- Jugement of January 3, 2013

03/01/2013 - AN79.97.218-12

Case law

Summary

Samenvatting 1

Douane - Indien beklaagden zich beroepen op de strafuitsluitingsgrond van artikel 135, tweede lid, AWDA, en er een transactie is met de te dagvaarden persoon, kan het bewijs niet meer worden geleverd dat de strafuitsluitingsgrond niet voorhanden is. Beklaagden worden ontslagen van rechtsvervolging.

Deelnemingsopzet - Voor misdrijven waarbij voor de hoofddader het moreel bestanddeel onachtzaamheid voldoende is als schuldvorm, is een deelnemer enkel strafrechtelijk aansprakelijk indien hij willens en wetens zijn medewerking heeft verleend aan het misdrijf.


Jugement - Integral text

V O N N I S

datum: 03-01-2013

De Rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, kamer 5C, rechtdoende in correctionele zaken, heeft het volgende vonnis gewezen:

Notitie nummer: AN79.97.218-12

in zake van FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, voorheen HET MINISTERIE VAN FINANCIEN waarvan de burelen gevestigd zijn te Brussel, Wetstraat 14, thans gevestigd te 2060 Antwerpen, Noordstergebouw 10e verd., Ellermanstraat 21 op vervolging en benaarstiging van de Directeur der Douanen en Accijnzen van de provincie Antwerpen, woonstkiezend in zijn burelen te Antwerpen, Kattendijkdok - Oostkaai 22, vertegenwoordigd door Meester P. Van der Straten, advocaat;

en in zake van HET OPENBAAR MINISTERIE

TEGEN:

1. IT. NV

KBO-nr

2. IL. NV

KBO-nr

3. V.L. F.

4. D.P. G.

5. ...

6. J.E.

GEDAAGD OM :

zich als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende:

- hetzij door het wanbedrijf uit te voeren, hetzij door aan de uitvoering rechtstreeks mede te werken, hetzij door welke daad ook, tot de uitvoering zodanige hulp te verlenen, dat het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet kon worden gepleegd, hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, misdadige kuiperijen, of arglistigheden, rechtstreeks tot het misdrijf aan te zetten;

- hetzij door onderrichtingen te geven om het misdrijf te plegen; hetzij door wapens, werktuigen of enig ander middel te verschaffen die tot het wanbedrijf hebben gediend, wetende dat zij daartoe zouden dienen: hetzij door met hun weten, de dader of daders van het wanbedrijf te helpen of bij te staan in de daden die het wanbedrijf hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid;

- hetzij door op het even welke wijze als belanghebbende deel te nemen aan de fraude;

schuldig gemaakt heeft aan:

A. Voor de periode 30 juli 2004 tot 29 december 2006: De frauduleuze invoer in de douane-unie van de Europese Unie van kledij uit China.

Feit 1:

Omzeilen van de door de Europese Commissie opgelegde kwantitatieve invoerbeperkingen door het aangegeven van de goederen onder verkeerde goederenbenaming en tariefpost.

Feit 2:

Ontduiken van invoerrechten en belastingen door het aangeven van de goederen onder een verkeerde goederenbenaming en tariefpost en door aangifte van een te lage douanewaarde.

Feit 3:

Het ontrekken van niet-communautaire goederen aan het douanetoezicht.

Feit 4:

Het voorleggen of doen voorleggen van valse facturen

Feit 5:

Het deelnemen of laten geschieden van smokkelfeiten

B. Voor de periode 16 april 2006 tot 1 november 2006:

Feit 6:

Het schenden van het beroepsgeheim

Transacties

Met de NV Y en haar wettelijke bestuurders, ..., allen opgenomen in het PV van 31 maart 2010, werd overeenkomstig artikel 263 AWDA, in datum van 25 maart 2011 een overeenkomstakte gesloten tot betaling van de in het PV opgenomen bijkomende douaneschulden en BTW en tot betaling van een geldboete.

Met de NV Z werd overeenkomstig artikel 263 AWDA, in datum van 30 augustus 2011 een overeenkomstakte gesloten tot betaling van een geldboete.

Aan gedaagde rechtspersonen werd tevens een aanbod tot minnelijke schikking gedaan overeenkomstig artikel 263 AWDA, doch deze voorstellen werden niet aanvaard. Aangezien de fiscale schulden reeds betaald zijn, werd aan gedaagde rechtspersonen enkel een douaneboete voorgesteld ten bedrage van:

NV IT. : 800.000,00 EUR

NV IL. : 500.000,00 EUR

Omschrijving van de douaneaangiften per boekjaar en per aangever (PV blz 297-352)

...

Overzicht gebruikte valse facturen per aangifte

...

Gezien de stukken van het onderzoek;

Gehoord de Federale Overheidsdienst Financiën in zijn eis, ontwikkeld door meester P. Van Der Straten, advocaat bij de balie te Antwerpen;

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering;

Gehoord de beklaagden in hun middelen van verdediging,

- de eerste en de tweede vertegenwoordigd door meester J. Maes en meester D. Van Belle, advocaat bij de balie te Antwerpen,

- de derde en de zesde bijgestaan door meester K. Heyrman, advocaat bij de balie te Antwerpen,

- de vierde bijgestaan door meester K. Beirnaert, advocaat bij de balie te Brussel en kantoorhoudende te 1050 Brussel, Louizalaan 106,

en

- (de vijfde ...)

...

VOORAFGAAND

1. onvolledig dossier.

Eerste en tweede beklaagde voeren aan dat hun rechten van verdediging zijn geschonden daar de stukken met betrekking tot de transacties die zijn afgesloten met andere betrokkenen bij de feiten, niet in het dossier zijn gevoegd.

De rechtbank stelt vooreerst vast dat een afschrift van de transactieovereenkomst met de NV Y en ... wel is vervat in de stukken van het gerechtelijk onderzoek dat thans bij huidig dossier is gevoegd.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de strafrechtelijke betrokkenheid van beklaagden en de berekening van de boeten dient te gebeuren op grond van de stukken die voortvloeien uit het gevoerde onderzoek naar de feiten en die thans voorliggen, en niet op basis van de documenten waarin de transacties met derden worden geregeld.

De bewering dat transacties die zijn afgesloten met derden na het onderzoek van de feiten, de bewijswaarde van de onderzoeksresultaten kunnen beïnvloeden, overtuigt de rechtbank niet.

Ook de rechtbank heeft enkel kennis van de elementen die in huidig dossier zitten vervat.

Bovendien betreft het afsluiten van een transactie een beslissing van de Adminstratie en heeft de inhoud van de afgesloten transacties met derden geen impact op de huidige soevereine beoordeling door deze rechtbank van de feiten die thans bij haar aanhangig zijn.

De afwezigheid van onderliggende gegevens omtrent het afsluiten van de transacties met anderen dan beklaagden maakt derhalve geen inbreuk uit op de eerlijke behandeling van de zaak voor beklaagden en schendt hun rechten van verdediging niet.

2.partijdigheid onderzoekers

2.1.

Eerste en tweede beklaagde voeren aan dat hun rechten van verdediging zijn geschonden daar de onderzoekers ambtenaren zijn van de Administratie Douane en Accijnzen en aldus onvoldoende waarborgen bieden van objectiviteit en onpartijdigheid.

De onderzoekers zouden meer in het bijzonder een persoonlijk belang hebben bij een ingestelde vervolging, daar aan een bekeurder telkens een beloning wordt toegekend wanneer een boete wordt opgelegd. Terzake wordt door eerste en tweede beklaagde verwezen naar afschriften van interne briefwisseling van de douane.

Vijfde beklaagde sluit zich aan bij deze argumentatie.

Door eerste en tweede beklaagde wordt in dit verband verzocht de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

" Schenden de artikelen 281 tot 283 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (gecoördineerd bij K. B. van 18 juli 1977), al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en artikel 14 van het IVBPR-Verdrag (Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake de burgerrechten en politieke rechten), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in combinatie met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, en maken zij derhalve een schending uit van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat de optredende onderzoekende ambtenaren der douane en accijnzen gelijktijdig zowel een administratief als een strafrechtelijk onderzoek voeren en hierbij een eigen rechtstreeks pecuniair belang, zijnde een bijkomende bezoldiging, nastreven door het voeren van het strafonderzoek in functie van het bekomen van een veroordeling van de verdachte(n), dit bij toepassing van het Besluit van de Regent van 17 augustus 1948 betreffende het dienstjaar waarop sommige uitgaven inzake inbreuken op de douane-en accijnswetten dienen aangerekend, zomede betreffende het toekennen van beloningen inzake opsporing en vaststelling van die inbreuken?"

De rechtbank verwijst vooreerst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof waarbij het niet kennelijk onredelijk wordt geacht om een eigen systeem van strafrechtelijke opsporing en vervolging te ontwikkelen om douanefraude te bestrijden en de vervolging toe te vertrouwen aan een gespecialiseerde administratie, zelfs indien die niet dezelfde onafhankelijkheid heeft alshet openbaar ministerie, gelet op de bijzondere techniciteit en het grensoverschrijdend karakter van deze materie. De vervolging van douanemisdrijven overeenkomstig de artikelen 281 tot en met 283 AWDA berust derhalve op een objectief onderscheidingscriterium. Omdat de geschillen beslecht worden voor de strafrechter, in aanwezigheid van het openbaar ministerie, worden bovendien alle nodige waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid geboden. (cfr arresten nr 192/2004 van 24 november 2004 en nr 40/2005 van 16 februari 2005).

Het Grondwettelijk Hof heeft aldus reeds uitspraak gedaan over de vraag of de artikelen 281 tot 283 AWDA inhoudende een systeem waarbij het onderzoek en de vervolging wordt toevertrouwd aan de douaneadministratie, het gelijkheidsbeginsel schenden.

Wat de voorgelegde brieven betreft waarin melding wordt gemaakt van een beloning voor de bekeurders, stelt de rechtbank vooreerst vast dat deze brieven betrekking hebben op uitgeoefende controles op aangiftes van oktober 2007 en derhalve niet op feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen. Bovendien is duidelijk dat het systeem van beloningen enkel betrekking kan hebben op bekeuringen in het kader van administratieve douane-controles. Het spreekt voor zich en wordt op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat dergelijk systeem in enige mate zou worden toegepast op de opsporingen door speurders van de opsporingsinspectie der douane en accijnzen, die ook in huidig dossier het onderzoek hebben gevoerd.

De rechtbank is dienvolgens van oordeel dat het Grondwettelijk Hof in het verleden reeds uitspraak heeft gedaan over de door eerste en tweede beklaagde opgeworpen prejudiciële vraag. Inzoverre het uitkeren van een beloning als nieuw element in de vraagstelling wordt aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het kennelijk onjuist is om te stellen op grond van de voorliggende stukken dat de opsporingsambtenaren een pecuniair belang zouden hebben bij een veroordeling van beklaagden. De geherfomuleerde vraag mist derhalve feitelijke grondslag en een antwoord is dan ook zonder meer geenszins onontbeerlijk om in huidig dossier uitspraak te doen. Het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag wordt afgewezen.

2.2

Daarnaast voeren eerste en tweede beklaagde aan dat één van de onderzoekers en opstellers van het proces-verbaal van 31 maart 2010, met name fiscaal deskundige ..., in de jaren 1990 tot 1994 tewerkgesteld zou zijn geweest bij NV IT. Aldus is deze onderzoeker niet onpartijdig en dient de strafvordering onontvankelijk te worden verklaard wegens schending van de rechten van verdediging. Minstens dient het proces-verbaal dat mede werd opgesteld door ... uit het dossier te worden verwijderd.

Het eerlijk karakter van een proces moet worden onderzocht, rekening houdend met het hele verloop van de procedure. In huidig dossier konden beklaagden in de loop van de procedure beroep doen op de bijstand van een raadsman en kregen zij ter zitting ook de kans om de door de onderzoekers tegen hen ingebrachte gegevens voor het vonnisgerecht vrij tegen te spreken. Bovendien wordt door eerste en tweede beklaagde nergens concreet melding gemaakt van handelingen of vaststellingen van onderzoeker ... die blijk gaven van enige partijdigheid in positieve of negatieve zin ten aanzien van beklaagden tijdens het onderzoek. Het enkele feit dat één van de onderzoekers meer dan 12 jaar voorafgaand aan het onderzoek tewerkgesteld is geweest bij één van de beklaagden, is op zichzelf onvoldoende om te besluiten tot de onontvankelijkheid van de strafvordering of tot een schending van de rechten van verdediging. De rechtbank is van oordeel dat - alle elementen van het dossier in acht genomen en na onderzoek van de zaak in haar geheel - niet is aangetoond dat hierdoor onherstelbare schade is of kan zijn toegebracht aan het recht van verdediging van beklaagden.

2.3

Vijfde beklaagde voert nog aan dat de onderzoekers elementen à décharge hebben achtergehouden. Zij leggen afschrift van een verhoor voor dat niet in het dossier is gevoegd.

De rechtbank stelt echter vast dat het door beklaagde voorgelegde verhoor een ander PVnummer vermeldt en derhalve klaarblijkelijk is afgelegd in het kader van een ander dossier, mogelijk het onderzoek naar de feiten met betrekking tot BVBA ..., terwijl huidig onderzoek betrekking heeft op de feiten aangaande NV Y.

3.schending van de redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek werd opgestart met een huisvisitatie bij ondermeer de firma NV Y op 9 november 2006. De douaneadministratie heeft onderzoeksdaden gesteld en verhoren gedaan tot november 2009. Bovendien werd op 19 maart 2007 de procureur des Konings belast met de vraag om een onderzoeksrechter aan te stellen teneinde de eventuele betrokkenheid van ambtenaren van Douane en Accijnzen bij de vastgestelde sluikinvoer te onderzoeken. De laatste beschikking tot mededeling dateert van 28 december 2009. Op 12 februari 2010 werd toestemming verleend aan de onderzoekers tot inzage in het gerechtelijk dossier. Het omstandig proces-verbaal dateert van 31 maart 2010. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van enige schending van de redelijke termijn tot op het ogenblik van het opstellen van het proces-verbaal, in tegenstelling tot hetgeen door eerste en tweede beklaagde wordt aangevoerd.

De eindvordering van het openbaar ministerie dateert van 25 mei 2011. Bij beschikking van 16 november 2011 verklaart de Raadkamer de strafvordering deels niet ontvankelijk en ontlast voor het overige de onderzoeksrechter van het onderzoek. Op drie april 2012 wordt door de Minister van Financiën een dagvaarding uitgebracht. De rechtbank is van oordeel dat er tussen de beschikking tot mededeling en het opstellen van het proces-verbaal van 31 maart 2010 enerzijds en de eindvordering van de procureur anderzijds een termijn is verstreken die onverklaarbaar is en geenszins is te wijten aan beklaagden. De redelijke termijn is hierdoor wel overschreden. Eerste en tweede beklaagde maken niet aannemelijk aan de hand van concrete elementen dat, ingevolge het verstrijken van deze termijn, zij hun verdediging niet meer adequaat kunnen voeren, hun rechten van verdediging ernstig en onherstelbaar zijn geschonden en dat een eerlijk proces niet meer mogelijk is. De vernietigde faxen waarnaar eerste en tweede beklaagde verwijzen, waren klaarblijkelijk al niet meer beschikbaar op 3 augustus 2009, een ogenblik waarop er van enige schending van een redelijke termijn nog geen sprake was. Er is aldus geen reden om de strafvordering onontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal bij de eventuele bepaling van de strafmaat wel rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

4.machtigingen tot huisvisitatie - gebrek aan motivatie

Op 9 november 2006 werden huisvisitaties uitgevoerd bij de firma's NV Y en BVBA ... en bij ..., zaakvoerder van deze beide firma's. De onderzoekers waren hiertoe gemachtigd door politierechter Vanhuffel van de Politierechtbank te Mechelen en politierechter Morrens van de Politierechtbank te Antwerpen op 7 november 2006.

Vijfde beklaagde werpt op dat de machtigingen tot huisvisitatie niet zijn gemotiveerd. Derhalve dienen de visitaties en de strafvordering die eruit voortvloeit, nietig te worden verklaard. Hij verwijst in dit verband naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 27 januari 2011.

Artikel 198, §3 AWDA bepaalt dat in de gevallen dat een machtiging van de rechter in de politierechtbank wordt vereist, de schriftelijke aanvraag door een ambtenaar met ten minste de graad van controleur moet worden gedaan en dat deze rechter de aanvraag niet zal weigeren, tenzij er gegronde vermoedens aanwezig zijn dat de visitatie gevorderd wordt zonder genoegzame redenen.

In een arrest nr. 10/2011 van 27 januari 2011 poneert het Grondwettelijk Hof hierover dat deze bepaling de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM, schendt indien deze zo wordt geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende toestemming niet moet worden gemotiveerd, maar dat van een strijdigheid geen sprake is indien derwijze geïnterpreteerd dat de politierechter niet vrijgesteld wordt van de verplichting om de machtiging tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren.

Volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 27 maart 2012 volgt uit dit arrest van het Grondwettelijk Hof dat de door de artikelen 197 en 198, § 3, AWDA bedoelde machtiging tot visitatie van huizen, erven en panden van particulieren uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het Hof is van oordeel dat aan die vereiste is voldaan indien de machtiging, die door haar aard uitsluitend betrekking kan hebben op douane- en accijnsaangelegenheden en bijgevolg steeds een beperkt karakter heeft, vermeldt in het kader van welk onderzoek, voor welke woning en aan welke persoon of personen ze wordt verleend, evenals op een wijze die beknopt mag zijn de reden waarom ze noodzakelijk is.

De voornoemde machtigingen van politierechters Vanhuffel en Morrens beantwoorden derhalve aan alle wettelijke vereisten. De machtiging verwijst op expliciete wijze naar de desbetreffende schriftelijke aanvraag met schriftelijke toelichting van 6 november 2006 van de daartoe bevoegde eerst-aanwezend inspecteur van douane en accijnzen te Antwerpen, opsporingsinspectie, M. S., naar voorgelegde bescheiden, alsmede naar mondeling verstrekte toelichtingen. Omwille van de specifieke, beperkte finaliteit en de eigen aard van dergelijke machtiging tot huiszoeking, kan deze bovendien uitsluitend de toepassing van de douane- en accijnswetgeving beogen. De desbetreffende zoekingen en opsporingen zijn enkel te situeren binnen de autonome opsporings- en vervolgingsbevoegdheden van de douaneadministratie en kunnen dienvolgens slechts plaatsgrijpen binnen de perken van de beperkte wettelijke bevoegdheden op dit punt. De verleende machtigingen vermelden bovendien afdoende in het kader van welk onderzoek, voor welke panden en aan welke personen zij worden verleend. Aldus voorziet de verleende machtiging in een specifieke opdrachtomschrijving die aan de nominatim vernoemde ambtenaren wordt verstrekt op grond van concrete gegevens. Ook de noodzakelijkheid van de maatregel is beantwoord. De politierechter verwijst hiervoor naar de voorgelegde bescheiden, met name de aanvraag tot machtiging met toelichting.

De machtigingen van 7 november 2006 zijn derhalve afdoende gemotiveerd in het licht van artikel 6.1 EVRM en er is bijgevolg geen reden om te besluiten tot de nietigheid ervan.

5. geen bijstand van een advocaat tijdens de verhoren

Vijfde beklaagde voert aan aan dat de strafvordering onontvankelijk is, daar zij geen bijstand heeft gehad van een raadsman bij haar verhoren.

Zoals reeds vermeld, moet, om te oordelen of een zaak eerlijk is behandeld in de zin van artikel 6 van het EVRM, onderzocht worden of de zaak in haar geheel is behandeld in een eerlijk proces. De omstandigheid dat beklaagden werden verhoord zonder bijstand van een advocaat, heeft niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is dat de zaak op eerlijke wijze werd behandeld. Wanneer de verklaringen van de beklaagde door de rechtbank niet als doorslaggevend bewijs worden gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde zich op het ogenblik van het verhoor niet in een kwetsbare positie bevond of aan die positie op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijk karakter van het proces gevrijwaard.

Overeenkomstig de op dat ogenblik geldende wettelijke waarborgen, beantwoordde het verhoor van beklaagde aan de vormvereisten van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering en kon beklaagde in de loop van de procedure beroep doen op diverse tussenkomsten van een raadsman. Beklaagden kregen ook ten volle de gelegenheid om hun verdediging te voeren voor de vonnisrechter. Bovendien wordt nergens melding gemaakt van misbruik of dwang tijdens het verhoor of van een bijzondere kwetsbare positie van beklaagde. Het spreekt bovendien voor zich dat de eigen verklaringen van beklaagde niet als doorslaggevend bewijs zullen worden gebruikt om hun schuld te beoordelen.

Na toetsing van de principes aan het verloop van de procedure en van de verhoren kunnen beklaagden niet geloofwaardig beweren dat het recht van verdediging is miskend of dat zij geen recht hebben gehad op een eerlijk proces. De rechtbank is van oordeel dat geen onherstelbare schade werd toegebracht aan het recht van verdediging van beklaagden.

Vijfde beklaagde werpt tevens als argument op dat ook de voor haar belastende verklaringen van een getuige zonder bijstand van een advocaat zijn afgelegd.

De rechtbank merkt op dat het gebrek aan bijstand van een advocaat van derden bij het afleggen van hun eventueel voor beklaagde belastende verklaringen geenszins de rechten van verdediging of het recht op een eerlijk proces van deze beklaagde kan schenden.

Van een onontvankelijkheid van de strafvordering om deze redenen kan dan ook geen sprake zijn.

6.obscuri libelli

Vijfde beklaagde werpt nog op dat de strafvordering onontvankelijk is wegens onduidelijkheid van de dagvaarding.

De rechtbank stelt vast dat in de dagvaarding een omschrijving wordt gegeven van de feiten die aan beklaagde worden ten laste gelegd en tevens de incriminatieperiode wordt aangeduid waarbinnen de ten laste gelegde feiten zich situeren. Bovendien worden de wetsartikelen vermeld waarop de vervolging is gesteund. De opsomming van feiten in de dagvaarding heeft inderdaad betrekking op alle beklaagden doch op basis van de van beklaagde gevorderde geldboeten en de aanduidingen van het douanekantoor waar de respectievelijke feiten zich hebben voorgedaan, is beklaagde, die bovendien deskundig is in douanezaken, op grond van de dagvaarding zonder meer in staat te begrijpen welke feiten haar worden ten laste gelegd.

De dagvaarding is derhalve om de opgeworpen redenen niet onontvankelijk.

7.onontvankelijkheid van de strafvordering wegens voorgaande beslissing

van de gewestelijk directeur om geen dagvaarding uit te brengen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten die thans voorliggen regelmatig bij haar aanhangig zijn gemaakt door dagvaarding van wege de Minister Van Financiën.

Een eventuele vroegere beslissing van een gewestelijk directeur leidt op generlei wijze tot verval van de strafvordering.

Ook de vaststelling dat met NV Y een transactie werd afgesloten en derhalve door de administratie overeenkomstig artikel 264 AWDA aan het fraude-opzet minstens moet zijn getwijfeld, heeft geen gevolgen voor de behandeling van huidig dossier.

De thans voorliggende feiten zijn regelmatig aanhangig en deze rechtbank heeft hier soeverein over te oordelen, ongeacht de houding van de administratie voorafgaand aan de aanhangigmaking.

TEN GRONDE

1.de feiten

Uit het gevoerde onderzoek van de administratie douane en accijnzen blijkt dat Chinees textiel dat door de NV Y in België werd ingevoerd, aan de douanediensten werd aangegeven aan de hand van onjuiste aankoopfacturen. Op grond van een vergelijking aan de hand van de ordernummers van de facturen die bij de aangifte werden gebruikt, en de gegevens uit de computerbestanden van de firma Y, werd immers vastgesteld dat de omschrijving van de herkomst en de aard van de goederen op de aan de douane aangeboden documenten niet overeenstemmen met de interne gegevens van Y, en dat er voor bepaalde ladingen twee deelfacturen werden opgesteld terwijl er slechts één werd aangeboden aan de douane. Tevens werd emailverkeer aangetroffen in de computers van de NV Y waaruit blijkt dat betreffende het opstellen van de onjuiste facturen afspraken werden gemaakt met de leveranciers, alsmede dat de goederenomschrijvingen soms, enkel voor douanedoeleinden, werden aangevuld met de vermelding 'pu coated' of 'pu coating'. Ook blijkt uit diverse verklaringen in het dossier, ondermeer van ex-werknemers of werknemers van betrokken douane-expediteurs, dat de aangiften inderdaad niet volgens de gebruikelijke regels gebeurden. Aldus konden honderden zendingen worden ingevoerd met ontduiking van de verschuldigde invoerrechten en belastingen en werd tevens de controle op de quotaregeling voor Chinees textiel vermeden.

Eveneens is vastgesteld dat goederen werden onttrokken aan het douanetoezicht. De rechtbank verwijst naar de opsomming van de transporten op pagina 205 tot en met 216 van het PV van 31 maart 2010. Aldus werden ondermeer goederen vanuit Antwerpen met bestemming Lier of Duffel ingeklaard in het douanekantoor te Houdeng, doch, zoals blijkt uit de stukken en uit verklaringen van diverse betrokkenen, werden verschillende van deze goederen niet aangeboden in Houdeng doch rechtstreeks naar de plaats van bestemming gebracht, sommige zelfs op een datum die de inklaring in Houdeng voorafging. Ook, doch in mindere mate, in Vilvoorde werden goederen niet correct ingeklaard. Op deze manier werden aan de goederen een bestemming gegeven die afweek van de uitgestelde douanedocumenten. De verificaties gebeurden regelmatig op monsters die aan de douane werden afgegeven. Aldus was er geen sprake meer van een werkelijke controle. De eigenaar van de goederen wist voorafgaand aan het aanbieden van de goederen voor welke containers het risico op controle onbestaande was.

Het is duidelijk dat een degelijke grootschalige frauduleuze invoer enkel mogelijk is indien de controles en verificaties door de douanediensten niet naar behoren gebeurden of minstens niet voldoende effectief werden uitgevoerd.

2.de tenlasteleggingen

Door het gevoerde onderzoek is aangetoond dat inbreuken werden gepleegd op artikel 231 juncto 220-222 AWDA, met name het omzeilen van kwantitatieve invoerbeperkingen door het niet correct aangeven van de ingevoerde goederen (feit 1), alsmede op artikel 259 AWDA, met name het voorleggen van valse of onjuiste documenten om de douane te bedriegen (feit 4), en op artikel 138 en 139 juncto 202 en 261 AWDA, met name het niet correct aangeven van de goederen waardoor invoerrechten en belastingen worden ontdoken (feit 2).

Feit 3 betreft het, in strijd met artikel 257, §3 AWDA juncto artikelen 220 tot 225 AWDA, onttrekken van niet-communautaire goederen aan het douanetoezicht. Het is duidelijk dat diverse goederen niet volgens de regels werden ingeklaard doch integendeel rechtstreeks naar de plaats van bestemming werden gebracht vooraleer de douaneformaliteiten naar behoren konden vervuld worden. Dit gebeurde diverse malen met tussenkomst van de NV IT. in Vilvoorde en op grote schaal door de NV IL. met de in Houdeng ingeklaarde goederen. De inbreuk op artikel 257, § 3, betreft echter een zelfstandig misdrijf met eigen constitutieve bestanddelen zodat niet elke inbreuk vermeld onder feit 1 automatisch ook een inbreuk op artikel 257, § 3, oplevert. De inbreuken op artikel 257, § 3, zijn opgesomd in het PV van 31 maart 2006, p. 205 ? 216. Overeenkomstig de tekst van de wet kan bovendien enkel sprake zijn van enige inbreuk bij afwezigheid van voorafgaande toelating van de administratie douane en accijnzen, een expliciet constitutief bestanddeel. Uit de documenten en tevens uit de verklaringen van werknemers van eerste beklaagde, waaronder ..., verantwoordelijk voor zeevrachtactiviteiten binnen NV IT., ..., werkneemster van IT. Antwerpen, en ..., werknemer van IT. Vilvoorde, blijkt dat de vroegtijdige overbrenging van de goederen naar hun bestemming vooraleer enige verificatie kon plaatvinden, regelmatig werd toegepast. Nochtans dateert de in het proces-verbaal vermelde vergunning van NV IT. om te werken met een 'vereenvoudiging op bestemming' waardoor de firma bepaalde douane-taken zelf mocht uitvoeren, van begin 2005, dus voorafgaand aan de incriminatieperiode. Van enige voorafgaande toelating in Vilvoorde tijdens de incriminatieperiode is geen enkel spoor in het dossier. Wat de in Houdeng aangegeven zendingen betreft, blijkt uit de elementen in het dossier, waaronder de verklaringen van ..., fiscaal deskundige op het douanekantoor te Houdeng, en van ..., filiaalmanager van de NV IL., dat tijdens de incriminatieperiode, met medewerking van vijfde beklaagde, volgens bijzondere faciliteiten werd gewerkt. Zo verklaarde ... dat stilzwijgend werd toegestaan dat van containers die met dezelfde goederen waren geladen, er slechts één container fysiek werd aangeboden op de site. Door ... werd bevestigd dat aangiften gebeurden zonder dat de goederen fysiek aanwezig waren; er zou voor deze goederen dan telkens een fax zijn gestuurd en een beweerdelijk representatief staal zijn overgemaakt. Vijfde beklaagde houdt vol nooit toelating te hebben gegeven voor een dergelijke werkwijze, behoudens voor een tweetal containers tijdens een vakantieperiode. Rekening houdend met deze elementen is de rechtbank van oordeel dat er ook in Houdeng van een voorafgaande toelating om voor welbepaalde goederen af te wijken van de douanebestemming geen sprake was. De goederen werden op initiatief en naar keuze van NV IL. in feite niet aangeboden bij de douanedienst, die dit over het algemeen wel oogluikend toestond nadat de goederen reeds waren vertrokken. Bovendien bestond er aangaande deze werkwijze wel degelijk ongenoegen bij ..., die de verificaties uitvoerde, en die bij vijfde beklaagde aandrong op het nemen van stalen en weigerde bepaalde IM4-documenten te valideren. De rechtbank stelt aldus vast dat de in het PV opgesomde zendingen werden weggevoerd vooraleer de documenten werden aangezuiverd en dat er van een geldige voorafgaande toelating terzake geen sprake was.

Aan eerste en tweede beklaagde worden hoger vermelde inbreuken, in de dagvaarding benoemd als feiten 1, 2, 3 en 4, ten laste gelegd.

Aan derde, vierde en vijfde beklaagde wordt, naast mededaderschap aan één of meerdere van deze reeds vermelde inbreuken, een inbreuk ten laste gelegd op artikel 322 AWDA, met name het deelnemen aan smokkelfeiten als ambtenaar van de douaneadministratie (feit 5). Derde en zesde beklaagde worden nog vervolgd voor de schending van het beroepsgeheim in strijd met artikel 320, lid 1, juncto 261 AWDA (feit 6).

3.de aansprakelijkheid van beklaagden

De vaststellingen met betrekking tot de door de goederen afgelegde weg en de onjuiste aangiftes worden door geen der in huidig dossier gedagvaarde partijen betwist. Wel wordt betwist dat zij hieraan wetens en willens of door onachtzaamheid hun medewerking zouden hebben verleend.

Door alle partijen wordt gewezen op de zware werkdruk binnen de douanediensten tijdens de incriminatieperiode. Aldus zou een doorgedreven controle van de ingevoerde goederen in werkelijkheid niet meer mogelijk zijn geweest en zouden tussen douanediensten, handelaars en douane-expediteurs afspraken zijn gemaakt omtrent het aanbieden van de goederen zodat een vlottere doorstroming, die om economische redenen noodzakelijk was, mogelijk werd. Dit zou verklaren waarom door partijen werd gehandeld zoals in het dossier is beschreven.

-strafrechtelijke betrokkenheid van NV IT., eerste beklaagde, en NV IL., tweede beklaagde

De materiële betrokkenheid van eerste en tweede beklaagde bij de feiten staat vast op grond van de resultaten van het onderzoek.

Uit de voorliggende gegevens van het dossier blijkt dat eerste en tweede beklaagde als douane-expediteur materieel zijn tussengekomen bij het indienen van onjuiste aangiftes bij de douane waardoor zowel kwantitatieve invoerbeperkingen konden worden omzeild en tevens invoerrechten en belastingen werden ontdoken. Deze onjuiste aangiftes waren gebaseerd op onjuiste facturen van de NV Y.

Uit de beschrijving van de feiten blijkt duidelijk de feitelijke medewerking van eerste en tweede beklaagde bij de inklaring van diverse vrachten op een douanekantoor waar de goederen fysiek nooit zijn gepasseerd. Voor verschillende van de onttrokken vrachten geschiedde de aangifte met tussenkomst van eerste en tweede beklaagde in Houdeng en Vilvoorde, op een ogenblik dat de goederen reeds naar hun uiteindelijke bestemming waren gebracht.

Ook staat vast dat zogenaamde fysieke verificaties door de douane regelmatig gebeurden aan de hand van stalen die werden aangebracht door de douane-expediteur. ..., werknemer IT. in Vilvoorde, bevestigt dit en stelt dat het inderdaad is voorgevallen dat hij of een collega op vraag van de doueanepost een staal van één of andere zending moest brengen voor de verificatie, waarna het monster terug in de container werd gestopt. ..., werknemer van IL., stelt eveneens stalen te hebben gegeven aan de douane. Hij geeft aan deze stalen te hebben ontvangen van de klant NV Y en geeft toe aldus niet 100% zeker te zijn geweest dat de stalen effectief afkomstig waren uit de te controleren container.

Volgens ..., ex-werknemer van NV Y, zouden ... en ... van de NV IT. door hem zijn gecontacteerd met de vraag vanwege de NV Y om de textielquota te omzeilen. Door eerste en tweede beklaagde worden de verklaringen van ... aangeduid als leugenachtig, gelet op een eerdere onenigheid tussen ... en een werknemer van eerste beklaagde. ..., werknemer van IT. Vilvoorde, bevestigt echter dat hij inderdaad in bedekte termen werd aangesproken over de textielquota en over eventuele mogelijkheden tot het omzeilen ervan, in het bijzijn van ... en ..., doch stelt eveneens uitdrukkelijk te hebben gesteld hier niet te willen op ingaan.

Volgens werkneemster ... zou ook ..., afgevaardigd bestuurder van IT. en IL., van deze werkwijze op de hoogte zijn geweest. Dit blijkt ook uit diens verklaring waarin hij stelt dat in samenspraak met de douane naar een werkbaar systeem werd gezocht. Hij houdt wel voor dat de douane telkens aangaf welke containers men wilde verifiëren. Dit wordt niet bevestigd door de objectieve gegevens van het dossier. Tevens verwijst hij naar de traagheid van de werking van de douanediensten om de late inklaring te verklaren. De veelheid van de vastgestelde afwijkingen kan hierdoor echter niet worden verklaard.

Door zaakvoerder ... van transportbedrijf NV ..., die diverse transporten voor de NV Y uitvoerde, werd verklaard dat hij uiteindelijk de samenwerking met Y heeft stopgezet omdat hun eisen steeds verder gingen. Zo dienden goederen al naar de bestemming te worden gebracht terwijl de transitdocumenten slechts nadien werden aangebracht voor inklaring. Wel benadrukt hij dat dit zeker niet voor alle goederen gold die in Houdeng werden ingeklaard. Hij stelt op een gegeven moment naar NV IT. een fax te hebben gestuurd, waarin hij de verantwoordelijkheid afwees voor eventuele problemen die met de douane zouden kunnen ontstaan door het uitvoeren van de hem gegeven instructies.

Voor het weerhouden van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in hoofde van de feitelijke uitvoerders van de feiten 1 en 2 is in de wet geen vorm van opzet bepaald. Aldus dient te worden nagegaan of in hoofde van beklaagde de lichtste strafbare schuldvorm, met name de onachtzaamheid, aanwezig is, en of beklaagde heeft gehandeld als van een normaal voorzichtig douane-expediteur kan worden verwacht.

Voor strafbare deelneming aan feit 3 is, door de aard zelf van het misdrijf, in hoofde van de douane-expediteurs een positieve handeling vereist. Zij kunnen enkel mededader zijn aan het geven van een andere bestemming aan goederen dan deze die is toegelaten, wanneer zij hier welbewust hun medewerking aan verlenen. Zij zijn immers degenen die de documenten opvolgen en kunnen onmogelijk enkel uit onachtzaamheid bij dergelijke feiten zijn betrokken.

Voor feit 4 is, overeenkomstig artikel 259 AWDA, voor de hoofddader een bijzonder opzet vereist, namelijk het opzet de douane te bedriegen. Voor eerste en tweede beklaagde, verdacht als mededaders, dient te worden aangetoond dat zij willens en wetens hun medewerking hebben verleend aan de strafbare feiten.

Beklaagden voeren aan dat zij de invoeraangiften voor de NV Y opstelden in overeenstemming met de gegevens die zij verkregen van de NV Y.

Tevens wordt verwezen naar afspraken die met de plaatselijke douanediensten werden gemaakt om de controles vlot te laten verlopen, ingevolge de werkdruk van deze diensten. Aldus zouden de douanediensten akkoord zijn geweest dat slechts bepaalde containers fysiek ter controle werden aangeboden en dat voor andere containers de fysieke controle gebeurde aan de hand van stalen van de verzonden goederen die door de expediteur ter verificatie werden aangeboden.

Als reden waarom de in te klaren goederen werden afgeleid naar Houdeng, wordt door beklaagden verwezen naar de hogere kost en de langere duur van de controles in Antwerpen. Dat gekozen werd voor Houdeng in plaats van Vilvoorde vloeit volgens beklaagden louter voort uit een reden van interne organisatie van beklaagden. Met name had de NV IT. in Vilvoorde slechts 1 douanedeclarant ter beschikking, terwijl er in Houdeng bij het filiaal NV IL. 3 declaranten de dossiers konden verwerken.

De rechtbank is van oordeel dat beklaagden op een verregaande wijze de NV Y terwille zijn geweest met als feitelijk gevolg dat de controles van de douane op de ingevoerde goederen sterk werden beperkt en aldus inbreuken konden gepleegd worden. Het was een gebruikelijke procedure om stalen te overhandigen aan de douane, die werden aangereikt door de NV Y zonder dat werknemers van beklaagden zelf geverifieerd hadden dat deze wel degelijk uit de te controleren containers afkomstig waren. Er werden vrachten ingeklaard zonder dat de goederen fysiek op de site van de douane werden aangeboden. Goederen mochten herhaaldelijk reeds vertrekken naar de bestemmeling vooraleer de documenten waren aangezuiverd. Beklaagden hebben zich aldus onder druk laten zetten door de NV Y die telkens aangaf dat snel moest worden gehandeld, zonder zich er vragen bij te stellen waarom klaarblijkelijk omzeggens alle vrachten van Y 'hoogdringend' waren. Dit terwijl vanwege de NV Y blijkbaar toch al in het bijzijn van verschillende werknemers van eerste beklaagde een ballonnetje was opgelaten omtrent het omzeilen van textielquota, en terwijl de betrokken transporteur NV ... zich wél ongerust maakte over de gang van zaken en dit aan eerste beklaagde kenbaar maakte. Ook ..., filiaalmanager van tweede beklaagde, zou zich naar eigen zeggen vragen hebben gesteld over de grote hoeveelheid kledij 'pu coated' en zou zijn bezorgdheid terzake hebben gemeld aan eerste beklaagde. Desondanks werd de gebruikte werkwijze van snelle doorvoer met weinig controle gewoon verdergezet. Ook ..., fiscaal deskundige op het douanekantoor te Houdeng, was het duidelijk niet eens met de toegepaste werkwijze. Het is derhalve duidelijk dat eerste en tweede beklaagde in deze niet als een normaal voorzichtig expediteur hebben gehandeld. Het feit dat sommige douaneambtenaren zich blijkbaar bijzonder soepel opstelden met betrekking tot de hen voorgelegde documenten vanwege NV Y doet geen afbreuk aan de eigen verantwoordelijkheid van eerste en tweede beklaagde. De onachtzaamheid is in hunnen hoofde bewezen. Zij zijn derhalve in principe mee strafrechtelijk aansprakelijk voor de feiten 1 en 2 ten belope van het aandeel dat hen in de dagvaarding wordt ten laste gelegd.

Wat feit 3 betreft, staat vast dat eerste en tweede beklaagde actief betrokken waren bij feitelijke transacties van de onttrokken zendingen zonder dat de documenten correct werden aangezuiverd. Aldus hebben beklaagden zelf het initiatief genomen om de goederen te laten inklaren in Houdeng, dit terwijl de localisatie van dit douanekantoor eigenlijk niet strookte met de weg die de goederen naar hun bestemming dienden af te leggen. Klaarblijkelijk werd dan met stilzwijgend akkoord van vijfde beklaagde, de hoogste in graad in het douanekantoor te Houdeng, een soepele werkwijze toegepast waarbij diverse containers niet werden aangeboden aan het douanekantoor doch enkel een fax werd verstuurd. De rechtbank is van oordeel dat eerste en tweede beklaagde zich bewust schuldig hebben gemaakt aan een inbreuk zoals omschreven onder feit 3 voor alle zendingen die zijn opgesomd in het PV van 31 maart 2010, p 205 ? 216, en waarvoor zij als aangever zijn opgetreden. Het is klaar en duidelijk dat het uitblijven van een reactie vanwege de douanediensten op een ogenblik dat de goederen reeds vertrokken waren naar hun uiteindelijke bestemming, niet kan gelden als een voorafgaande toelating vanwege de administratie om voor welbepaalde goederen af te wijken van de in de douanedocumenten voorziene bestemming. Een dergelijk systeem waarbij goederen niet bij de douane worden aangeboden, in combinatie met een systeem van verificatie op door de NV Y zelf aangebrachte stalen, ondergraaft het hele controlesysteem van de douane. Eerste en tweede beklaagde wisten als douane-expediteurs en professionele actoren zonder twijfel dat een dergelijke extreme soepele houding van een douaneambtenaar, waar zij bovendien zelf op hadden aangestuurd, onmogelijk kon overeenstemmen met de geldende regels. Dat de uiteindelijke bedoeling in hoofde van eerste en tweede beklaagde niet was om verboden goederen in te voeren of rechten te ontduiken doch enkel om een snelle verwerking van de dossiers te bekomen en op die manier hun klant de NV Y terwille te zijn, doet niet af aan het willens en wetens plegen van de inbreuk.

Wat feit 4 betreft, staat niet met zekerheid vast dat eerste en tweede beklaagde willens en wetens hebben meegewerkt aan het voorleggen van onjuiste facturen met het oogmerk de douane te bedriegen. Het is niet aangetoond dat de afleiding van de goederen naar Houdeng uitdrukkelijk de bedoeling had om douanecontroles te ontwijken en aldus de weg vrij te maken om inbreuken te plegen of dat eerste en tweede beklaagde op een andere wijze willens en wetens hun medewerking verleenden aan de opgezette fraude. Zij zullen voor feit 4 worden vrijgesproken.

Beklaagden betwisten nog hun aansprakelijkheid door aan te voeren dat het moreel element in hoofde van de rechtspersoon niet is aangetoond. De vaststelling dat de hierboven beschreven manier van handelen niet eenmalig was doch integendeel systematisch werd toegepast, dat de verschillende ondervraagde werknemers alsmede de afgevaardigd bestuurder hiervan op de hoogte waren, dat er ook beleidsbeslissingen werden genomen om de NV Y ter wille te zijn zoals het laten inklaren van verschillende vrachten te Houdeng in een poging om de procedures sneller te laten verlopen, dat de NV Y klaarblijkelijk een bijzonder grote klant was zodat de inklaringen in Vilvoorde dienden te worden uitbesteed aan Houdeng, maakt duidelijk dat de onachtzaamheid wat feiten 1 en 2 betreft en het algemeen opzet wat feit 3 betreft, wel degelijk ook aanwezig was in hoofde van de rechtspersoon en dat de rechtspersoon minstens heeft gedoogd dat de natuurlijke personen handelingen stelden die de feiten hebben mogelijk gemaakt. De feiten kunnen zonder meer aan de rechtspersonen worden toegerekend.

Beklaagden beroepen zich op de strafuitsluitingsgrond van artikel 135 AWDA. Zij voeren aan bij brief van 23 april j.l. de Gewestelijk Directeur der Douane en Accijnzen te hebben aangemaand om NV Y te dagvaarden.

De artikelen 135, tweede lid, en 261/2, 1°, A.W.D.A., die bepalen dat de douane-expediteur, die de instructies van zijn klant voor de douane-aangifte heeft gevolgd, niet strafbaar is wanneer bewezen is dat zijn klant schuldig is aan sluikerij, hebben inderdaad een algemene draagwijdte en omvatten alle douaneverrichtingen die de douane-expediteur op de instructies van zijn klant verricht. Deze strafuitsluitingsgrond geldt echter niet voor de douane-expediteur die mededader of medeplichtige is aan de sluikerij van zijn klant, onder meer wanneer hij namens zijn klant een onjuiste aangifte of enige andere douaneverrichting doet, wetende dat deze onjuist is en hierbij het opzet heeft zijn bewuste medewerking te verlenen aan het douanemisdrijf van zijn klant.

Artikel 135 kan dan ook enkel worden ingeroepen als strafuitsluitingsgrond voor de feiten waarbij eerste en tweede beklaagde zijn betrokken uit onachtzaamheid en waarbij zij inderdaad enkel de instructies van de NV Y hebben gevolgd, niet wetende dat hun klant een misdrijf aan het plegen was. Derhalve kan artikel 135 in huidig dossier enkel worden ingeroepen voor de feiten 1 en 2, waarvoor enkel de onachtzaamheid is weerhouden als moreel bestanddeel.

De rechtbank stelt vast dat in huidig dossier door de Administratie Douane en Accijnzen een transactie werd afgesloten met de NV Y. De rechtbank heeft geen enkele bevoegdheid om de regelmatigheid van deze transactie te beoordelen. Wel moet de rechtbank vaststellen dat door het afsluiten van deze transactie het voor de Administratie niet meer mogelijk is om te voldoen aan de aanmaning van beklaagden om de NV Y voor deze rechtbank te dagvaarden.

Volgens de algemene rechtspraak en rechtsleer komt het, overeenkomstig het vermoeden van onschuld in strafzaken, aan beklaagde enkel toe om een strafuitsluitingsgrond aannemelijk te maken. Het is dan aan de vervolgende partij om aan te tonen dat de strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is.

De transactieregeling met de NV Y ligt niet voor zodat door de rechtbank geen conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de werkelijk schuld van de NV Y aan de feiten 1 en 2. Wel is duidelijk dat de transactieregeling enerzijds de rechtmatigheid van de aangevoerde strafuitsluitingsgrond door eerste de tweede beklaagde ondersteunt doch anderzijds de Administratie Douane en Accijnzen verhindert om gevolg te geven aan de aanmaning van beklaagden om de NV Y te dagvaarden opdat de ingeroepen strafuitsluitingsgrond zou kunnen worden bevestigd of verworpen. Derhalve stelt de rechtbank vast dat eerste en tweede beklaagde de strafuitsluitingsgrond van artikel 135 aannemelijk maken doch de vervolgende partij het bewijs niet levert dat de strafuitsluitingsgrond niet voorhanden is.

Aldus zullen eerste en tweede beklaagde voor feiten 1 en 2 worden ontslagen van rechtsvervolging met toepassing van artikel 135 AWDA.

-strafrechtelijke betrokkenheid van F. V.L., derde beklaagde

Uit de resultaten van het onderzoek door de administratie douane en accijnzen blijkt dat door derde beklaagde in de incriminatieperiode 9 fysieke verificaties werden genoteerd van ladingen die werden ingevoerd door NV Y, en hierbij geen onregelmatigheden werden vastgesteld doch integendeel de aangifte conform werd bevonden, terwijl het vergelijkend onderzoek van de computergegevens van de NV en de aan de douane voorgelegde documenten duidelijk aantoont dat de lading niet overeenstemde met de vermeldingen op de voorgelegde facturen.

Uit een verklaring van een werkneemster van ..., ..., die eveneens is opgetreden als douane-expediteur van de NV Y, blijkt dat door Y systematisch werd aangedrongen op een vrijgave van de goederen voorafgaand aan de aangifte. Meestal werd hiertoe toestemming gegeven door de douanedienst en werd gevraagd om een monster van de aangegeven goederen binnen te brengen. Volgens getuige ... was de toestemming geen probleem gelet op de goede relaties met F. V.L. en L. D.P., derde en vierde beklaagde. ..., voormalig kaaiexpediteur bij ..., stelt dat beklaagde V.L. en beklaagde D.P. alle documenten van de firma Y tekenden zonder controle. De soepelheid van beklaagde V.L. bij het verwerken van de documenten van NV Y werd ook bevestigd door ..., ex-werknemer van NV Y.

Derde beklaagde V.L. zelf geeft toe dat hij soms een verificatie deed op basis van een monster en dat eveneens soms goederen werden vrijgegeven vooraleer de aangifte werd ingediend. Hij verwijst hiervoor naar de werkdruk. De werkdruk van de douanediensten kan mogelijk als verantwoording worden ingeroepen waarom fysieke controles slechts bij een fractie van de aangegeven goederen kon gebeuren. Dit kan echter niet verantwoorden dat herhaaldelijk een verslag werd opgesteld dat een fysieke verificatie was gebeurd en er geen onregelmatigheden werden vastgesteld, terwijl in werkelijkheid de controle niet naar behoren werd uitgevoerd.

Voor de rechtbank is duidelijk dat een dergelijke soepelheid van een douaneambtenaar onverantwoord is en het controlesysteem zonder meer ondergraaft.

Anderzijds stelt de rechtbank vast dat een dergelijke nonchalante werkwijze blijkbaar niet ongebruikelijk was bij de douanediensten. Dit blijkt ook uit de verklaring van ..., collega V.L. en D.P., waarin zij stelt zelf ook stalen te hebben laten overhandigen wegens werkdruk. Zij houdt echter voor dat dit bij haar uitzonderlijk was terwijl dit bij D.P. en V.L. klaarblijkelijk een gebruikelijke manier van werken was. Volgens verschillende getuigen gebeurde het zelfs dat de 'koffiekas' van de douanedienst door klanten werd gespijsd.

De rechtbank verwijst ook nog naar een mail die door ..., zaakvoerder van NV Y, op 26 april 2006 werd verstuurd naar derde en zesde beklaagde en waarin uitdrukkelijk werd vermeld: "Y heeft nooit geknoeid met invoerreechten dat weet je wel!". Aangezien uit de inhoud van deze mail duidelijk blijkt dat het niet de bedoeling was dat derden hier kennis zouden van krijgen, wijst deze zinsnede er op dat derde beklaagde geen weet had van de onder feit 1 en 2 vermelde inbreuken en dat er terzake geen afspraken waren gemaakt tussen ... en derde beklaagde.

Rekening houdend met deze elementen is de rechtbank van oordeel dat weliswaar een duidelijke laksheid en onachtzaamheid bij het uitvoeren van de controles in hoofde van beklaagde V.L. kan worden weerhouden doch niet met zekerheid kan worden gesteld dat beklaagde ervan op de hoogte was dat de NV Y smokkelactiviteiten pleegde of wilde plegen en dat hij hieraan zijn welbewuste medewerking verleende. Hij zal derhalve worden vrijgesproken voor feit 5.

Wat de feiten 1 en 2 betreft, is voor de hoofddader het moreel bestanddeel onachtzaamheid voldoende als schuldvorm. Beklaagde V.L. kan echter , gelet op de in de wet omschreven inbreuken, enkel strafbare deelneming aan de feiten worden verweten. Opdat hij strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden geacht, moet hij derhalve het opzet hebben gehad om aan de omschreven misdrijven zijn medewerking te verlenen. Een deelnemer moet kennis hebben gehad van de fraude. Dergelijk opzet is in hoofde van beklaagde V.L. onvoldoende aangetoond. Beklaagde V.L. zal derhalve ook voor de feiten 1 en 2 worden vrijgesproken.

Wat feit 6 betreft, is duidelijk dat derde beklaagde via mails,waarvan zich een neerslag in het dossier bevindt, aan ... informatie doorgaf omtrent een derde persoon, ..., waartoe hij enkel toegang had als douaneambtenaar. Dat hij deze informatie doorgaf om met de hulp van ... een diepgaande controle voor te bereiden, is weinig geloofwaardig en verantwoordt het doorgeven van de informatie niet. Het is duidelijk dat ... en ... concurrenten waren en dat ... bij derde beklaagde gegevens omtrent zijn concurrent trachtte los te weken en dat derde beklaagde hier welbewust op in ging. Feit 6 is voldoende bewezen in hoofde van derde beklaagde. Aan alle constitutieve bestanddelen van het onder feit 6 omschreven misdrijf is voldaan.

-strafrechtelijke betrokkenheid van vierde beklaagde G. D.P.

Uit de resultaten van het onderzoek door de administratie douane en accijnzen blijkt dat ook door vierde beklaagde tijdens de incriminatieperiode verschillende fysieke verificaties werden gedaan van ladingen die werden ingevoerd door NV Y, en hierbij geen onregelmatigheden werden vastgesteld, terwijl het vergelijkend onderzoek heeft aangetoond dat de lading niet overeenstemde met de vermeldingen op de voorgelegde facturen.

Getuigen ... en ... duiden ook D.P. aan als douaneambtenaar die bereid was de controles zeer soepel te laten verlopen. Ook ... bevestigde dit. Zowel ... als ... spreken van het geven van stalen 'op maat' aan beklaagde als tegenprestatie. Beklaagde voert hierover geen betwisting en geeft toe af en toe eens een kleinigheid te hebben gekregen doch ontkent welbewust te hebben meegewerkt aan smokkel.

De rechtbank stelt op grond van de gegevens van het dossier, ondermeer de verklaringen van ... en V.L., vast dat vijfde beklaagde zich mogelijk nóg soepeler opstelde ten aanzien van ... toen hij goederen aanbood met zijn nieuwe firma ..., en mogelijk op dat ogenblik wel wist dat de goederen niet correct werden aangegeven. Dergelijke medewerking aan smokkelfeiten is echter niet bewezen wat de aangiften van NV Y betreft, die in de dagvaarding worden opgesomd en waarvoor beklaagde in huidig dossier wordt vervolgd.

Derhalve is voor de concrete feiten waarvoor beklaagde thans wordt vervolgd wel ernstige onachtzaamheid bewezen doch geen bewuste medewerking aan smokkel. Onachtzaamheid is echter geen voldoende moreel bestanddeel noch voor het weerhouden van feit 5, noch voor het weerhouden van deelneming aan feit 1. Vierde beklaagde zal worden vrijgesproken.

-strafrechtelijke verantwoordelijkheid van vijfde beklaagde X

...

strafrechtelijke verantwoordelijkheid van beklaagde E.J.

De rechtbank is van oordeel dat de aan zesde beklaagde ten laste gelegde feiten niet zijn bewezen. Het enkele feit dat de communicatie tussen vijfde beklaagde en de zaakvoerder van de NV Y vanuit haar emailadres werd verzonden, dit terwijl vijfde beklaagde haar levensgezel was, is onvoldoende als bewijs van haar betrokkenheid bij de feiten.

Zesde beklaagde zal voor de haar ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

4.de strafmaat

De feiten zijn ernstig.

Eerste en tweede beklaagde stelden zich welwillend op ten aanzien van hun klant en waren bereid hun ogen te sluiten voor onregelmatigheden die zij als professionele actoren hadden moeten opmerken. Bovendien hielpen zij actief mee aan het onttrekken van goederen aan het douanetoezicht door de goederen een bestemming te geven die afweek van de documenten. Op deze manier maakten zij het mee het ontstaan van fraudemechanismen mogelijk met ernstige negatieve gevolgen voor de Schatkist en met concurrentievervalsing voor de handelaars die wel regulier werkten. Eerste en tweede beklaagde doen door hun handelingen het beroep van douane-expediteur, van wie toch een oprechte beroepsernst mag worden verwacht, geen eer aan.

Derde, vierde en ... lieten als verantwoordelijke douaneambtenaren na hun taken naar behoren te vervullen waardoor zij de poort openzetten voor een georganiseerd fraudesysteem. Als douaneambtenaar hebben zij nochtans precies de taak om erop toe te zien dat de fraude wordt vermeden en bestreden. Door hun ernstige nalatigheden heeft de Schatkist veel inkomsten moeten ontberen. Dit is onaanvaardbaar en een slag in het gezicht van elke rechtgeaarde douaneambtenaar.

Bij het bepalen van de straf zal rekening worden gehouden met de omstandigheden waarin de feiten hebben plaatsgevonden en met het aandeel van iedere beklaagde aan de in zijnen hoofde bewezen feiten, alsmede met het gunstig strafrechtelijk verleden van beklaagden. Aldus wordt er rekening mee gehouden dat weliswaar eerste beklaagde voor minder feiten is opgetreden als douane-expediteur dan tweede beklaagde voor de inbreuken onder feit 3, doch dat eerste beklaagde wel het initiatief heeft genomen om tweede beklaagde bij de feiten te betrekken. Daarnaast wordt rekening gehouden met de voordelen die beklaagden voor zichzelf hebben verworven ingevolge de feiten. Aan het aanzienlijk financieel gewin van eerste en tweede beklaagde als rechtstreeks gevolg van hun welwillendheid ten aanzien van hun klant de NV Y kan niet worden getwijfeld. Tevens wordt rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Derde en ... beklaagde vraagt in ondergeschikte orde de opschorting van de uitspraak van de veroordeling in hunnen hoofde uit te spreken. Gelet op de ernst van de feiten en de hoedanigheid van beklaagden, is de opschorting geen gepaste reactie.

Wat de berekening van de hoegrootheid van de op te leggen geldboeten betreft, volstaan de gegevens uit het strafdossier, waarvan een overzicht wordt gegeven op p 205-216 en 353-395 van het PV van 31 maart 2012, om de hoogte van de geldboetes te bepalen.

De waarde van de goederen waarvoor een invoervergunning vereist was, die als basis dient voor de geldboete voor feit 3, betreft met name voor de in hoofde van NV IL. en ... weerhouden feiten 2.084639,65 euro en 6.195.284,63 USD (of 4.708.416,32 euro) = 6.793.055,67 euro, en voor de in hoofde van NV IT. weerhouden feiten 933.014,44 euro en 381.028,24 USD (of 289.581,46 euro) = 1.222.595,90 euro.

De in hoofde van derde en ... beklaagde bewezen feiten vormen de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde strafbaar opzet, zodat slechts één straf zal worden uitgesproken. Uit het bijzonder karakter van de geldboete inzake douane en accijnzen, gelijk aan de verschuldigde rechten of een veelvoud ervan, volgt wel dat de enige geldboete desgevallend berekend moet worden op de som van de door die misdrijven ontdoken rechten.

Gelet op het zakelijk karakter van de geldboete zullen de beklaagden die worden veroordeeld voor inbreuken waaraan dezelfde feiten ten grondslag liggen, solidair tot betaling van de betreffende geldboeten worden veroordeeld.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 162, 185, 191, 194, 195, 282 van het Wetboek van Strafvordering,

artikelen 1, 3, 6, 5, 7 en 7bis van het Strafwetboek,

artikelen 11, 12, 14, 31, 32, 34, 35, 36, 37 en 41 der wet van 15 juni 1935, gewijzigd door de wet van 3 mei 2003;

de verordeningen van de Raad van de ministers nr. 974/98 dd. 3/5/1998 en nr. 1103/97 dd. 17/6/1997 en de wetten van 26/06/2000 en 30/06/2000 betreffende de invoering van de euro,

artikelen 28, 29 der wet van 1 augustus 1985, gewijzigd door de wetten van 24 december 1993 en 22 april 2003, het KB van 19 december 2003 en de programmawet van 27 december 2004, en het KB van 31 oktober 2005;

artikelen 3 en 4 der wet van 17 april 1878,

de artikelen 1382 t.e.m. 1384 van het Burgerlijk Wetboek;

Gelet op: -Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (PB L 302 van 19/10/1992), tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek,

-Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 02 juli 1993 (PB L 253 van 11/10/1993), houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek,

-Verordening (EEG) nr. 2658/93 van de Raad van 23 juli 1987 (PB L 256 van 07/09/1987) met betrekking tot de tarief-en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief,

-Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielprodukten uit derde landen (PB L 275 van 8/11/1993, blz 1)

Gelet op de artikelen 138, 139juncto, 202 §2, 231 juncto 220-225, 227, 229, 230, 248§1, 257 §3 juncto, 259, 261, 265, 266, 277, 281, 283, 311, 320, lid 1 juncto en 322 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen van 18 juli 1977. (AWDA)

en bij toepassing van artikelen 25, 38, 40, 41, 41 bis, 50, 65, 66 en 67 van het Strafwetboek;

Rechtdoende op tegenspraak;

Verklaart de strafvordering ontvankelijk.

Wijst het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag af.

Stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden.

Stelt vast dat de machtigingen tot huisvisitatie regelmatig zijn.

Spreekt NV IT. en NV IL. vrij hoofdens het hen ten laste gelegde feit 4.

Ontslaat NV IT. en NV IL. van rechtsvervolging voor feiten 1 en 2 op grond van artikel 135 AWDA;

Spreekt V.L. F. vrij voor de hem tenlaste gelegde feiten 1, 2 en 5.

Spreekt D.P. G.vrij voor de haar tenlaste gelegde feiten 1 en 5 en stelt haar buiten zake zonder kosten.

Spreekt X ...

Spreekt J.E. vrij voor het haar tenlaste gelegde feit 6 en stelt haar buiten zake zonder kosten.

Veroordeelt NV IT. hoofdens feit 3 tot een geldboete van ÉÉN MILJOEN TWEEHONDERDTWEEËNTWINTIGDUIZEND EN VIJFHONDERDVIJFENNEGENTIG EUR en NEGENTIG cent, zijnde 1 maal de waarde van de goederen waarvoor een invoervergunning vereist was, ter vervanging van de gevangenisstraf.

Aangezien NV IT. vroeger geen enkele veroordeling tot een criminele straf of tot een geldboete van meer dan vierentwintigduizend euro heeft opgelopen;

dat in die omstandigheden een genademaatregel van aard is om de verbetering van deze veroordeelde te doen verhopen;

Beveelt dat bij toepassing en binnen de perken van artikel 8 en 18bis der wet van 29 juni 1964, gewijzigd door artikel 4 van de wet van 10 februari 1994, gewijzigd door artikel 21 van de wet van 4 mei 1999, de tenuitvoerlegging van de geldboete uitgesproken ten laste van NV IT., wordt uitgesteld voor een termijn van drie jaar vanaf heden, uitgezonderd een effectieve geldboete van 300.000 euro.

Veroordeelt NV IL. hoofdens feit 3, solidair met ..., tot een geldboete van ZES MILJOEN ZEVENHONDERDDRIEËNNEGENTIGDUIZEND EN VIJFENVIJFTIG EUR en ZEVENENZESTIG cent, zijnde 1 maal de waarde van de goederen waarvoor een invoervergunning vereist was, ter vervanging van de gevangenisstraf.

Aangezien NV IL. vroeger geen enkele veroordeling tot een criminele straf of tot een geldboete van meer dan vierentwintigduizend euro heeft opgelopen;

dat in die omstandigheden een genademaatregel van aard is om de verbetering van deze veroordeelde te doen verhopen;

Beveelt dat bij toepassing en binnen de perken van artikel 8 en 18bis der wet van 29 juni 1964, gewijzigd door artikel 4 van de wet van 10 februari 1994, gewijzigd door artikel 21 van de wet van 4 mei 1999, de tenuitvoerlegging van de geldboete uitgesproken ten laste van NV IL, wordt uitgesteld voor een termijn van drie jaar vanaf heden, uitgezonderd een effectieve geldboete van 500.000 euro.

Veroordeelt V.L. F. hoofdens het hem tenlaste gelegde feit 6 tot een geldboete van DUIZEND EUR.

Veroordeelt X ...

Verplicht NV IT., NV IL., V.L. F. en ..., als bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, tot het betalen van een bijdrage van elk 25 EUR, bij toepassing van artikel 1 van de wet van 5 maart 1952, gewijzigd door de wet van 28/12/2011, vermeerderd met 50 decimes, en gebracht op ieder 150 EUR.

Verplicht NV IT., NV IL., V.L. F en ..., tot betaling van elk 1/6 van de kosten van het geding belopende voor de Federale Overheidsdienst Financiën op 198,74 EUR in het totaal en voor het Openbaar Ministerie op nihil euro tot op heden en, bij toepassing van artikel 91 van het Koninklijk besluit van 28 december 1950 , tot een vergoeding van elk 50 EUR.

Legt 2/6 van de kosten van het geding ten laste van de Staat.

Bepaalt de duur van de gevangenisstraf waardoor de geldboeten in hoofde van V.L. en ... vervangen kunnen worden , bij gebrek aan betaling binnen een termijn vermeld in artikel 40 van het strafwetboek, op drie maanden voor elke geldboete;

oOOo

Alles wat voorafgaat is, overeenkomstig de bepalingen der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in de Nederlandse taal geschied.

Aldus gewezen door de hiernavermelde rechters die de zaak behandeld hebben en die aan de beraadslaging hebben deelgenomen, en uitgesproken in openbare terechtzitting door de Voorzitter op drie januari tweeduizend en dertien in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie en de griffier.

F. Nackaerts, voorzitter van de kamer, rechter,

H. Eeckeleers rechter,

K. Eugène plaatsvervangend rechter,

substituut-procureur des konings,

J. Soete, griffier.

J. Soete K. Eugène H. Eeckeleers F. Nackaerts

Free keywords

  • Douane

  • artikel 135, tweede lid, en 261/2, 1° AWDA

  • afgesloten transactie

  • schuldopheffingsgrond aannemelijk

  • ontslag rechtsvervolging Deelnemingsopzet

  • voor hoofddader onachtzaamheid vereist

  • strafbare deelneming vereist wetens en willens meewerken