- Jugement of May 24, 2011

24/05/2011 - 09/7101/A

Case law

Summary

Samenvatting 1

Jugement - Integral text

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

25 ste kamer - openbare zitting van 24 MEI 2011

VONNIS

A.R.. nr 09/7101A

Arbeidsovereenkomst arbeider Aud. nr

Rép. nr 011/11543

IN DE ZAAK :

K,

eisende partij, vertegenwoordigd door Mter Valerie Schippers loco Mter Etienne Piret, advocaat te 1000 Brussel, Antoine Dansaertstraat, 92;

TEGEN :

De NV FLIGHTCARE BELGIUM,

met zetel gevestigd te 1830 Machelen, Brucargo, Gebouw 704, bus 22, KBO nr. 0477.051.641,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Mter Arnout Crauwels, advocaat te 1160 Brussel, Vorstlaan, 280;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,

Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek,

I. Procedure

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

§ het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 mei 2009;

§ de conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 20 oktober 2009;

§ de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 2 december 2009;

§ de aanvullende syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 28 januari 2010;

§ het vonnis heropening der debatten dd. 22 juni 2010;

§ de conclusies na heropening der debatten van eisende partij dd. 30 augustus 2010:

§ de conclusies na heropening der debatten van verwerende partij dd. 27 december 2010;

§ en van de dossiers van partijen.

De verzoeningspoging ter zitting van 5 april 2011 mislukte.

De partijen hebben gepleit op voornoemde zitting, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd.

II. De vordering

Eiser werd op 23 juni 2008 om dringende reden ontslagen. Hij vordert:

· 1.794,30 euro ten titel van compenserende opzeggingsvergoeding,

· 11.663 euro ten titel van vergoeding wegens onrechtmatig ontslag (artikel 63 van de wet van 3 juli 1978),

te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 23 juni 2008 en de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van het inleidend verzoekschrift en de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

De vordering strekt tevens tot afgifte van een gewijzigde en een aangepaste afrekening waarin rekening wordt gehouden met het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis.

De vordering strekt er tenslotte toe het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.

III. De feiten.

Op 23 juni 2008 zond verweerster volgende brief met ontslag wegens dringende redenen:

" Geachte Heer,

Op donderdag 19 juni 2008 vond de installatievergadering plaats van het vernieuwde Comité voor preventie en bescherming op het werk.

U was geen kandidaat voor enige taak als personeelsvertegenwoordiger tijdens de sociale verkiezingen die dit jaar plaatsvonden. Uw mandaat als personeelsvertegenwoordiger is dan ook ten einde gekomen.

Zoals u wellicht weet, voorziet de wetgeving dat op dat tijdstip voor u de ontslagbescherming ingevolge de Wet van 19 maart 1991 een definitief einde neemt. Als gevolg hiervan is de procedure die momenteel hangende is voor de Arbeidsrechtbank van Brussel met het oog op het bekomen van de toelating om u te ontslaan wegens dringende reden, zoals uiteengezet in onze aangetekende brief van 6 juni 2007, vanzelfsprekend zonder voorwerp geworden. Wij zullen onze raadslieden de opdracht geven om de Arbeidsrechtbank hiervan te berichten.

Aangezien de wettelijke ontslagbescherming op 19 juni 2008 een einde heeft genomen en de procedure in het kader van de Wet van 19 maart 1991 zonder voorwerp is geworden, betekenen wij u hierbij onze beslissing om u te ontslaan wegens dringende reden, en dit met onmiddellijke ingang vanaf vandaag. U maakt bijgevolg vanaf vandaag geen deel meer uit van ons personeel.

Met deze brief wordt uw arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd wegens dringende reden. In deze brief worden tevens de motieven weergegeven die dit ontslag rechtvaardigen:

Op maandag 4 juni 2007 hebben wij vernomen dat u werd aangehouden nadat u op vrijdag 1 juni 2007 op heterdaad betrapt bent door de federale politie bij het smokkelen van cocaïne op de luchthaven van Zaventem.

Deze werd door de federale politie onderschept en in beslag genomen.

Wij zijn zeer geschokt door deze feiten. U heeft uw arbeidstijd misbruikt voor het verhandelen van drugs en hebt hiermee ook de reputatie van Flightcare en de luchthaven schade toegebracht. U heeft op een schandalige wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat we in u moeten kunnen hebben, omdat u als werknemer een bijzondere toegang verkrijgt tot de luchthaven. De onrechtmatigheid van uw tekortkomingen staat buiten kijf. Er is geen enkele verschoning te vinden voor uw zware tekortkomingen.

Deze zeer zware tekortkomingen vormen een inbreuk op meerdere bepalingen van artikel 14 van ons arbeidsreglement en zijn van die aard dat iedere verdere samenwerking onmiddellijk onmogelijk wordt.

In de gegeven omstandigheden kunnen wij dan ook geen enkel vertrouwen meer in u stellen om de arbeidsovereenkomst verder te zetten.

Gelieve alle documenten en materiaal (sleutels, badges, ens.) die u nog in uw bezit zou hebben, binnen de 48 uren vanaf heden terug te bezorgen aan onze personeelsdienst.

Voor de goede orde richten wij een kopie van deze brief aan uw vakorganisatie".

Bij vonnis van 4 september 2007 had de arbeidsrechtbank die moest oordelen over de erkenning van de dringende reden in het kader van de procedure beslist dat de procedure werd opgeschort omdat de feiten het voorwerp uitmaakten van een strafonderzoek. Inmiddels bleef de arbeidsovereenkomst van eiser geschorst.

Het strafonderzoek werd beëindigd en eiser werd doorverwezen naar de correctionele rechtbank. Er is nog geen uitspraak door de strafrechter.

3 Bespreking

3.1. Het ontslag wegens dringende reden

(1)

Er bestaat geen betwisting over tussen partijen dat eiser sinds 19 juni 2008 niet langer beschermd was tegen ontslag op grond van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden.

Inderdaad bepaalt artikel 2 § 2 van deze wet: " De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalingen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld."

Eiser was slechts kandidaat bij de sociale verkiezingen van 2004 en niet meer in 2008 (toen was zijn arbeidsovereenkomst geschorst). Hij was dus niet langer beschermd toen op 19 juni 2008 de installatievergadering van het vernieuwde Comité plaatsvond.

Het ontslag wegens dringende reden van 23 juni 2008 is dus onderworpen aan de bepalingen van artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan elke partij het recht toe om de arbeidsovereenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn te beëindigen om een dringende reden die aan het oordeel van de rechter wordt overgelaten en onverminderd alle eventuele schadeloosstellingen.

Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt (artikel 35, tweede lid).

Ontslag om een dringende reden mag niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept (artikel 35, derde lid).

Op straffe van nietigheid, geschiedt de kennisgeving van de dringende reden hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot (artikel 35, vijfde lid).

De partij die een dringende reden inroept, dient hiervan het bewijs te leveren; bovendien moet zij bewijzen dat zij de voormelde termijn van drie werkdagen geëerbiedigd heeft (artikel 35, laatste lid).

(2)

De feiten die verweerster in haar brief van 23 juni 2008 als dringende reden inroept zijn precies dezelfde feiten als deze waarvoor zij op 6 juni 2007 de bijzondere procedure tot voorafgaande erkenning van de dringende reden door de arbeidsrechtbank had ingesteld overeenkomstig hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991.

Verweerster had reeds kennis van deze feiten sinds 4 juni 2007 zoals zij ook bevestigt in de brief van 23 juni 2008.

Verweerster kon eiser dus op 23 juni 2008 niet op regelmatige wijze ontslaan wegens een dringende reden bij toepassing van artikel 35 arbeidsovereenkomstenwet op grond van feiten waarvan zij reeds sinds meer dan drie werkdagen kennis had.

(3)

Verweerster stelt in conclusies het volgende :

- Aangezien artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet pas (terug) van toepassing werd op 19 juni 2008, kan de termijn van drie werkdagen - zoals bedoeld in artikel 35, 3de lid - ten vroegste ingaan op die datum.

- Zekerheid omtrent het wegvallen van de ontslagbescherming waardoor artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing wordt, moet in dit licht zeker beschouwd worden als een (juridische) "omstandigheid" die noodzakelijk is om "met kennis van zaken" te kunnen overgaan tot een ontslag om dringende reden in de zin van artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Dit betekent dat de termijn van drie werkdagen, zoals bedoeld in artikel 35, 3de lid van de Arbeidsovereenkomstenwet, hoe dan ook ten vroegste kon ingaan op donderdag 19 juni 2008.

- Indien de Arbeidsrechtbank zou oordelen dat het ontslag van K laattijdig zou zijn wegens schending van artikel 35, 3de lid van de Arbeidsovereenkomstenwet, quod certe non, zou dit betekenen dat het volstrekt onmogelijk zou zijn om K te ontslaan om dringende reden. Dit zou dan manifest een bevoorrechting uitmaken van K ten opzichte van andere - niet beschermde - werknemers, die uiteraard wél tijdig ontslagen kunnen worden om dringende reden.

Verweerster vraagt de Arbeidsrechtbank, alvorens recht te doen, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 1 en 2 van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, en artikel 35, 3de lid, van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de werkgever, wiens werknemer niet langer ontslagbescherming geniet lopende een gerechtelijke procedure tot voorafgaande erkenning tot een dringende reden in uitvoering van de Wet van 19 maart 1991 (om redenen onafhankelijk van de wil van de werkgever) waardoor deze procedure zonder voorwerp wordt, de betrokken werknemer niet meer tijdig kan ontslaan wegens dringende reden conform artikel 35, 3de lid, van de Wet van 3 juli 1978, terwijl de werknemer die nooit dergelijke bescherming heeft genoten wel tijdig kan ontslagen worden conform artikel 35, 3de lid, van de Wet van 3 juli 1978 en dit alles op basis van exact dezelfde feiten."

Verweerster houdt ten onrechte vol dat de procedure tot erkenning van de dringende reden die zij op 6 juni 2007 had ingesteld overeenkomstig hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991 zonder voorwerp was geworden.

Indien verweerster eiser wenste te ontslaan wegens dringende reden op grond van de feiten waarvan zij kennis kreeg op 4 juni 2007 en dus in de periode dat eiser beschermd was tegen ontslag op grond van de wet van 19 maart 1991 , dan had zij de procedure tot erkenning van de dringende reden die zij op 6 juni 2007 had ingesteld overeenkomstig hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991, tot het einde moeten verderzetten.

Dit geschil over de erkenning van die welbepaalde dringende reden bleef immers bestaan en was dus niet "zonder voorwerp geworden" doordat in de loop van de procedure een einde was gekomen aan de bescherming tegen ontslag van eiser op grond van de wet van 19 maart 1991.Het geschil behield haar voorwerp zolang verweerster vasthield aan haar voornemen om eiser om die welbepaalde dringende reden te ontslaan.

Waar artikel 2§2 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt " De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalingen van § 1 (...) tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld." betekent dit logischerwijze dat de betrokken werknemer zodra hij niet meer geniet van de ontslagbescherming, kan ontslagen worden volgens de gewone regels van de arbeidsovereenkomstwet. Dit betekent dat voor een ontslag wegens dringende reden de dringende reden weliswaar niet vooraf moet erkend worden door het arbeidsgerecht. Dit ontslag zal daarentegen, zoals voor elke andere werknemer, moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet, of het nu om nieuwe feiten gaat dan wel om feiten waarvoor de werkgever inmiddels reeds de procedure tot erkenning van de dringende reden had ingesteld overeenkomstig hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991.

Een van de voorwaarden van artikel 35 is dat het ontslag moet plaatsvinden binnen de drie werkdagen nadat de feiten bekend waren aan de partij die ontslag geeft.

Indien die driedagentermijn verstreken is omdat eerder ontslag onmogelijk was vanwege de bescherming , dan kan de werkgever nog steeds de procedure tot erkenning van de dringende reden overeenkomstig hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991 verderzetten teneinde de dringende reden voor ontslag alsnog te laten erkennen.

Het feit dat deze laatste procedure alsnog kan verdergezet worden komt dus tegemoet aan de juridische bezwaren die verweerster opwerpt.

(3)

Het ontslag wegens dringende reden van 23 juni 2008 was buiten de termijn van drie werkdagen nadat verweerster kennis had van de feiten als bepaald in artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet en was dus hoe dan ook niet geldig. Het is bijgevolg niet nodig om deze procedure op te schorten in afwachting van de beslissing van de strafrechter zoals verweerster vraagt.

Eiser heeft daardoor vanzelf recht op de gevorderde opzeggingsvergoeding gelijk aan 4 weken loon. De berekening van deze vergoeding door eiser wordt niet betwist en lijkt correct: 11,8047 euro x 38 uren x 4 weken = 1.794,30 euro bruto.

3.2. De vordering wegens willekeurig ontslag.

Artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt:

Onder willekeurige afdanking, voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen redenen.

Onverminderd artikel 39, § 1, zal de werkgever die een voor een onbepaalde tijd aangeworven werkman op willekeurige wijze afdankt, aan deze man een vergoeding moeten betalen die overeenstemt met het loon van zes maanden, behalve indien een andere vergoeding is vastgesteld door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

De in het derde lid bedoelde vergoeding is verschuldigd onafgezien van het feit of de werkman al dan niet met inachtneming van een opzeggingstermijn werd afgedankt; zij kan niet samen genoten worden met de vergoedingen bedoeld in artikel 39, §§ 2 en 3, van deze wet.

Eiser werd samen met drie andere werknemers van verweerster aangehouden door de politie nadat deze op de luchthaven een cocaïnesmokkel had ontdekt. De luchthavenbadges van de betrokken werknemers werd op vraag van de federale Politie gedesactiveerd. De drie andere werknemers werden onmiddellijk ontslagen wegens dringende reden. Eiser heeft maandenlang in voorhechtenis

gezeten (minstens tot 22 december 2007 zoals hij bevestigt in conclusies) en werd inmiddels voor deze feiten doorverwezen naar de correctionele rechtbank. Doordat het ging om strafbare feiten en er een strafonderzoek lopende was, werd de procedure tot erkenning van de dringende reden voor ontslag overeenkomstig hoofdstuk III van de wet van 19 maart 1991 voor onbepaalde tijd geschorst.

Waar verweerster in die omstandigheden op 23 juni 2008 een einde stelde aan de arbeidsovereenkomst is de rechtbank van oordeel dat het ontslag alleszins verband hield met het gedrag van eiser en de noodwendigheden van de onderneming.

De vordering van eiser tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag is ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg,

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:

Veroordeelt verweerster tot betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 1.794,30 euro bruto , onder aftrek van de wettelijke inhoudingen die aan de bevoegde instanties moeten betaald worden, en bovendien de wettelijke interest vanaf 23 juni 2008 en de gerechtelijke interest vanaf 13 mei 2009,

Veroordeelt verweerster tot afgifte van de loonstaat waarin deze opzeggingsvergoeding wordt vermeld,

Verklaart de vordering tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag ongegrond;

Zegt dat elke partij haar eigen kosten en rechtsplegingsvergoeding zal dragen,

Aldus gevonnist door de 25ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel,

door :

Mevrouw C. Corbisier: Rechter;

De Heer D. Appeltant: Rechter sociale zaken - werkgever;

De Heer J. Moons: Rechter sociale zaken - arbeider;

en uitgesproken op

door Mevrouw C. Corbisier, Rechter,

bijgestaan door A. Looverie: Afgevaardigde griffier;

De afg. griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

A. LOOVERIE J. MOONS D. APPELTANT C. CORBISIER

Free keywords

  • Wet 19 maart 1991

  • einde bescherming in de loop van de procedure