- Jugement of April 25, 2013

25/04/2013 - 2120963

Case law

Summary

Samenvatting 1

De strafrechtelijke sanctionering van sociaalrechtelijke verplichtingen - zoals het betalen van loon - impliceert dat de strafrechtelijk aansprakelijke natuurlijke personen door wie de werkgever-rechtspersoon heeft gehandeld, persoonlijk gehouden zijn tot uitvoering van de verbintenissen van de rechtspersoon op burgerlijk vlak.

De bestuurder van een rechtspersoon wordt in de regel geacht een lasthebber van de rechtspersoon te zijn of althans onder de regels van de lastgeving te vallen. Mits de bestuurder over de nodige bevoegdheden en middelen beschikt om de sociaalrechtelijke wetgeving te doen naleven, kan het misdrijf dat een inbreuk op een regel daarvan uitmaakt, hem worden toegerekend.


Jugement - Integral text

ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT.

Eerste kamer.

Rep.nr.

VONNIS van 25 april 2013

H. H., wonende te .., eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. B.CUYPERS, loco Mr. VERACHTERT, advocaat te 3900 OVERPELT, Oude Markt 18/1.

tegen:

B. W., wonende te ..., eerste verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. S.KOLLER, loco Mr. L.DELBROUCK, advocaat te 3500 HASSELT, Maastrichterstraat 99.

S. J., wonende te ..., tweede verwerende partij, niet verschenen, noch iemand regelmatig voor haar.

Gezien de inleidende dagvaarding, betekend op 10 april 2012, waarbij aanleggende partij de veroordeling vraagt van verwerende partijen tot betaling van euro 12.642,74, onder aftrek van een netto uitbetaald voorschot van euro 3.959 en te vermeerderen met de intresten en de kosten.

De partijen werden behoorlijk opgeroepen.

Aanleggende partij en de eerste verwerende partij werden in hun middelen en besluiten gehoord. Tweede verwerende partij is niet verschenen, noch iemand regelmatig voor haar.

Pogingen van de rechtbank om tot een minnelijke schikking tussen de partijen te komen bleven vruchteloos.

De vordering is ontvankelijk.

Gezien de beschikking conform artikel 747 gerechtelijk wetboek, dd. 24 maart 2012.

Aanleggende partij was in dienst van BVBA X van 9 mei 2008 tot 31 mei 2010.

Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank Hasselt, dd. 30 juni 2011, werd BVBA X veroordeeld tot betaling van euro 12.642,74, onder aftrek van een betaald voorschot van euro 3.959.

Aanleggende partij vraagt thans de veroordeling van de zaakvoerders van BVBA X.

Standpunt aanleggende partij

Aanleggende partij voert vooreerst aan dat zij haar vordering voldoende bewijst door verwijzing naar de arbeidsovereenkomst, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, de loonbrieven en het vonnis, dd. 30 juni 2011.

Aanleggende partij legt uit dat het niet-betalen van loon een misdrijf is dat geen bijzonder opzet behoeft en waarbij zowel de zaakvoerder in persoon als de onderneming, in deze solidair kunnen verantwoordelijk gesteld worden voor de niet-uitbetaling van de verschuldigde lonen en voordelen en derhalve solidair kunnen veroordeeld worden tot betaling ervan.

De vereiste schuldvorm is de "onachtzaamheid".

Beide zaakvoerders wisten of moesten weten dat aan werknemers tijdig hun loon dient betaald te worden.

Het materiële feit dat het loon niet uitbetaald werd is een voldoende bewijs van onachtzaamheid van de werkgever.

Aanleggende partij heeft recht op schadevergoeding, zijnde loonachterstallen ten bedrage van euro 10.004,80 en eindejaarspremie ten bedrage van euro 2.637,94.

Bij besluiten, neergelegd ter griffie op 25 maart 2013, wordt een overzicht gegeven van de achterstand sedert oktober 2009, totaal euro 12.805,36 bruto, te vermeerderen met een eindejaarspremie ten bedrage van euro 661,99.

Aanleggende partij verwijst naar een betaling van euro 3.959 netto, dewelke niet betwist wordt door verwerende partij.

Van de betaling van euro 3.000, die verwerende partij deed aan de gerechtsdeurwaarder zou maximaal euro 1.497,70 als betaling van loon kunnen beschouwd worden.

Standpunt eerste verwerende partij

Eerste verwerende partij roept eerst de exeptio obscurri libelli in, daar aanleggende partij geen duidelijkheid over de samenstelling van de vordering zou bijbrengen.

Er wordt verder aangevoerd dat voor het jaar 2009 alle lonen betaald werden en dat voor het jaar 2010 de achterstand euro 8.061,15 bedraagt.

Eerste verwerende partij brengt een overzicht van betalingsbewijzen bij waaruit blijkt dat de lonen voor 2009 volledig vergoed werden en dat voor de lonen van 2010 reeds euro 3.959 netto betaald werd.

Verder houdt eerste verwerende partij voor dat aanleggende partij nalaat het moreel element van het misdrijf te bewijzen.

De vereiste schuldvorm zou de "onachtzaamheid" zijn.

Er wordt benadrukt dat eerste verwerende partij ervan uit ging dat alles betaald was (er is nog een betaling van euro 3.000 aan een gerechtsdeurwaarder) en dat hij steeds alles gedaan heeft om de werknemers tijdig te betalen.

Er zou geen bewijs van onachtzaamheid geleverd worden.

Uiterst ondergeschikt stelt verwerende partij dat er euro 3.959 voorschot werd betaald en euro 3.000 - euro 814,80 dagvaardingskosten, hetzij euro 2.195,20 zodat er nog een netto bedrag van euro 810,82 zou verschuldigd zijn.

Door tweede verwerende partij werden geen besluiten neergelegd.

Beoordeling door de rechtbank

- De rechtbank is van oordeel dat de exceptio obscurri libelli niet kan aangenomen worden.

Beide verwerende partijen, als zaakvoerders van BVBA X, waren reeds door het vonnis van de Arbeidsrechtbank Hasselt, dd. 30 juni 2011, voldoende op de hoogte van de loonachterstallen waartoe de BVBA X veroordeeld werd.

Op 25 november 2011 werd er desbetreffend nog een storting ten bedrage van

euro 3.000 gedaan aan gerechtsdeurwaarder S. ter vereffening van de veroordeling voorzien in het vonnis dd. 30 juni 2011.

- Verwijzende naar de besluiten van partijen en de debatten ter zitting van 28 maart 2013 stelt de rechtbank vast dat alle lonen van het jaar 2009 betaald werden.

Voor het jaar 2010 zijn nog volgende bedragen verschuldigd:

bruto netto

januari 2010: euro 1.711,16 euro 1.435,70

februari 2010: euro 1.399,97 euro 1.259,03

maart 2010: euro 1.699,16 euro 1.419,72

april 2010: euro 1.515,70 euro 1.311,88

mei 2010: euro 1.735,16 euro 1.538,69

------------- -------------

euro 8.061,15 euro 6.965,02

Partijen zijn het blijkbaar eens over dit bedrag.

Voor de eindejaarspremie 2010 is er een bedrag verschuldigd van euro 661,99 zodat de totale loonachterstand euro 8.723,14 bedraagt.

Partijen zijn het erover eens dat er euro 3.959 netto werd uitbetaald als voorschot.

Van de betaling aan de gerechtsdeurwaarder dient er euro 814,80 toegekend te worden aan deurwaarderskosten en euro 687,50 aan rechtsplegingsvergoeding toegekend te worden, zodat er euro 1.497,70 kan toegerekend worden ter betaling van het achterstallig loon.

Het openstaand saldo bedraagt euro 8.723,14, te verminderen met euro 3.959 en

euro 1.497,70, met andere woorden euro 3.266,44 bruto.

De rechtbank verwijst terecht naar artikel 42,1° van de loonbeschermingswet dat strafbaar stelt de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van onder meer artikel 9, volgens hetwelk loon op de daarin bepaalde tijdstippen moet betaald worden.

Wanneer een rechtspersoon een sociaalrechtelijk misdrijf pleegt, rust de strafrechtelijke verantwoordelijkheid hiervoor inderdaad op de natuurlijke personen, organen of aangestelden, door wier toedoen zij is opgetreden.

De strafrechtelijke sanctionering van sociaalrechtelijke verplichtingen van de werkgever impliceert dat de strafrechtelijk aansprakelijke natuurlijke personen, door wie de werkgever-rechtspersoon heeft gehandeld, persoonlijk gehouden zijn tot uitvoering van de verbintenissen van de rechtspersoon op burgerlijk vlak.

De bestuurder van een rechtspersoon wordt in de regel geacht een lasthebber van de rechtspersoon te zijn of althans onder de regel van de lastgeving te vallen. Mits de bestuurder over de nodige bevoegdheden en middelen beschikt om de sociaalrechtelijke wetgeving te doen naleven, kan het misdrijf dat een inbreuk op een regel daarvan uitmaakt, hem worden toegerekend.

De bestuurder van een vennootschap of vereniging kan aldus een extracontractuele fout begaan.

Vooraleer er kan nagegaan worden of eiser schade heeft geleden en of die schade een causaal verband heeft met een door verwerende partijen begaan misdrijf, dient uitgemaakt te worden of er inderdaad een misdrijf werd begaan, wat een onderzoek naar de aanwezigheid van het materieel element en van het moreel element impliceert.

Uit hetgeen reeds eerder werd uiteengezet in dit vonnis, blijkt dat eisende partij nog recht heeft op de betaling van achterstallig loon.

Het moreel element is de schuld of de verwijtbaarheid.

Bij het misdrijf van artikel 42,1° van de loonbeschermingswet is de vereiste schuldnorm de "onachtzaamheid" dewelke in hoofde van verwerende partijen minstens aanwezig was.

Het is voldoende dat de dader de handeling of het verzuim heeft gewild zonder dat hij ook noodzakelijk de eraan verbonden schadelijke gevolgen heeft gewild, ofschoon hij deze had moeten kunnen voorzien of vermijden.

Uit het materiële feit, met andere woorden niet-betalen van loon, kan een feitelijk vermoeden van onachtzaamheid afgeleid worden.

De dader kan het moreel bestanddeel betwisten door een geloofwaardige schulduitsluitingsgrond of rechtvaardigingsgrond in te roepen.

De rechtbank stelt vast dat er geen overmacht aanwezig is in hoofde van verwerende partijen.

Er is sprake van materiële overmacht indien iemand gedwongen wordt om een als misdrijf omschreven feit te plegen of in de onmogelijkheid verkeert om dit te vermijden, ingevolge materiële of fysische omstandigheden die zijn keuze of wilsvrijheid uitschakelen.

Er wordt door verwerende partijen geen schulduitsluitingsgrond ingeroepen noch overmacht.

- De vordering is gegrond ten belope van euro 3.266,44 bruto als schadevergoeding.

OM DEZE REDENEN:

Na naleving van de voorschriften van de wet van 15.06.1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken.

Beslist de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank, na beraad, OP TEGENSPRAAK ten aanzien van eisende partij en eerste verwerende partij en rechtsprekende bij vonnis dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van tweede verwerende partij.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt verwerende partijen solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere tot betaling van euro 3.266,44 bruto, te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert de opeisbaarheid op het brutobedrag en de gerechtelijke intresten sedert 10 april 2012 tot de dag der algehele betaling eveneens op het brutobedrag.

Deze bedragen zijn te verminderen met de wettelijke inhoudingen, in zoverre deze verschuldigd zijn en aan de bevoegde instellingen worden overgemaakt.

Verwijst beide verwerende partijen tot de kosten van het geding.

Vereffent de kosten aan de zijde van eisende partij op euro 210,71 dagvaardingskosten en euro 715 rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van eerste verwerende partij op

euro 715 rechtsplegingsvergoeding en laat de kosten onvereffend aan de zijde van tweede verwerende partij wegens niet-indiening van een kostenbegroting.

Aldus gewezen door:

mevrouw E.HERTOGHS ondervoorzitter, voorzitter van de kamer,

de heer K.PUELINGS rechter in sociale zaken, werkgever,

mevrouw G.JAENEN rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider,

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de kamer, bijgestaan door griffier A.Coenen, in de openbare terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Hasselt van DONDERDAG VIJFENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND DERTIEN

Free keywords

  • ARBEIDSREGLEMENTERING

  • BESCHERMING VAN HET LOON

  • strafbepalingen

  • arbeidsrecht

  • loon

  • misdrijf

  • werkgever-rechtspersoon

  • toerekening aan bestuurder