwezigheid ervan, kan bestaan zowel bij een korte als bij een langere werkhervatting. De duur van de werkhervatting kan eventueel wel een rol spelen bij de administratieve sanctie die aan de verzekerde kan opgelegd worden. De duur van de werkhervatting zal anderzijds bepalend zijn voor de omvang van de prestaties die de verzekerde moet terugbetalen.

Het hof kan ook in het dossier geen elementen vinden die wijzen op een bedrieglijk handelen. Met name werd de werkhervatting niet bewust verborgen gehouden, vermits het om een aangegeven werkhervatting gaat, die overigens in principe door de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen heel snel had kunnen vastgesteld worden aan de hand van de elektronische bijdragebons. Ten overvloede moet opgemerkt worden dat, zoals de Landsbond terecht opmerkt, de omvang van de tewerkstelling moet gerelativeerd worden. Zij is weliswaar gespreid over een periode van 8 maanden, maar in deze periode werden slechts 66 dagen arbeidsprestaties verricht op deeltijdse basis. De hypothese kan niet uitgesloten worden dat de verzekerde, die na deze periode geen prestaties meer verrichtte, enkel heeft willen nagaan in welke mate een werkhervatting mogelijk was. Daarvoor moest zij uiteraard wel de toestemming van de adviserend geneesheer vragen, maar het staat niet vast dat de verzekerde bewust nagelaten heeft deze toelating te vragen.

Het bedrieglijk handelen of het bedrieglijk inzicht kan ook niet afgeleid worden uit de omstandigheid dat de verzekerde met kennis van zaken het inkomen uit de niet toegelaten arbeid ontvangen heeft en het voordeel daarvan genoten heeft.

5.

De bestreden administratieve beslissing moet op die basis vernietigd worden, zonder dat verder moet ingegaan worden op de argumentatie in ondergeschikte orde van de Landsbond in verband met de omvang van de terugvordering.

6.

De stelling van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, geformuleerd in ondergeschikte orde, dat de onverschuldigd betaalde uitkeringen in ieder geval ten laste moeten blijven van de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen, omdat zij het gevolg zijn van een tekortkoming van de Landsbond en geen vrijstelling werd aangevraagd van de inschrijving in de administratiekosten, overeenkomstig de geëigende procedure zoals die voorzien is door de artikelen 325 e.v. van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1976, kan niet gevolgd worden.

In de eerste plaats dient vastgesteld te worden dat de bestreden administratieve akte geen dergelijke beslissing inhield. Wanneer de rechtbank of het hof gevat worden door de betwisting van een administratieve rechtshandeling, dan is in de regel de ‘saisine' van de rechter beperkt tot hetgeen het voorwerp uitmaakt van deze administratieve akte. De administratieve overheid kan niet door een tegenvordering of incidentele vordering aan het hof vragen uitspraak te doen over een beslissing die nooit genomen werd.

7.

Overeenkomstig artikel 164, al. 4 van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 dienen de verzekeringsinstellingen de ten onrechte betaalde prestaties op een bijzondere rekening te boeken. Die prestaties worden teruggevorderd door de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend binnen de door de Koning bepaalde termijnen en met alle middelen, de gerechtelijke inbegrepen.

Overeenkomstig artikel 174, al. 1, 7° dient, na een termijn van twee jaar, met ingang van het einde van de maand waarin een prestatie op onrechtmatige wijze door een verzekeringsinstelling betaald is, deze niet meer te worden geboekt in de door artikel 164 bedoelde bijzondere rekening. Overeenkomstig artikel 174, al. 3 gelden de in alinea 1, 5°, 6° en 7° van deze bepaling bedoelde verjaringen niet als het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg is van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekten verantwoordelijk is. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar.

Er bestaat aldus een parallellisme tussen enerzijds de regels inzake de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen of prestaties van de verzekering geneeskundige verzorging en de verplichting tot inschrijving in de bijzondere rekening. Wanneer in de relaties tussen de verzekeringsinstelling en de verzekerde de tweejarige verjaring van toepassing is, dan geldt ook de tweejarige verjaring voor de inschrijving in de bijzondere rekening. Wanneer in relatie tussen verzekeringsinstelling en verzekerde de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is, dan geldt die vijfjarige verjaring ook voor de inschrijving in de bijzondere rekening.

Vermits het hof geoordeeld heeft dat de tweejarige verjaringstermijn van toepassing was in de verhouding tussen de verzekerde en de verzekeringsinstelling, is de tweejarige verjaringstermijn dan ook in huidige betwisting van toepassing in de relatie tussen de Landsbond en het Rijksinstituut. Het betwiste controleverslag dagtekent van 16 juni 2010. De onverschuldigde prestaties, betaald in de periode oktober 2007 tot 31 mei 2008, waren dan verjaard, ook voor de inschrijving op de bijzondere rekening.

8.

Artikel 325 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1976 bepaalt, in uitvoering van artikel 164 van de gecoördineerde wetten, het precieze ogenblik waarop de onverschuldigd betaalde prestaties moeten geboekt worden op de bijzondere rekening, in functie van de wijze waarop de onverschuldigde prestaties zijn vastgesteld geworden. Artikel 326 bepaalt dat na inschrijving op de bijzondere rekening, de prestaties dienen teruggevorderd te worden binnen een termijn van twee jaar. Volgens artikel 327 worden de bedragen van de ten onrechte betaalde prestaties, die nog niet zijn teruggevorderd binnen drie maanden na het aflopen van de termijn bepaald in artikel 326, afgeschreven door ze als administratiekosten te boeken.

Uit de samenlezing van deze bepalingen blijkt dat, wanneer een prestatie niet moet ingeschreven worden op de bijzondere rekening omdat, zoals in casu, de verplichting tot inschrijving op de bijzondere rekening verjaard was, de verplichting tot boeking van de prestaties - die niet moesten teruggevorderd worden - in de administratiekosten ook geen wettelijke grondslag kan vinden in de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 en van het uitvoeringsbesluit van 3 juli 1976. (Cfr. bij analogie Cass. 22.12.2008, S.08.0059.F,Juridat, dat oordeelt dat wanneer, ingevolge de toepassing van het Handvest van de Sociaal Verzekerde, een prestatie niet kan teruggevorderd worden van de sociaal verzekerde, de verzekeringsinstelling ook niet kan verplicht worden om deze prestaties te boeken ten laste van haar administratiekosten.)

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.

Vernietigt de bestreden administratieve beslissing van 16 juni 2010 in zoverre zij de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen oplegt tot terugvordering over te gaan van de onverschuldigd betaalde uitkeringen, waarvoor de tweejarige verjaringstermijn verstreken is.

Veroordeelt de Rijksdienst voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden begroot op 69,56 euro dagvaardingskosten, 240,50 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank en 320,65 euro rechtsplegingsvergoeding voor het hof.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 24 oktober 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING

  • Ziektewetgeving

  • Controle en geschillen

  • Administratieve controle

  • Tenlasteneming van de administratiekosten van onverschuldigde betalingen.