- Arrêt of December 16, 2013

16/12/2013 - 2011/AB/404

Case law

Summary

Samenvatting 1

In beginsel kan de Belgische Staat niet kan aangesproken worden voor de beslissingen van de administratieve commissie binnen de haven van Antwerpen, genomen buiten het kader van zijn wettelijke bevoegdheid tot erkenning van havenarbeiders (cfr. arrest 8 april 2013).

De Belgische Staat kan nochtans wel gehouden zijn voor de beslissingen van de administratieve commissie wanneer hij nooit is opgetreden tegen de overschrijding door de administratieve commissie van zijn bevoegdheden en wanneer de door de Belgische Staat aangestelde ambtenaren, onder hoofding van de Belgische Staat, hun medewerking hebben verleend aan dergelijke beslissingen. Aldus heeft de Belgische Staat een schijn verwekt, waarop de havenarbeiders mochten vertrouwen om te oordelen dat de administratieve commissie optrad als een orgaan van de Belgische Staat en ruimere bevoegdheden had dan deze die de wet haar toekende.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 DECEMBER 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak

Heropening der debatten

In de zaak:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, met burelen gevestigd te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. BOEL loco Mr. B. MERGITS, advocaat te Antwerpen.

Tegen:

1. HET WERKGEVERSVERBOND DER BELGISCHE HAVENS CEPA, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Brouwersvliet 33, bus 7.

2. DE BELGISCHE TRANSPORTARBEIDERSBOND BTB, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Paardenmarkt 66.

3. HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND ACV, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Entrepotplaats 12/14.

4. HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND ACV, met zetel gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579.

5. HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND ACV, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Grasmarkt 105 bus 40.

6. DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE ACLVB, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Londenstraat 25/1 & 2.

7. DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE ACLVB, met zetel gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95.

8. G.V.K., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

9. P.V., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

10. P.V.G., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

11. P.P.*, in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

12. M.D., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

13. R.D.B., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

14. I.B., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

15. R.G., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

16. P.P.**, in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

17. S.L., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

18. G.G., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

19. M.V.*, in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

20. H.L., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

21. M.L.c, in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

22. M.V.**, in haar hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

23. F.J., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

24. I.G., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

25. E.Q., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België ACLVB.

26. P.D.M., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

27. M.D.N., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

28. B.J., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

29. M.C., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

30. S.D.G., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

31. F.V.D.B., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, namens de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België ACLVB.

Geïntimeerden op hoofdberoep en geïntimeerden op incidenteel beroep (1-31), allen vertegenwoordigd door Mr. P. FLAMEY, advocaat te Antwerpen.

32. J.D., .

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. H. SCHYVENS, advocaat te Antwerpen.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Antwerpen op 25 november 2010;

- het arrest van het Hof van Cassatie te Brussel dd. 18 maart 2011 waarbij de zaak onttrokken wordt aan het Arbeidshof te Antwerpen en verwezen naar het Arbeidshof te Brussel;

- het tussenarrest van het hof van 8 april 2013

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 18 november 2013 waarna de debatten gesloten werden en waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer D. werd op 29 mei 1995 erkend als havenarbeider. Hij werd ingedeeld in het contingent van de magazijnarbeiders, zoals dat bestond volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving.

Op 15 juli 2007 behaalde hij, na het volgen van de vereiste opleidingen, met grote onderscheiding een attest "dokautovoerder". Op 12 juli 2007 haalde hij, eveneens met grote onderscheiding, het attest "straddle carrier". Bij beslissing van 16 juli 2007 van de administratieve commissie, ingericht binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen, kreeg hij een erkenning als dokautovoerder. Zulks werd geconcretiseerd door enkele vermeldingen aangebracht in zijn werkboek, met name de vermeldingen :

1. OK als DA vanaf 16/07/07.

2. Contr.DA 16/07/2008.

3. Rijbewijs 16/01/2008".

2.

Bij schrijven van 10 januari 2008 werd de heer D. opgeroepen om op 18 januari 2008 te verschijnen voor de administratieve commissie. Het voorwerp van de oproeping werd als volgt omschreven:

" Erkenning DA: behalen rijbewijs C voor 16/01/2008 + bewijs meebrengen wanneer examen voor het behalen van rijbewijs C plaats heeft".

De heer D. had op dat ogenblik zijn rijbewijs C niet behaald. Hij riep in dat hij als gevolg van financiële problemen nog niet de middelen had om de rijschool te betalen.

Bij beslissing van 18 januari 2008 werd de heer D. door de administratieve commissie teruggeplaatst in de functie ‘havenarbeiders algemeen werk' vanaf 21 januari 2008, met als motivering dat hij niet over het rijbewijs C beschikte en zich evenmin had ingeschreven in een rijschool.

3.

Bij brief van 21 februari 2008 verzocht de heer D., door tussenkomst van zijn raadsman, de administratieve commissie om hem een document toe te zenden, houdende kennisgeving van de administratieve beslissing die ten aanzien van hem genomen werd. Hij vroeg te vermelden welke de beroepsmogelijkheden waren, met de aanduiding van de instantie bij wie het beroep moest worden ingesteld, evenals de geldende vormen en termijnen.

Op dit schrijven werd gereageerd door de heer B.L., voorzitter van het paritair subcomité van de haven en van de administratieve commissie. In dit antwoord vermeldde de heer B.L. dat hij de vraag besproken had met de administratieve commissie, en dat deze bij haar standpunt bleef. De redenen van de beslissing werden verder toegelicht, en kwamen er in essentie op neer dat de heer D. zijn rijbewijs C uiterlijk op 13 januari 2008 had moeten behalen om een verdere of definitieve erkenning als dokautovoerder te bekomen. Op de vraag naar de mededeling van de mogelijkheden van beroep werd niet ingegaan.

In het werkboek van de heer D. werd op 22 februari 2008 de vermelding aangebracht:

"A.C. 22.02.2088 : Beroep tegen de beslissing AV 18.01.2008. Besl. AC 18.1.08 blijft gehandhaafd."

4.

Op 30 april 2008 behaalde de heer D. het rijbewijs C. Hij richtte daarop een mondeling vraag aan de administratieve commissie, of aan één van zijn leden, om in de categorie dokautovoerder hersteld te worden, waarop niet werd ingegaan.

Daarop schreef de raadsman van de heer D. de administratieve commissie aan met de vraag om op zo kort mogelijke termijn een nieuwe beslissing te willen nemen over de rechtspositie van zijn cliënt als dokautovoerder. In dit schrijven werd melding gemaakt van een mondeling voorstel dat door een lid van de administratieve commissie aan de heer D. zou gedaan zijn, waarbij aan de heer D. zijn erkenning als dokautovoerder zou verleend worden indien hij de inmiddels ingeleide procedure zou staken. Op dit schrijven werd, althans niet schriftelijk gereageerd.

Op 23 januari 2009 zond de heer D. een nieuw aangetekend schrijven aan de administratieve commissie, waarbij hij, onder voorbehoud van het resultaat van de procedure die hij ingeleid had (cfr. infra) vroeg dat hem in ieder geval vanaf die datum het statuut van havenarbeider dokautovoerder zou toegekend worden.

5.

Bij verzoekschrift van 28 februari 2008 heeft de heer D. een procedure ingeleid voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen tegen de administratieve commissie bij het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen en tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk.

De heer D. vroeg te horen zeggen voor recht dat hij ook na 21 januari 2008 de rechtspositie van havenarbeider dokautovoerder behouden had en vroeg zijn herstel in die situatie, op straffe van een dwangsom.

In ondergeschikte orde, en bij besluiten, vroeg hij "mede als voorafgaande maatregel om de toestand van partijen voorlopig te regelen" dat hij in zijn rechtspositie van havenarbeider dokautovoerder zou hersteld worden omdat hij inmiddels zijn rijbewijs C behaald had.

Bij vonnis van 16 juli 2008 oordeelde de arbeidsrechtbank dat de in het kader van artikel 19, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek gestelde vorderingen niet toelaatbaar waren. Met betrekking tot de vordering gesteld tegen de administratieve commissie oordeelde de rechtbank dat deze geen rechtspersoonlijkheid had en aldus niet als verweerder in het geschil voor de arbeidsrechtbank kon betrokken worden. De rechtbank voerde daaraan toe dat de omstandigheid dat de administratieve commissie geen rechtspersoonlijkheid had niet belette dat de heer D. een vordering kon instellen, vermits een feitelijke vereniging steeds in rechte kan aangesproken worden door de dagvaarding van het geheel van zijn leden. Met betrekking tot de vordering tegen de Belgische Staat oordeelde de rechtbank dat de genomen beslissing niet kon gekaderd worden in de specifieke bevoegdheden die door de wet aan de administratieve commissie waren toegekend, maar dat deze laatste gehandeld had op grond van een conventioneel toegewezen bevoegdheid. Aan de in dit kader tot stand gekomen beslissing had de Belgische Staat niet deelgenomen en kon het paritair comité, of de administratieve commissie, niet beschouwd worden als een orgaan van de Belgische Staat. Ook ten aanzien van de Belgische Staat werd de vordering dus niet toelaatbaar verklaard.

6.

Bij verzoekschrift van 10 november 2008, neergelegd in toepassing van artikel 1034 bis van het Gerechtelijk Wetboek heeft de heer D. zijn vordering opnieuw ingesteld. De vordering werd ditmaal gericht tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in het paritair subcomité voor de havenarbeiders en tegen de effectieve en plaatsvervangende leden van de administratieve commissie bij het paritair subcomité.

De vordering had hetzelfde voorwerp als de vordering die ingeleid was door het oorspronkelijk verzoekschrift.

Bij exploot van 9 december 2008 hebben de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in het paritair subcomité voor de havenarbeiders en de effectieve en plaatsvervangende leden van de administratieve commissie derdenverzet aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. Dit derdenverzet steunde hierop dat de leden van de administratieve commissie van oordeel waren dat zij opgetreden waren in toepassing van artikel 38, 4e lid van de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités, en dat zij een beslissing hadden genomen die hen was opgedragen door de wet, meer bepaald de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid. Aldus waren zij, in hun overtuiging, opgetreden als een orgaan van de Belgische Staat en waren de door hen gestelde bestuursdaden rechtstreeks aanrekenbaar aan de Belgische Staat.

7.

Bij vonnis van 25 november 2010 deed de arbeidsrechtbank uitspraak over het derdenverzet en over de nieuwe vordering van de heer D.

De vordering werd gegrond verklaard ten aanzien van de Belgische Staat, maar ongegrond ten aanzien van de administratieve commissie, zijn leden en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.

De beslissing, genomen door de administratieve commissie van de haven van Antwerpen van 18 januari 2008 en bevestigd tijdens de zitting van 22 januari 2008 werd vernietigd, en er werd voor recht gezegd dat de heer D., ook na 21 januari 2008 de rechtspositie had behouden van havenarbeider dokautovoerder. De Belgische Staat werd veroordeeld om, binnen de maand na de betekening van het vonnis en op straffe van een dwangsom van 500 euro per maand, het werkboek en de erkenning van de heer D. als havenarbeider en de daarin gehanteerde code aan te passen met de indeling van de heer D. als havenarbeider dokautovoerder, en dit met terugwerkende kracht vanaf 21 januari 2008.

De Belgische Staat werd verder veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1 euro .

8.

Bij verzoekschrift van 15 december 2010 heeft de Belgische Staat beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank van 25 november 2010. Het beroep werd gericht tegen de heer D., tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers vertegenwoordigd in het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen en tegen de leden van de administratieve commissie bij dit subcomité. Het beroep werd niet gericht tegen de administratieve commissie. De heer D. stelde, in ondergeschikte orde, een incidenteel beroep in tegen het vonnis in zoverre de leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers buiten zake werden gesteld.

9.

Bij arrest van 18 maart 2011 heeft het Hof van Cassatie, op vordering van het Openbaar Ministerie bij het arbeidshof te Antwerpen, de zaak onttrokken aan het rechtsgebied van het arbeidshof te Antwerpen en verwezen naar het arbeidshof te Brussel.

Het tussenarrest van 13 april 2013.

10.

Bij tussenarrest van 8 april 2013 heeft het hof het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk verklaard. Ten gronde oordeelde het hof reeds dat, indien weliswaar de administratieve commissie bij de haven van Antwerpen diende beschouwd te worden als een orgaan van de Belgische Staat, in de mate dat zij optrad binnen het kader geschetst door het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van de havenarbeiders, dit niet het geval was wanneer de administratieve commissie een beslissing nam die geen verband hield met de erkenning van de havenarbeiders, maar wel met de uitvoering van een c.a.o. waarin de arbeidsvoorwaarden van de havenarbeiders waren vastgelegd, en meer in het bijzonder wanneer zij een beslissing nam over de erkenning van bepaalde categorieën van havenarbeiders en de overeenstemmende loonvoorwaarden. De Belgische Staat, zo oordeelde het hof, kon in principe niet gebonden zijn door beslissingen genomen door de administratieve commissie, buiten zijn wettelijke bevoegdheid.

Het hof stelde zich echter de vraag of de Belgische Staat niet kon gebonden zijn door een "schijn van bevoegdheid" doordat zij steeds leek aanvaard te hebben dat de administratieve commissie bevoegdheden uitoefende die haar niet door de wet waren toevertrouwd. Vermits partijen over deze vraag geen debat hadden gevoerd, werd de heropening van de debatten bevolen.

11.

Het hof stelde verder de vraag wat de gevolgen zouden zijn van de eventuele aanname van een aansprakelijkheid van de Belgische Staat op basis van een schijn van bevoegdheid. Aan de heer D. werd de vraag gesteld of hij in dat geval zijn, in ondergeschikte orde geformuleerde vordering ten aanzien van de administratieve commissie, vertegenwoordigd door zijn leden en ten aanzien van de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, behield. Verder werd aan de heer D. gevraagd de juridische basis te preciseren van zijn vordering ten aanzien van de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.

12.

Met het oog op een snelle en efficiënte rechtsbedeling stelde het hof reeds een aantal vragen in verband met de grond van de betwisting. Het hof stelde een aantal vragen naar de juridische grondslag van de voorlopige erkenning als dokautovoerder die de heer D. gekregen had op 16 juli 2007 en naar de aard van de ‘proefperiode', die voorzien was. Het hof vroeg ook de voorlegging van de integrale codex van de havenarbeiders.

Verder vroeg het Hof de voorlegging van een aantal documenten, ie nuttig konden zijn bij de beoordeling van het eventuele loonverlies of de schadevergoeding waarop de heer D. zou kunnen aanspraak maken indien zijn vordering ten aanzien van één van de partijen zou gegrond bevonden worden.

II. VERDERE BEOORDELING.

De standpunten der partijen.

1.

Voor wat betreft de vorderingen gesteld voor het hof in graad van beroep, de standpunten van de partijen en de juridische situering van de problematiek van de erkenning van de havenarbeiders en de beroepscategorieën van havenarbeiders verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 13 april 2013, en meer bepaald de randnummers 1 tot 9 onder de "beoordeling".

Kort herhaald was, en is, het standpunt van Belgische Staat dat de vordering niet tegen haar kon gericht worden, omdat de administratieve commissie in de bestreden beslissing niet opgetreden was in het kader van zijn wettelijke bevoegdheden, en daarom niet als een orgaan van de Belgische Staat kon beschouwd worden. De leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers stelden omgekeerd dat zij wel binnen hun wettelijke bevoegdheid handelden, en hun handelen dus wel degelijk aanrekenbaar waren aan de Belgische Staat. De heer D. vroeg in hoofdorde de veroordeling van de Belgische Staat en in ondergeschikte orde de veroordeling van de leden van de administratieve commissie. Hij vorderde de vernietiging van de bestreden beslissing, het herstel van zijn positie als dokautovoerder en een provisionele schadevergoeding van 12.500 euro voor de intussen opgelopen schade. Verder vroeg hij een aantal onderzoeksmaatregelen met het oog op de begroting van zijn juiste schade.

2.

De Belgische Staat stelt, na tussenarrest, dat hem geen schijn van bevoegdheid kan verweten worden. Hij stelt dat een overheid de hem toegewezen bevoegdheden niet kan delegeren, en dat deze bevoegdheid dan ook niet het voorwerp kan uitmaken van een schijndelegatie. Subsidiair stelt de Belgische Staat dat, indien al het bestaan van een schijndelegatie zou aangenomen worden, de heer D. daardoor geen schade geleden heeft, vermits de leden van de administratieve commissie bij de procedure betrokken werden.

De Belgische Staat betwist ook dat hem een foutieve schijn kan aangerekend worden. Hij stelt dat hij in het kader van de procedures die destijds voor de Raad van State werden ingesteld, steeds consequent het standpunt heeft ingenomen dat hij niet kan gehouden zijn voor beslissingen van de administratieve commissie, die geen verband houden met de eigenlijke erkenning van de havenarbeiders. Na de wijziging van het Gerechtelijk Wetboek door de wet van 13 februari 1998 (die de arbeidsrechtbank bevoegd maakte om kennis te nemen van de geschillen over de erkenning van de havenarbeiders), heeft de Directeur-generaal van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen er de verschillende paritaire organen uitdrukkelijk op gewezen dat, wanneer het geschillen betreft met betrekking tot de toepassing van een c.a.o, het de organisaties zijn die de cao toepassen, die dienen op te treden als procespartijen.

Over de grond van de zaak is de Belgische Staat van oordeel dat de bestreden beslissing onterecht was, en dat de erkenning van de heer D. als dokautovoerder niet kon ingetrokken worden omdat hij niet binnen de zes maanden het rijbewijs C behaald had. Volgens de Belgische Staat beschikte de heer D. over een termijn van één jaar. De Belgische Staat spreekt verder ook de leden van de administratieve commissie tegen, wanneer deze voorhouden dat de heer D. nooit een nieuwe aanvraag zou ingediend hebben. Ook oordeelt de Belgische Staat dat de heer D. zijn activiteit van dokautovoerder onmiddellijk opnieuw kan opnemen, onder de enkele voorwaarden dat hij een geneeskundig onderzoek dient te ondergaan en dat de administratieve commissie, in overeenstemming met de codex van de havenarbeiders, de heer D. kan opleggen een nieuwe opleidingscursus te volgen.

3.

De leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers vragen in de eerste plaats dat de samenvattende conclusie na heropening van de debatten van 30 augustus 2013 van de heer D. uit de debatten zouden geweerd worden. De neerlegging van deze samenvattende conclusie zou in strijd zijn met de kalender voor de uitwisseling van conclusies, vastgesteld door het hof in zijn tussenarrest en de rechten van de verdediging schenden. Meer bepaald roepen deze partijen in dat de heer D., volgens de conclusiekalender, de rechtsgrond van zijn vordering ten hunnen aanzien had moeten preciseren in zijn eerste conclusie, teneinde hen toe te laten daarover een nuttig verweer te voeren. Nu werd de argumentatie op dit punt slechts verwoord in de conclusies van 30 augustus 2013, zodanig dat daarover geen behoorlijk verweer kan gevoerd worden. De leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers roepen verder de exceptio obscuri libelli in ten aanzien van de conclusies van de heer D., in zoverre daaruit niet kan begrepen worden welk de juridische grondslag is van de uitbreiding van de vordering ten aanzien van de leden van de administratieve commissie in persoonlijke naam. Verder stellen zij dat de heer D., door hun persoonlijke veroordeling te vragen, zijn vordering op een onwettelijke wijze uitgebreid heeft.

Ten gronde stellen de leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in de eerste plaats dat geen enkele wettelijke bepaling verhindert dat de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst, aan de administratieve commissie opgericht binnen de haven van Antwerpen, bepaalde bevoegdheden zou verlenen in verband met de uitvoering van de cao. Het zou gaan om een conventionele bevoegdheidstoewijzing. Voor wat betreft de eventuele persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de administratieve commissie, stellen zij dat een dergelijke veroordeling het gehele stelsel van sociaal overleg zou onderuithalen. Minstens zouden de leden aan de administratieve commissie in hun voordeel een verschoonbare dwaling kunnen inroepen, vermits zij er te goeder trouw van uitgingen dat zij aan de administratieve commissie bepaalde bevoegdheden konden toekennen in het kader van de cao op de havenarbeid.

Verder stellen deze partijen dat de bestreden administratieve beslissing van 18 januari 2008 wel degelijk correct was omdat de heer D., door het niet behalen van zijn rijbewijs C binnen de gestelde termijn van zes maanden, het recht verloren had om de functie van dokautovoerder verder uit te oefenen. De heer D. had daarna, na het behalen van zijn rijbewijs een nieuwe aanvraag kunnen indienen om een erkenning als dokautovoerder te bekomen, maar zou dit niet gedaan hebben. Daardoor zou hij zelf aansprakelijk zijn voor de moeilijke situatie waarin hij zich bevindt. Steeds volgens deze partijen zou het hof niet de bevoegdheid hebben om de heer D. in zijn bevoegdheid als dokautovoerder te herstellen. De toekenning van deze veiligheidsfunctie zou immers tot de soevereine appreciatiebevoegdheid behoren van de commissie. De heer D. dient volgens hen, na een nieuwe aanvraag, opnieuw te slagen in de bekwaamheidstesten en moet, vooraleer definitief aangesteld te worden, positief geëvalueerd te worden na zijn proefperiode.

De leden van de administratieve commissies en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers betwisten in ondergeschikte orde de berekeningen van de heer D. in verband met de omvang van zijn schade. Zij stellen dat de heer D. slechts de kans verloren heeft om de functie van dokautovoerder uit te oefenen, en daarom ook slechts een vergoeding kan vorderen, die overeenstemt met het verlies van een kans.

4.

De heer D. betwist dat hij de conclusie-termijnen, vastgelegd door het hof, niet zou gerespecteerd hebben. Hij stelt op de beide vragen van het hof wel degelijk geantwoord heeft in zijn eerste conclusies. De heer D. wijst er verder op dat hij niet verplicht is de rechtsgrond van zijn vordering te preciseren, zodanig dat enige onduide-lijkheid in de formulering van de rechtsgrond ook niet kan leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering. Hij betwist dat hij een nieuwe vordering zou gesteld hebben.

De heer D. formuleert na het tussenarrest de volgende vorderingen:

(1) de vernietiging van de beslissing van 18 januari 2008 van de administratieve commissie;

(2) de vaststelling dat hij, na 21 januari 2008 de rechtspositie heeft behouden en zal behouden van havenarbeider dokautovoerder, en bijgevolg de veroordeling van de Belgische Staat, van de leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, solidair of in solidum, om hem opnieuw in staat te stellen om ongestoord zijn taken uit te voeren als havenarbeider dokautovoerder, daaronder begrepen taken als havenarbeider, dokautovoerder speciale tuigen (meer bepaald een "straddle carrier"), onder dwangsom van 2.500 euro per vastgestelde inbreuk, te rekenen vanaf de derde werkdag na betekening van het arrest;

(3) de veroordeling van dezelfde partijen om zijn werkboek en erkenningskaart aan te passen met de vermelding ‘havenarbeider dokautovoerder' en de daarin gehanteerde code, met terugwerkende kracht vanaf 21 januari 2008, minstens vanaf de datum in het arrest te bepalen, dit ook op straffe van een dwangsom van 500 euro per begonnen etmaal vertraging;

(4) de veroordeling van dezelfde partijen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 120.500 euro , vermeerderd met de vergoedende intresten en de gerechtelijke intresten vanaf 18 januari 2008;

(5) de aanstelling van een deskundige met als opdracht zijn inkomstenverlies exact te berekenen.

De vraag tot wering van uit de debatten van een gedeelte van de conclusies van de heer D..

5.

Terecht houdt de heer D. voor dat het hof hem in zijn tussenarrest niet gevraagd heeft om te besluiten over de juridische grondslag van een vordering tegen de individuele leden van de administratieve commissie (het hof had daarover wel enkele overwegingen geformuleerd) maar enkel de vraag gesteld heeft of hij in zijn vordering tegen de leden van de administratieve commissie, en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers zou volharden in de beschreven hypothese en verder dat hij zou aangeven welk de rechtsgrond was van de vordering tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers. De heer D. heeft op deze vragen uitdrukkelijk geantwoord op pagina 16 en 17 van zijn eerste conclusie van 28 juni 2013. Hij stelt daarin dat hij zijn vordering tegen de leden van de administratieve commissie behoudt, en stelt verder dat de vordering tegen de representatieve organisaties steunt op een aansprakelijkheid voor hun aangestelden, voor hun handelen binnen de administratieve commissie. Hij stelt verder zich te beroepen op de eigen fout van bedoelde organisaties, omdat deze bewust alles in het werk gesteld hebben om te beletten dat hij na 30 april 2008, datum waarop hij zijn rijbewijs bekwam , niet meer in de mogelijkheid zou zijn om zijn functie van dokautovoerder uit oefenen.

De opgelegde conclusiekalender belette de heer D. niet om, na ontvangst van de conclusies van de andere partijen, zijn argumentatie verder te ontwikkelen. Er is dan ook geen enkele reden om de conclusies van 30 augustus 2013 van de heer D. uit de debatten te weren, temeer nu de leden van de administratieve commissie en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, overeenkomstig de vastgelegde conclusietermijnen, nog in de mogelijkheid waren op deze conclusies te antwoorden, hetgeen zij ook gedaan hebben.

De gehoudenheid van de Belgische Staat.

6.

Een overheid kan, zoals private personen, in sommige gevallen gehouden zijn voor een handeling van een orgaan, op basis van een "schijn van bevoegdheid". Ten aanzien van een overheid kan deze gehoudenheid steunen op het beginsel van behoorlijk bestuur, genoemd "het vertrouwensbeginsel" dat inhoudt dat de gerechtvaardigde verwachtingen die door het bestuur bij de rechtsonderhorige zijn gewekt, zo enigszins mogelijk, moeten worden gehonoreerd, op gevaar af om het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in hun bestuur stellen te misleiden (M. Van Damme, " Het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel" in "Beginselen van behoorlijk bestuur", Die Keure 2006, p. 353-354.) In het algemene verbintenissenrecht worden dezelfde principes aanvaard en toegepast, onder de noemer van de vertrouwensleer, die gesteund wordt, hetzij op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid, hetzij op de verplichting verbintenissen te goeder trouw uit te oefenen (cfr. C. Van Ackere, "De vertrouwensleer", in "Bestendig Handboek van Verbintenissenrecht", Deel II, Hoofdstuk III).

Er is dan sprake van een "schijn van bevoegdheid", die in sommige gevallen moet kunnen worden beschermd. Vereist is wel dat de rechtsonderhorige er in redelijkheid is van kunnen uitgaan met het bevoegde bestuursorgaan te maken te hebben. Daarbij speelt, volgens Van Damme, de aard van de toe te passen reglementering een rol in die zin dat, naarmate die reglementering technischer of complexer van aard is, de rechtsonderhorige er sneller mag van uitgaan dat het bestuur het beste geplaatst is om die reglementering te begrijpen en toe te passen, en om zich, wat dat betreft, te betrouwen op het bestuurlijk handelen.

7.

Een havenarbeider heeft in het kader van het bijzonder wettelijk systeem van organisatie van de tewerkstelling in de haven niet het recht om rechtstreeks een arbeidsovereenkomst af te sluiten met een werkgever en daarbij zijn arbeidsvoorwaarden te bedingen. Hij heeft dus ook geen rechtstreekse werkgever die hij kan aanspreken indien de rechten die hij heeft, of die hij denkt te hebben, niet worden nageleefd. Wanneer in het kader van een dergelijke wettelijke organisatie een orgaan, met name de administratieve commissie, wordt opgericht dat wettelijk bevoegd verklaard wordt voor de erkenning van de havenarbeider, en anderzijds datzelfde orgaan door een c.a.o bevoegd wordt verklaard voor de functieclassificatie en de loonsvoorwaarden, dan mag de havenarbeider ervan uitgaan dat een verhaal tegen een beslissing van deze administratieve commissie bij een onafhankelijke rechter mogelijk is en op afdoende wijze georganiseerd wordt. Onverminderd andere rechtsbronnen wordt dit recht in ieder geval gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

8.

In zijn het tussenarrest besliste het hof reeds dat, in tegenstelling met wat de Belgische Staat voor-hield, er geen elementen zijn die er op wijzen dat er binnen de haven van Antwerpen in feite twee onderscheiden administratieve commissies zouden gefunctioneerd hebben, de ene belast met de wettelijke opdracht tot erkenning van de havenarbeiders, en de andere belast met de ‘conventionele' opdracht om de functie-erkenningen, zoals die door de sociale partners in een collectieve arbeidsovereenkomst werden vastgelegd, in de praktijk toe te passen door erkenningen voor deze functies te verlenen of opnieuw in te trekken.

Er werd geen enkel document voorgelegd waaruit zou blijken dat een dergelijke aparte administratieve commissie werd opgericht. Er werd overigens ook niet betwist dat het dezelfde personen waren die, binnen dezelfde vergaderingen, de functies hebben uitgeoefend die door de wet aan de administratieve commissie werden opgelegd, en de functies die volgen uit de invulling in de praktijk van de collectieve arbeidsovereenkomst. Het hof wees erop dat dit ook bevestigd werd door het administratief dossier (stuk 23 van het dossier van de heer D., het dossier dat ook werd toegezonden aan het arbeidsauditoraat), waaruit blijkt dat dezelfde administratieve commissie, steeds onder dezelfde hoofding en met dezelfde referenties, uitnodigingen stuurde en beslissingen nam, zowel met betrekking tot de erkenning van de heer D. als havenarbeider, als met betrekking tot de erkenning van de heer D. als dokautovoerder.

9.

Het hof voegde daar echter aan toe dat opdat de vermenging van bevoegdheden - die (desgevallend) in hoofde van de heer D. het rechtmatig vertrouwen kon opwekken dat de administratieve commissie in de uitoefening van het geheel van zijn opdracht handelde als orgaan van de Belgische Staat, en dat aldus een wettelijk kader bestond dat hem toeliet op te komen tegen een feitelijk of wettelijk onrechtmatig handelen van die commissie - vereist was dat de Belgische Staat op de hoogte was van deze vermenging van bevoegdheden.

Het hof somde een aantal elementen op die in die richting leken te wijzen.

Het eerste element was dat de administratieve commissie wordt voorgezeten door een ambtenaar van de Belgische Staat. Dit blijkt zowel uit de geciteerde wettelijke bepalingen als uit de voorgelegde documenten. Zo werd op het schrijven dat door de raadsman van de heer D. op 21 februari 2008 gericht werd aan de administratieve commissie, en waarbij gevraagd werd om een formele kennisgeving van de beslissing van de administratieve commissie geantwoord door de voorzitter van de administratieve commissie op het briefpapier van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene directie van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen, met zetel te Brussel.

Een ander element was dat, volgens artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004, de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités op de administratieve commissie van toepassing zijn en uit artikel 12 van dit laatste Koninklijk Besluit blijkt dat de secretaris van de commissie ertoe gehouden is de notulen van iedere vergadering binnen de drie dagen aan de voorzitter over te maken ter ondertekening en dat deze laatste de notulen van de vergadering binnen de drie dagen aan de minister moet voorleggen, zodanig dat de bevoegde minister noodzakelijk geïnformeerd was over het feit dat de administratieve commissie andere bevoegdheden op zich nam dan deze die haar door de wet waren toevertrouwd.

Een derde element was dat uit de door de Belgische Staat voorgelegde rechtspraak bleek dat de problematiek met betrekking tot het juiste statuut van de administratieve commissie in het verleden, en minstens sinds 1993, het voorwerp heeft uitgemaakt van diverse betwistingen, onder meer voor de Raad van State, maar ook voor de burgerlijke rechtbanken, waarbij de Raad van State hetzij de Belgische Staat buiten zake stelde, omdat de administratieve commissie niet was opgetreden als orgaan van de Belgische Staat, hetzij zich onbevoegd verklaarde omdat het ging om een betwisting die geen verband hield met de erkenning, maar wel met de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit een collectieve arbeidsovereenkomst.

10.

De Belgische Staat slaagt er niet in, in het kader van heropening van de debatten, de elementen die het hof in zijn tussenarrest opsomde als mogelijke indicaties voor het ontstaan van een schijn van bevoegdheid te weerleggen. De omstandigheid dat de voorzitters van de paritaire comités, en hun secretarissen, enkel de paritaire comités en de daarvan afhangende organen leiden, en zelf geen beslissende stem hebben in deze organen, staat daaraan niet in de weg. Door toe te laten dat de administratieve commissie, ingesteld in het kader van de wet van 1972, zich eveneens inlaat met de uitvoering van de c.a.o.'s, afgesloten binnen de haven en zulks met gebruik van het briefpapier van de F.O.D. Arbeid en Tewerkstelling, kon de Belgische Staat bij iedere havenarbeider het gerechtvaardigde vertrouwen opwekken dat de administratieve commissie, als orgaan van de Belgische Staat, verantwoordelijk is voor de beslissingen die genomen worden over zijn beroepsloopbaan, en bijgevolg ook kan aangesproken worden voor de beslissingen van deze commissie, aan wie geen enkele rechtspersoonlijkheid werd verleend.

Het blijkt niet uit de voorgelegde documenten dat de Belgische Staat, alhoewel hij reeds vele jaren op de hoogte is van het probleem, ooit enig doorslaggevend initiatief genomen heeft om de confusie tussen de administratieve commissie, als orgaan van de Belgische Staat, ingesteld voor de erkenning van havenarbeiders en de administratieve commissie als de facto uitvoerder van de haven c.a.o., te doorbreken. Zulks blijkt met name ook niet uit het schrijven dat door de Belgische Staat aan de paritaire comités gericht werd, naar aanleiding van de totstandkoming van de wet van 13 februari 1998, die de arbeidsrechtbank bevoegd maakte voor de betwistingen over de erkenning van havenarbeiders. De Belgische Staat heeft er zich toe beperkt het probleem te signaleren, maar heeft geen enkel initiatief genomen om de vermenging van bevoegdheden ongedaan te maken of om een wettelijk initiatief te nemen dat het probleem kon oplossen.

Niet overtuigend is de argumentatie van de Belgische Staat, dat hem verantwoordelijk stellen voor bevoegdheidsoverschrijdingen van de administratieve commissie en van de paritaire comités in het algemeen, wanneer deze optreden in het kader van een c.a.o., omwille van het feit dat de briefwisseling ondertekend wordt door de voorzitters, organen van de Belgische Staat, het hele Belgische sociale overlegmodel op de helling zou zetten. Het hof moet zich niet uitspreken over de werking van de paritaire comités in het algemeen, en over de problemen die zich daar kunnen stellen. Het stelt enkel vast dat op het niveau van de administratieve commissie voor de havenarbeiders er een zeer groot probleem is, dat allang bekend is en dat door de Belgische Staat nooit opgelost is geworden. Door toe te laten dat de administratieve commissie onder zijn hoofding beslissingen neemt met betrekking tot de uitvoering van de c.a.o, heeft de Belgische Staat in hoofde van de havenarbeiders het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de administratieve commissie ook voor deze zaken optrad als orgaan van de Belgische Staat. De Belgische Staat had de sociale partners dienen te verplichten een andere structuur op te zetten voor de uitvoering van de c.a.o. Hij had ook maatregelen kunnen voorstellen aan de wetgever om een vorm van rechtspersoonlijkheid te geven aan organen die binnen het kader van een c.a.o. opgericht werden, met het oog op de uitvoering van die c.a.o.

Het hof oordeelt, op basis van de bovenstaande overwegingen dat de administratieve commissie van de haven van Antwerpen, door het gewekte vertrouwen, in deze betwisting moet beschouwd worden als hebbende gehandeld als orgaan van de Belgische Staat. Deze is dan ook aansprakelijk voor de beslissingen van de administratieve commissie. De omstandigheid dat de leden van de administratieve commissie in de procedure betrokken werden, belet niet dat de heer D. een belang blijft hebben om de veroordeling van de Belgische Staat te vorderen.

De rechtsvordering werd, zoals de eerste rechter besliste, terecht ingeleid tegen de Belgische Staat.

De vordering zoals gesteld tegen de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie.

11.

Vermits het hof beslist heeft dat in huidige betwisting de administratieve commissie gehandeld heeft als orgaan van de Belgische Staat - of moet geacht worden behandeld te hebben als orgaan van de Belgische Staat - is de vordering tegen de administratieve commissie als feitelijke vereniging, vertegenwoordigd door zijn leden, zonder voorwerp.

Er zijn onvoldoende redenen om de (solidaire) aansprakelijkheid van de individuele leden van de administratieve commissie vast te stellen. Indien het hof ten zeerste betreurt dat de leden van de administratieve commissie, eerder dan te zoeken naar een oplossing van het geschil, blijkbaar de heer D. hebben willen "straffen" omdat hij niet de geëigende procedure heeft gevolgd bij het indienen van zijn aanvraag (hij diende zijn aanvraag niet in via zijn vakorganisatie, liet zich bijstaan door een advocaat en leidde een procedure in voor de rechtbank), dan kan aangenomen worden dat de individuele leden, bij het nemen van de betwiste beslissing, er in feite steeds van uit gegaan zijn dat zij binnen een vaststaand wettelijk kader handelden. Wellicht moet aangenomen worden dat een aantal leden van de administratieve commissie wel op de hoogte waren van de bevoegdheidsoverschrijding die sinds jaren gebeurde door de administratieve commissie, maar het hof beschikt niet over elementen om deze personen nominatief aan te duiden.

12.

De vordering, geformuleerd tegen de administratieve commissie, vertegenwoordigd door zijn leden, evenals de vordering tegen de leden van de administratieve commissie ten persoonlijke titel en de vordering tegen de representatieve organisaties van werknemers, dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden.

Daarentegen is het noodzakelijk de Centrale der Werkgevers aan de Haven van Antwerpen, Cepa ( verder in die afkorting vermeld) in de zaak te behouden. Het is deze organisatie die de lonen uitbetaalt en is ook degene die de kennis van zaken heeft voor de berekening van de loonachterstallen. Zulks gebeurt zonder vooruit te lopen op de vraag, waarover het hof nog geen uitspraak doet, in welke mate een solidaire veroordeling tegen deze organisatie wordt uitgesproken.

Cepa wordt uitgenodigd meer toelichting te geven over zijn precieze rol in het kader van de bezoldiging van de havenarbeiders.

Het recht van de heer D. op het statuut van havenarbeider dokuitvoerder.

14.

Overeenkomstig artikel 171 van de c.a.o. van 6 december 2004, gesloten in het nationaal paritair subcomité van de haven van Antwerpen betreffende de lonen en arbeidsvoorwaarden van de havenarbeiders van het algemeen contingent , genaamd ‘codex algemeen contingent' , zoals van toepassing op 1 juli 2007 (stuk 26 Belgische Staat) moeten de kandidaten, om ingedeeld te worden in de beroepscategorie dokautovoerder, voldoen aan de volgende voorwaarden:

(a) minstens zes maanden erkend zijn als havenarbeider van rang A;

(b) met goed gevolg een psychotechnische proef afleggenen als DA (dokautovoerder);

(c) door de arbeidsgeneeskundige dienst medisch geschikt verklaard worden als DA;

(d) in het bezit zijn van een rijbewijs CE;

(e) bereid zijn ingedeeld te worden bij de tweede aanwervingzitting;

(g) binnen de 12 maanden na het einde van de cursus de erkenning als de DA opvragen.

De erkenning als dokautovoerder, of dokautovoerder-kraanman, wordt verleend na een proefperiode van zes maanden.

14.

Op de vergadering van het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen van 18 juni 2007 werd aan de vergadering kennis gegeven van een nieuwe regeling dokautovoerder, als volgt geformuleerd (stuk 1 administratieve commissie) :

" De havenarbeiders die na 1 januari 2006 geslaagd zijn in de DA cursus worden door de administratieve commissie van het paritair subcomité voorlopig erkend als DAC (dokautovoerders voorlopige erkenning) en bekomen de categorie 003 en een speciale erkenningskaart. Ze mogen de taken, voorbehouden aan de beroepencategorie DA, slechts uitvoeren binnen de concessie, zonder gebruik te maken van de openbare weg. Tijdens de voorlopige erkenning kunnen zij de opleiding tot staddle-carrierchauffeur volgen. Zij dienen binnen de zes maanden na deze voorlopige erkenning een rijbewijs C te behalen, waarna zij erkend worden als volwaardige dokautovoerder. Deze nieuwe regeling zal in een eerstvolgende wijziging van de codex algemeen contingent opgenomen worden."

Het verslag van de vergadering van het paritair subcomités vermeldt dat de leden hiervan akte nemen.

Onduidelijk is wie deze "beslissing", waarvan de leden van het paritair subcomité akte nemen, genomen heeft. Evenmin worden de motieven van deze nieuwe regeling toegelicht.

Juridisch dient deze beslissing op dat ogenblik gezien te worden als een eenzijdige werkgeversbeslissing, waarbij deze aanvaardt de categorie dokautovoerder te erkennen, onder gewijzigde en in principe voor de havenarbeiders voordeliger voorwaarden. Het is nu immers, om een voorlopige erkenning te verkrijgen, niet meer vereist dat voorafgaandelijk een rijbewijs CE is behaald. De bestaansreden van deze beslissing is wellicht dat er op dat ogenblik een tekort was aan dokautovoerders en dat men de toegang tot deze categorie heeft willen versoepelen.

15.

De aangekondigde wijziging van de algemene c.a.o. werd uiteindelijk slechts doorgevoerd bij c.a.o van 13 maart 2008, waaraan echter uitwerking werd verleend op 1 juli 2007.

De nieuwe tekst van artikel 171 (alinea 1 tot 3) (stuk 24 Belgische Staat en stuk 2 administratieve commissie) luidt.

" Om voorlopig ingedeeld te worden in de beroepscategorie dokautovoerder moeten de kandidaten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) minstens zes maanden erkend zijn als havenarbeider van rang A;

b) met goed gevolg een psychotechnische proef aflegden als DA;

c) door de arbeidsgeneeskundige dienst medisch geschikt verklaard worden als DA;

d) de cursus voor DA, ingericht door het Opleidingscentrum voor Havenarbeiders, met succes gevolgd hebben;

e) bereid zijn ingedeeld te worden bij de tweede aanwerving.

Om definitief ingedeeld te worden in de beroepscategorie dokautovoerder moeten de kandidaten:

a) in het bezit zijn van een rijbewijs C binnen de zes maanden na de voorlopige indeling in de beroepscategorie DA (een rijbewijs CE is vereist om zich met een trekker met aanhangwagen op de openbare weg te begeven);

b) positief geëvalueerd worden voor wat betreft het aantal gepresteerde taken na een proefperiode van een jaar. In tegengesteld geval kan de administratieve commissie betrokkene terug overplaatsen naar zijn vroegere beroepscategorie."

16.

Op 16 juli 2007 verkreeg de heer D. een voorlopige erkenning als dokautovoerder. Dit werd geconcretiseerd door het aanbrengen van volgende vermelding in zijn werkboek:

"1. OK als DA vanaf 16/07/07.

2. Contr.DA 16/07/2008.

3. Rijbewijs 16/01/2008".

Hij heeft onmiddellijk, dat wordt niet betwist, de taken van dokuitvoerder uitgevoerd, maar behaalde niet binnen de 6 maanden het rijbewijs C. De administratieve commissie heeft hem daarop op 18 januari 2008 terugplaatst naar de functie havenarbeider algemeen contingent, met de vermelding dat hij het rijbewijs C niet bekomen had en ook niet ingeschreven was in een rijschool.

17.

Partijen zijn het oneens over de precieze gevolgen van het niet behalen van het rijbewijs binnen de zes maanden na de voorlopige erkenning. De heer D. is van oordeel dat het slechts om een "ordemaatregel" gaat en dat het niet behalen van het rijbewijs binnen de termijn van zes maanden niet tot gevolg kan hebben dat de erkenning vervalt. Hij roept in dat hij zijn rijbewijs niet binnen de vereiste periode van zes maanden heeft kunnen halen omdat hij, na een echtscheidingprocedure en stopzetting van een handelszaak die hij tijdelijk uitbaatte binnen een periode van tijdskrediet, financiële moeilijkheden kende, zodat hij de opleiding om te rijden op de openbare weg niet kon volgen. Volgens de Belgische Staat volstond het dat de heer D. zijn rijbewijs behaalde binnen het jaar. Volgens de leden van de administratieve commissie verviel de voorlopige erkenning door het enkele feit dat de heer D. zijn rijbewijs niet behaald had binnen de termijn van 6 maanden. Zij verwijst daarbij naar de tekst van de nieuwe c.a.o. die duidelijk zou zijn en terugwerkend kracht had. De eerste rechter was van oordeel dat uit de vermeldingen in het werkboek " Contr. DA 16/07/2008) blijkt dat de administratieve commissie de heer D. op 16 juli 2007 een voorlopige erkenning had toegekend van 1 jaar, beslissing waarop de commissie niet kon terugkomen, te meer nu de havenarbeiders blijkbaar nooit duidelijk geïnformeerd werden over de nieuwe regels.

18.

De heer D. kan niet gevolgd worden, in zoverre hij zich beroept op een situatie van overmacht. De voorgelegde documenten tonen onvoldoende aan dat hij zich in de absolute onmogelijkheid bevond om de kosten van een rijschool te betalen. Overigens kan een dergelijke onmogelijkheid niet tot gevolg hebben dat een werknemer zou vrijgesteld zijn van de verplichting om het vereiste rijbewijs voor de erkenning in een bepaalde categorie te behalen. De heer D. kan ook niet gevolgd worden in zoverre hij stelt dat de termijn voor het bekomen van een rijbewijs een zuivere ‘ordetermijn' was, waarbij het niet naleven van deze termijn tot geen rechtsgevolgen aanleiding kon geven. De omstandigheid dat uit oproepingsbrief, waarin gevraagd werd het bewijs mee te brengen wanneer het examen voor de rijschool zou plaatsvinden, en ook uit de beslissing, blijkt dat de administratieve commissie ter zake blijk gaf van een zekere souplesse, laat het hof niet toe de voorwaarde, die vastgelegd was voor het behoud van de voorlopige erkenning, terzijde te schuiven.

De beslissing van de administratieve commissie is volgens het Hof gerechtvaardigd in zoverre ze op dat ogenblik vaststelde dat de heer D. niet aan de vereisten voldeed om verder in het kader van een voorlopige erkenning te blijven werken.

19.

De heer D. heeft echter, na de bestreden beslissing, op 30 april 2008 zijn rijbewijs behaald. Hij heeft, zoals blijkt uit de brieven van zijn raadsman, rechtstreeks en daarna door tussenkomst van zijn raadsman, gevraagd om op basis van dit nieuwe gegeven, zijn voorlopige erkenning opnieuw te verwerven. Uit de drie brieven van de raadsman van de heer D. van 8 mei 2008 (stukken 47,48 en 49 van zijn dossier), waarvan de inhoud op geen enkel ogenblik werd tegengesproken, noch op dat ogenblik, noch in het kader van de procedure, blijkt voldoende dat de administratieve commissie kennis genomen heeft van deze nieuwe aanvraag. Zij betwistte als dusdanig de geldigheid van deze aanvraag niet, maar weigerde om het dossier van de heer D. terug te behandelen, zolang deze niet eerst afstand had gedaan van de procedure die hij ingeleid had voor de arbeidsrechtbank. Deze houding van de commissie wordt bevestigd door het antwoord op een nieuw aangetekend schrijven van 23 januari 2009, waarbij medegedeeld wordt dat de administratieve commissie de afhandeling van de procedure voor de rechtbank wenst af te wachten, alvorens de nieuwe aanvraag te onderzoeken.

20.

De geciteerde bepalingen, zowel van de eenzijdige werkgeversbeslissing van 18 juni 2007, als van de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 maart 2008, verzetten er zich niet tegen dat de havenarbeider, die er niet in slaagt zijn rijbewijs te behalen binnen de termijn van 6 maanden, een nieuwe aanvraag tot erkenning indient, van zodra hij aan die voorwaarde voldoet.

Betwisting kan bestaan over de vraag of in dat geval de periode van voorlopige erkenning geschorst wordt, dan wel of een nieuwe voorlopige erkenning begint te lopen, zodanig dat de definitieve erkenning slechts kan verworven worden één jaar na de nieuwe aanvraag.

Gelet op het tijdsverloop dat inmiddels verstreken is, is de beantwoording van deze vraag echter zonder veel belang voor de oplossing van het geschil (cfr infra).

Vaststaand voor het hof is dat de administratieve commissie ten onrechte, en met een klaarblijkelijk misbruik van recht, de vraag van de heer D. om vanaf 2 mei 2008 hersteld te worden in zijn hoedanigheid van dokautovoerder zonder gevolg heeft gelaten. Vaststaande is voor het hof ook dat de heer D. aan alle voorwaarden voldeed om vanaf die datum, in het kader van zijn voorlopige erkenning, zijn functie van dokautovoerder terug uit te oefenen.

21.

De vordering van de heer D. tot vernietiging van de beslissing van de administratieve commissie van 18 januari 2008 kan niet gegrond verklaard worden. Daarentegen kan wel voor recht gezegd worden dat de heer D. vanaf 2 mei 2008 de rechtspositie van dokautovoerder, met de bijzondere bevoegdheid tot het besturen van een "straddle carrier" behouden heeft of opnieuw verworven heeft, althans in het kader van een voorlopige erkenning.

22.

Voor de verdere beoordeling van de vorderingen van de heer D. dient in de eerste plaats onderzocht te worden wat het gevolg is van het feit dat deze, als gevolg van de weigering van de administratieve commissie om hem in zijn functie te bevestigen of te herstellen vanaf 2 mei 2008, nooit het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve aanstelling, na afloop van de proefperiode.

De heer D. kon, vanaf 16 juli 2008, of eventueel vanaf een datum die rekening hield met het feit dat zijn proefperiode ‘onderbroken' werd, aanspraak maken op een definitieve erkenning, op voorwaarde dat hij "positief geëvalueerd werd voor wat betreft het aantal gepresteerde taken na een proefperiode van een jaar".(artikel 171 havencodex). Vanuit het oogpunt van de definitieve erkenning ging het dus om een opschortende voorwaarde, die wettelijk geacht wordt vervuld te zijn wanneer de schuldenaar, die zich onder voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling van de voorwaarde verhinderd heeft (art. 1178 Burgerlijk Wetboek).

Het is als gevolg van de onterechte weigering van de administratieve commissie om zijn beslissing te herzien op het ogenblik dat de heer D. zijn rijbewijs bekomen had, dat nooit de door artikel 171 van de codex voorziene evaluatie heeft plaatsgevonden.

Het zou onredelijk zijn om op dit ogenblik de definitieve erkenning nog afhankelijk te maken van een beoordeling van de proefperiode, en meer bepaald van een evaluatie van het aantal gepresteerde taken. A fortiori zou het onredelijk zijn om van de heer D. te vragen dat hij een nieuwe, voorlopige, erkenning zou aanvragen. Het wordt overigens niet tegengesproken, en het wordt bevestigd door de voorgelegde loonafrekeningen, dat de heer D. in de periode die zich uitstrekt van 13 juli 2007 tot 31 december 2007, 107 dagen heeft gepresteerd als dokautovoerder op 171 kalenderdagen. Hij werd voor deze dagen vergoed, hetzij als gewone dokautovoerder, hetzij als dokautovoerder, speciale tuigen. Uit de gegevens, voorgebracht door Cepa blijkt verder dat in de maand januari 2008, tot 18 januari 2008, de heer D. 10 dagen als autovoerder presteerde. Het wordt ook niet tegengesproken dat de heer D. tijdens de maanden juli en augustus 2008 (cfr. stuk 53 van zijn dossier), dus nadat zijn erkenning was ingetrokken en na het verloop van de oorspronkelijke proefperiode nog prestaties heeft geleverd als dokautovoerder. Zulks is volgens de leden van de administratieve commissie (p. 27 van hun besluiten) mogelijk in toepassing van artikel 61 van de codex, maar dit neemt niet weg dat aldus impliciet, maar zeker, erkend werd dat bij het beëindigen van zijn proefperiode de heer D. over de nodige vaardigheden beschikte om als dokautovoerder en dokautovoerder, speciale tuigen te functioneren. Het hof oordeelt dan ook dat de heer D. moet geacht worden aan de voorwaarden voor wat betreft het aantal gepresteerde taken te voldoen, om zijn definitieve erkenning te verkrijgen.

De administratieve commissie kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat de definitieve erkenning als dokautovoerder op volledige soevereine wijze door de commissie gebeurt, omdat zulks verband houdt met veiligheidsvoorschriften. De rechter heeft in ieder geval de mogelijkheid om te appreciëren of de voorwaarden voor een definitieve erkenning, zoals vastgelegd in de c.a.o, correct en zonder machtsafwending werden nageleefd. Artikel 171 van de codex voorziet overigens enkel een evaluatie voor wat betreft het aantal gepresteerde taken, en voorziet niet in een andere vorm van evaluatie.

23.

Het kan uiteraard wel zo zijn dat het voor de heer D. noodzakelijk is om, ten einde op dit ogenblik de functie van dokautovoerder te kunnen uitoefenen, zich opnieuw bij te scholen. Wijzigingen kunnen zich immers voorgedaan hebben in het type van voertuigen of in de organisatie van de arbeid. Permanente bijscholing is overigens een verplichting voor iedere werknemer. Aan de heer D. kan dan ook gevraagd worden om zich bij te scholen, teneinde aan de actuele vereisten van zijn functie te kunnen beantwoorden. Uiteraard zal de heer D. ook het vereiste medisch onderzoek dienen te ondergaan bij de arbeidsgeneeskundige dienst om te zien of hij op medisch vlak nog bekwaam is om deze functie uitoefenen.

Van de heer D. kan echter niet gevraagd worden dat hij opnieuw de volledige opleidingen zou volgen, die hij gevolgd heeft vooraleer zijn voorlopige erkenning te bekomen.

24.

Het hof beveelt dan ook dat de heer D. in zijn functie van dokautovoerder en dokautovoerder speciale tuigen dient hersteld te worden vanaf 1 februari 2014, onder voorbehoud dat hij het vereiste medisch onderzoek ondergaat, en onder de voorwaarde dat hij aanvaardt de eventueel noodzakelijke bijscholingen te volgen.

Het hof is van oordeel dat het bevel op dit ogenblik niet gesanctioneerd worden met een dwangsom.

Het hof wenst echter wel een zekere controle te kunnen uitoefenen op de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan dit bevel, temeer daar er zich onvoorziene omstandigheden kunnen voordoen, waarmee het hof geen rekening heeft kunnen houden. De zaak wordt daarom in voortzetting gesteld op de in het beschikkend gedeelte van dit arrest voorziene zitting, dit om partijen toe te laten het hof in kennis te stellen van de wijze waarop uitvoering gegeven is aan het arrest, en het hof toe te laten eventuele problemen die zich daarbij gesteld hebben op te lossen. Het hof kan dan ook, wanneer dit noodzakelijk zou zijn, zijn bevel vooralsnog meer afdwingbaar maken door middel van een dwangsom.

Vanaf de datum van 1 februari 2014 dient de heer D. bezoldigd te worden voor de categorie dokautovoerder, en de categorie dokautovoerder, speciale tuigen voor de dagen waarop hij deze laatste toestellen bedient. In dit verband wordt niet bewezen dat, zoals de administratieve commissie in haar besluiten voorhoudt, het recht op het loon, verbonden aan de functie dokautovoerder, speciale tuigen slechts zou verschuldigd zijn na een aanwerving in vast dienstverband door een werkgever. Uit de loonafrekening, voorgelegd door de heer D. voor de periode waarin hij een erkenning had, blijkt dat hij wel degelijk betaald werd als dokautovoerder, speciale tuigen, voor de dagen dat hij deze speciale tuigen bediende.

Het achterstallig loon.

25.

Voor de periode van 2 mei 2008 tot 1 februari 2014 dient de heer D. vergoed te worden voor het loonverlies dat hij geleden heeft doordat hij geen prestaties heeft kunnen leveren als dokautovoerder. De door partijen voorgebrachte documenten leveren vooralsnog geen voldoende basis op om dit loonverlies te berekenen, exact of ex aequo et bono, te berekenen.

Bij zijn voorlopige, provisionele vordering neemt de heer D. drie elementen in aanmerking. Hij vertrekt van het loon dat hij genoot in het jaar 2005, omdat dit volgens hem het laatste jaar was van volledige prestaties. Daarna had hij immers een periode van loopbaanonderbreking genomen heeft. Daarna berekent hij twee zaken. In de eerste plaats berekent hij, in functie van de cijfers voorgebracht door Cepa, hoeveel dokautovoerders meer werkten dan gewone havenarbeiders. Hij stelt immers dat uit de cijfers blijkt dat er bij dokautovoerders minder werkloosheid was dan bij havenarbeiders van het algemeen contingent. In de tweede plaats berekent het loonverschil tussen het loon van een gewone havenarbeider ‘algemeen contingent' en het loon van een dokautovoerder en een dokautovoerder speciale tuigen. Samenvattend stelt hij dat hij, indien hij verder had kunnen werken als dokautovoerder een loon zou gehad hebben dat 50% hoger was dan het loon dat hij 2005 verdiende en vordert hij provisioneel een bedrag gelijk aan 6 x 50% van het brutoloon van het jaar 2005.

Het hof vindt in de besluiten van de heer D., althans tot nog toe, geen voldoende rechtvaardiging voor het feit dat vertrokken wordt van het loon 2005. Prima facie lijkt het meer aangewezen te vertrekken van de werkelijk geleverde prestaties en het werkelijk verdiende loon voor de periode die in betwisting is (2 mei 2008 tot 31 januari 2014), en deze cijfers te vergelijken met het loon waarop hij effectief aanspraak had kunnen maken indien hij in die periode het statuut gehad had van dokautovoerder. Op die manier kan rekening gehouden worden met periodes van ziekte en andere afwezigheden en kan er ook meer rekening gehouden worden met het werkelijk beschikbaar werk in de haven. (Zo kan het niet uitgesloten worden dat er in het jaar 2005 meer beschikbaar werk was dan in de jaren 2008 tot 2014). Dit bedrag kan dan aangepast worden in functie van het gegeven, aangevoerd door de heer D., dat er in de haven meer werk was voor dokautovoerders, dan voor arbeiders van het algemeen contingent (cfr. infra).

Het hof heeft ook twijfels bij de raming van het loonverschil. De heer D. raamt dit op 40%, maar lijkt daarbij telkens uit te gaan van het loonverschil tussen de havenarbeiders van het ‘algemeen contingent' en de ‘dokautovoerder speciale voertuigen'. Uit de loonafrekening die hij voorlegt voor het jaar 2007, blijkt echter dat hij meestal slechts betaald werd - en naar het hof aanneemt, presteerde - als gewone dokautovoerder, en niet als dokautovoerder, speciale voertuigen.

Het loonverschil tussen van de havenarbeider ‘algemeen contingent' en dokautovoerder lijkt op basis van de voorgelegde loontarieven slechts circa 20% te zijn. Volgens artikel 173 van de codex van de havenarbeiders is het loon van de dokautovoerder gelijk aan het loon voor de overeenstemmende shift voor de havenarbeider algemeen werk, verhoogd met 1 overuurloon van een havenarbeider algemeen werk voor de overeenstemmende shift. Volgens de loonfiches, voorgelegd door de heer D., werd in het jaar 2007, na zijn voorlopige erkenning het loon ook op die manier berekend te zijn (bvb. in de maand september 2007 voor de gewone weekprestatie 156,22 euro voor de tweede shift (namiddagshift), hetzij 156,22 euro in plaats van

129,44 euro , wat een verschil uitmaakt van 26,78 euro , dit is het bedrag van het loon voor een overuur . Voor een aantal dagen wordt echter onder de categorie 003 (firma?) 183 euro uitbetaald voor een shift, wat het loon is voor een hogere categorie, naar het hof aanneemt voor de bestuurders van de speciale voertuigen. Voor een meer exacte berekening zou dus moeten geraamd worden welk de verhouding is tussen het aantal prestaties als gewone dokautovoerder en de prestaties als dokautovoerder speciale voertuigen.

Voor wat betreft het feit dat er meer werk is voor dokautovoerders dan voor arbeiders van het algemeen contingent, slaagt het hof er niet in de ramingen van de heer D. juist te situeren (p.77-78 van zijn besluiten). Het hof ziet wel hoe het werkloosheidspercentage en het tewerkstellingpercentage berekend wordt voor de categorie van de havenarbeiders van het algemeen contingent, maar niet hoe de werkloosheidsgraad en de werkzaamheid berekend wordt voor de dokautovoerders. Het lijkt erop dat sommige gegevens, aangebracht door Cepa, bij elkaar opgeteld zijn maar hoe is niet helemaal duidelijk. De andere partijen hebben daarover ook geen gegevens bij gebracht.

26.

Het hof is dan ook van oordeel dat een nieuwe heropening van de debatten dient bevolen te worden teneinde partijen toe te laten daarover nader te besluiten. Het hof is er niet van overtuigd dat de aanstelling van een deskundige zal leiden tot een meer efficiënte en snellere afhandeling van de zaak.

In het kader van heropening van de debatten zal de heer D. in eerste instantie toelichting dienen te geven bij zijn berekeningen, met desgevallend een aantal correcties. In tweede instantie zal Cepa, in functie van deze toelichtingen en in functie van hetgeen het hof heeft beslist, een raming moeten maken van het loon dat de heer D. zou genoten hebben in de betwiste periode van 2 mei 2008 tot 31 januari 2014, dit in eerste instantie in functie van de reële tewerkstelling, zoals die plaatsvond in deze periode. De Belgische Staat en Cepa zullen verder moeten aangeven hoe volgens hen kan berekend worden of de heer D. meer prestaties had kunnen leveren als dokautovoerder, en verder wat volgens hen de normale verhouding is tussen het werk van de dokautovoerder en het werk van de dokautovoerder speciale tuigen. De heer D. zal in functie van deze gegevens een nieuwe afrekening voorleggen, waarop de Belgische Staat en Cepa nog kunnen reageren.

Het hof merkt daarbij op dat voor wat betreft de loonverschillen die met zekerheid kunnen berekend worden het gaat om loonachterstallen, zodat de voorgestelde berekeningen noodzakelijk bruto berekeningen zijn, waarop de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing moeten ingehouden worden. Het (eventuele) tekort dat daaraan moet toegevoegd worden doordat een dokautovoerder meer kan werken, kan niet als achterstallig loon, maar wel alles schadevergoeding toegekend worden, onverminderd de daarop eventueel verschuldigde belastingen.

27.

In functie van de gegevens waarover het hof nu al beschikt, met name het loonverschil dat zich manifesteerde in het jaar 2007 voor de periode waarin de heer D. de erkenning had als dokautovoerder, en verder uitgaande van een bruto maandwedde van 2.000 euro , te verhogen met minimaal 20%, kan van nu af aan een provisionele veroordeling worden toegekend van 25.000 euro bruto.

 

OM DEZE REDENEN,

Het hof,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoofdberoep van de Belgische Staat ongegrond in zoverre het er toe strekt de oorspronkelijke vordering onontvankelijk te zien verklaren.

Verklaart het incidenteel beroep ongegrond in zoverre het gericht is tegen de leden van de administratieve commissie bij de haven van Antwerpen en de representatieve organisaties van werkgevers en werknemer, vertegenwoordigd in de administratieve commissie. Houdt de beslissing over de gegrondheid van het incidenteel beroep, in zoverre het gericht is tegen de Centrale der Werkgevers aan de Haven van Antwerpen aan.

Zegt voor recht dat de heer D. vanaf 1 februari 2014 hersteld moet worden in zijn functie van havenarbeider dokautovoerder, met bevoegdheid tot het besturen van speciale tuigen, en aanspraak kan maken op het overeenstemmende loon, onder voorbehoud dat hij het vereiste medisch onderzoek opnieuw dient te ondergaan en op voorwaarde dat hij zich bereid toont de bijkomende scholingen, die zijn werkgever noodzakelijk acht, te goeder trouw te volgen. Veroordeelt de Belgische Staat tot de uitvoering van het arrest op dit punt.

Heropent de debatten teneinde na te gaan op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het arrest van het arbeidshof en teneinde het hof toe te laten eventuele problemen die zich zouden stellen bij de uitvoering van het arrest te beslechten.

Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling, ten provisionele titel, van de som van 25.000 euro bruto als achterstallig loon, te verhogen met de wettelijke intresten vanaf de gemiddelde datum van 1 mei 2011.

Heropent de debatten teneinde de partijen toe te laten de inlichtingen bij te brengen en de berekeningen op te stellen, zoals bepaald onder randnummer 25 van de overwegingen en de Centrale der Werkgevers van de Haven van Antwerpen toe te laten om verder standpunt in te nemen ten aanzien van de vordering in zoverre ze tegen haar gericht is.

Bepaalt de conclusietermijnen als volgt:

1.

De heer D. zal in eerste instantie de onder randnummer 25 van de overwegingen gevraagde toelichting bij zijn vordering geven, dit uiterlijk op 14 februari 2014.

2.

De Belgische Staat en de Centrale der Werkgevers van de Haven van Antwerpen zullen een ontwerp van afrekening voorstellen voor de periode van 2 mei 2008 tot 31 januari 2014, in functie van de werkelijke prestaties van de heer D. in deze periode, volgens het barema toepasselijk voor een dokautovoerder. Beide partijen zullen eveneens hun opmerkingen en eventuele berekeningen voorstellen teneinde het hof toe te laten na te gaan of, en in welke mate, een aanvullende vergoeding verschuldigd is aan de heer D. ingevolge het feit dat in deze periode meer werk voorhanden was voor dokautovoerders en volgens welke verhouding de heer D. de bijzondere prestaties dokautovoerder, speciale tuigen, had kunnen uitvoeren en aan te geven op welke bezoldiging hij daarvoor aanspraak had kunnen maken.

De Belgische Staat en de Centrale der Werkgevers van de Haven van Antwerpen zullen hun afrekening dienen neer te leggen uiterlijk op 15 april 2014.

3.

De heer D. beschikt daarna over een termijn die verstrijkt op 29 mei 2014 om in functie van deze gegevens een vordering te formuleren zowel voor wat betreft het achterstallig loon als voor wat betreft de eventuele schadevergoeding waarop hij nog aanspraak kan maken.

4.

De Belgische Staat en de Centrale der Werkgevers van de Haven van Antwerpen beschikken over een termijn die verstrijkt op 15 juli 2014, teneinde te antwoorden op de afrekening van de heer D..

De zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 22 september 2014 te 13 uur 30' voor de duur van 1 uur, in de zaal 0.6, Poelaertplein 3 te 1000 Brussel;

Houdt de beslissing betreffende de kosten aan.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. F. KENIS: Raadsheer,

S. ALAERTS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

R. VAN CAUWENBERGE : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

S. ALAERTS R. VAN CAUWENBERGE

D. DE RAEDT F. KENIS

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 16 december 2013 door de heer F. KENIS, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT F. KENIS

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT

  • Bestuursrecht

  • Beginselen van behoorlijk bestuur

  • Vertrouwensbeginsel

  • Schijnvertegenwoordiging.