- Arrêt of May 6, 2014

06/05/2014 - 2013/AB/330

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een werknemer ondubbelzinnig haar akkoord betuigt met een afbetalingsvoorstel van de curator op basis van een vonnis en nadien de afsluiting van het faillissement niet betwist, kadert dit akkoord niet in de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis, maar bevestigt het de volledige oplossing van het geschil en dus de berusting in het vonnis.


Arrêt - Integral text

V.R. ,

appellante op hoofdberoep,

geïntimeerde op incidenteel beroep,

vertegenwoordigd door mevrouw VAN SINAY Katrien, gevolmachtigde van het ACLVB, met kantoor te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95.

tegen

VAN DE MIEROP Ilse, in hoedanigheid van curator van het faillissement van COOLCOUPS BVBA, met kantoor te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106,

geïntimeerde op hoofdberoep,

appellante op incidenteel beroep,

vertegenwoordigd door mr. COUDEVILLE Nicolas, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 22 januari 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 11/13513/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 20 maart 2013,

de conclusie voor de appellante,

de conclusies voor de geïntimeerde,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 1 april 2014, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 30 mei 2011 ondertekenden de bvba Coolcoups en mevrouw V.R. een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waardoor mevrouw V.R. met ingang van 1 juni 2011 werd aangeworven als Partner Account Manager.

Deze arbeidsovereenkomst voorzag in een proefperiode van 6 maanden.

2. Op 19 juli 2011 werd deze arbeidsovereenkomst door de werkgever

beëindigd.

3. Op 11 augustus 2011 verzond Coolcoups aan mevrouw V.R. een factuur voor euro 1.212,72 in verband met schade aan het teruggegeven bedrijfsvoertuig en 5 verkeersovertredingen.

4. Op 12 september 2011 bracht Coolcoups dagvaarding uit lastens mevrouw V.R. voor de Vrederechter te Overijse-Zaventem in betaling van deze factuur plus toebehoren.

5. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 15 mei 2012 werd de bvba Coolcoups failliet verklaard en werd mr. Van de Mierop aangesteld als curator.

Mevrouw V.R. deed op 28 juni 2012 aangifte in het bevoorrecht passief van het faillissement voor achterstallig loon, opzeggingsvergoeding en vakantiegeld.

6. Bij vonnis van de vrederechter van 6 oktober 2012 werd de zaak wegens onbevoegdheid verzonden naar de arbeidsrechtbank te Brussel.

Mevrouw V.R. stelde een tegenvordering in betaling van:

loon juli 2011 of euro 1.361,90

opzeggingsvergoeding van euro 588,90

enkelvoudig vakantiegeld of euro 273,20

vermeerderd met intresten en kosten.

7. Bij op grond van art. 747 §2 Ger. W. tegensprekelijk geacht vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 22 januari 2013 werd de hoofdvordering gegrond verklaard ten belope van de hoofdsom van euro 1.212,72, vermeerderd met een schadebeding van

euro 181,90 en conventionele intresten van 15% vanaf 15 dagen na de vervaldag van de factuur en de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet.

De tegenvordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard ten bedrage van euro 659,43 netto.

Na gerechtelijke compensatie werd een saldo van euro 735,19 weerhouden, vermeerderd met kosten. De voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 20 maart 2013, tekende mevrouw V.R. hoger beroep aan tegen dit vonnis en ze vroeg de ongegrond verklaring van de oorspronkelijke vordering ,de gegrond verklaring van haar tegenvordering die ze uitbreidde.

9. Op 7 mei 2013 nam mevrouw V.R. contact op met de curator en ze bereikten een akkoord dat het bestreden vonnis zou worden uitgevoerd met intresten tot die datum doch met aflossing volgens een overeengekomen plan. De conclusietermijnen die voor het arbeidshof werden geacteerd, werden opgeschort tot na de integrale betaling van het verschuldigde bedrag, mits strikte naleving van de betalingstermijnen.

De curator bevestigde deze regeling per e-mail met kopie aan de vakorganisatie van mevrouw V.R.. Mevrouw V.R. antwoordde: Ik ga hiermee akkoord en u mag een dezer de eerste betaling verwachten.

De curator preciseerde nog dat deze regeling met compensatie van hoofd- en tegenvordering inhield dat ze haar vordering niet kon handhaven in het passief.

Na wat e-mails ter herinnering werden de betalingen door mevrouw V.R. volledig uitgevoerd.

Op 22 oktober 2013 vroeg de curator aan de rechtbank van koophandel te Brussel de sluiting van het faillissement.

Nadien ontstond er discussie tussen de volmachtdrager van de vakorganisatie van mevrouw V.R. en de curator over de berusting in het bestreden vonnis door mevrouw V.R..

In het kader hiervan stelde de curator een tegenvordering wegens tergend en roekeloos beroep. In ondergeschikte orde, stelde ze ook incidenteel beroep in met betrekking tot gemaakte deurwaarderskosten.

II. Beoordeling

1. Art. 1044 Ger. W. bepaalt:

Berusten in een beslissing is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.

Voorwaardelijke berusting heeft alleen dan gevolg, indien zij door de tegenpartij is aanvaard.

Art. 1045 voegt daaraan toe:

De berusting kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.

De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gemachtigde.

De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

2. Uit de bewoordingen van art. 1044 Ger. W. - of reeds heeft aangewend - volgt dat na het inleiden van de beroepsprocedure nog kan worden berust in het vonnis van de eerste rechter.

Het is juist dat uit de vrijwillige uitvoering van een bij voorraad uitvoerbaar vonnis op zich niet het vaste en ondubbelzinnige voornemen van instemming met een dergelijke beslissing blijkt.

Nochtans heeft mevrouw V.R. op 7 mei 2013 ondubbelzinnig haar ‘akkoord' betuigd met het afbetalingsvoorstel, geformuleerd door de curator. Dit voorstel hield in dat daardoor haar vordering in het bevoorrecht passief wegviel, zodat hieruit ondubbelzinnig blijkt dat deze regeling een berusting in de beoordeling door de arbeidsrechtbank inhield, waarbij tot gerechtelijke compensatie was beslist.

Bovendien werd het faillissement, rekening houdend met de oplossing van dit geschil, afgesloten zonder dat mevrouw V.R. hiertegen bezwaar opperde. Ze stemde eveneens in met de opschorting van de overeengekomen conclusietermijnen in huidige beroepsprocedure, wat beduidt dat de door haar genegotieerde en uitgevoerde regeling niet werd overeengekomen in het kader van de voorlopige uitvoerbaarheid, maar de volledige oplossing van het geschil beoogde.

De curator heeft de volmachtdrager van de vakorganisatie over elke tussenkomst ingelicht en de vastgestelde conclusietermijnen werden evenmin nageleefd.

Deze elementen en de gegevens aangehaald in randnummer I.9 maken bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten uit waaruit het vaste voornemen van mevrouw V.R. blijkt om in te stemmen met de door de arbeidsrechtbank getroffen beslissing.

3. Gelet op de berusting is het hoger beroep onontvankelijk.

4. Gelet op de berusting na het inleiden van de beroepsprocedure, kan het indienen van het hoger beroep niet als tergend en roekeloos worden beschouwd en is de tegenvordering van de curator ongegrond.

5. Gelet op het incidenteel beroep dat slechts in ondergeschikte orde werd geformuleerd voor zover de berusting niet zou worden aanvaard, is dit zonder voorwerp.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk en het incidenteel beroep zonder voorwerp.

Wijst de tegenvordering wegens tergend en roekeloos beroep af als ongegrond.

Veroordeelt mevrouw V.R. tot de gerechtskosten van het hoger beroep,

Deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 440.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter,

Jan LINDEMANS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Steven MARCHAND, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Jan LINDEMANS, Steven MARCHAND.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 06 mei 2014 door:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • Ger.W. artt. 1044 en 1045

  • Berusting.