Arbeidshof: Arrest van 18 Oktober 2002 (Antwerpen (Hasselt)). RG 98/68
- Section :
- Case law
- Source :
- Justel N-20021018-6
- Role number :
- 98/68
Summary :
In toepassing van artikel 30 Gerechtelijk Wetboek tot samenvoeging van een zaak ingeleid voor de 5de kamer (zelfstandigen) met een zaak ingeleid voor de 4de kamer (werknemer) stelde het Hof vast dat de regels zoals vastgelegd in de artikelen 81 en 104 Gerechtelijk Wetboek deze samenvoeging verhinderen, wanneer die zaken behandeld worden door anders samengestelde kamers van een arbeidsgerecht. De vraag stelt zich of artikel 104, derde en zesde lid Gerechtelijk Wetboek samen gelezen met artikel 81, vierde en zevende lid Gerechtelijk Wetboek het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet schendt doordat de werknemer zijn hoedanigheid van arbeider of bediende wel kan betwisten voor een aangevulde kamer, terwijl in geschillen omtrent de hoedanigheid van zelfstandige, geen uitspraak wordt gedaan door een aangevulde kamer. Het Hof is van oordeel dat ook het nalaten van de wetgever - het creëren van een lacune in de wetgeving - een schending van het discriminatieverbod kan opleveren. Verzendt de zaak naar het Arbitragehof, met verzoek uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vraag : "Schendt artikel 104, derde en zesde lid van het Gerechtelijk Wetboek gelezen in samenhang met artikel 81, vierde en zevende lid van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 een 11 van de gecoördineerde Grondwet, samengelezen met een eensdeels artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en andersdeels artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten, doordat in de betwistingen voor de arbeidsrechtbank omtrent de hoedanigheid van werknemer of van zelfstandige geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten één rechter in de arbeidsrechtbank bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als zelfstandige en aangevuld met twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als werkgever en als werknemer, en doordat in de betwistingen voor het arbeidshof omtrent dezelfde hoedanigheid geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, zodat ze zo is samengesteld dat ze buiten twee raadsheren in het arbeidshof en één raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, aangevuld wordt met twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en als werknemer".
Arrêt :
In de zaak:
R D, appellante, verschijnend bij mr. P. C., advocaat te ;
tegen :
R, geïntimeerde, verschijnend bij mr. J. R., advocaat te .
I. De rechtsplegingsstukken, onder meer:
- het aangevochten vonnis, door de Arbeidsrechtbank te T. tussen partijen gewezen op 27 januari 1998, waarvan geen bewijs van betekening wordt neergelegd - het verzoekschrift in hoger beroep, ter griffie van het Hof ontvangen op 25 februari 1998 - het tussenarrest, door deze kamer van het Arbeidshof tussen partijen gewezen op 19 april 2002, waarbij de heropening der debatten werd bevolen - de beroepsbesluiten van appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 12 september 2002 - de processen-verbaal van terechtzittingen.
II. De feiten De feiten zoals uiteengezet onder rubriek I., punten 1, 2, 3 en 4 van het tussenarrest van 19 april 2002 worden thans uitdrukkelijk hernomen.
III. Het tussenarrest van 19 april 2002 Met tussenarrest van 19 april 2002 werd het hoger beroep van appellante ontvankelijk verklaard en werd, alvorens verder recht te spreken, de heropening der debatten bevolen teneinde het standpunt van partijen te kennen omtrent de suggestie van het Openbaar Ministerie, zoals geformuleerd in zijn ter zitting van 15 februari 2002 neergelegd schriftelijk advies, tot het stellen van volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof:
"Schendt artikel 104, derde en zesde lid van het Gerechtelijk Wetboek gelezen in samenhang met artikel 81, vierde en zevende lid van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, samengelezen met eensdeels artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en anderdeels artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten, doordat in de betwistingen voor de arbeidsrechtbank omtrent de hoedanigheid van werknemer of van zelfstandige geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten één rechter in de arbeidsrechtbank bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als zelfstandige en aangevuld met twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als werkgever en als werknemer, en doordat in de betwistingen voor het arbeidshof omtrent dezelfde hoedanigheid geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is samengesteld dat ze buiten twee raadsheren in het arbeidshof en één raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, aangevuld wordt met twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en als werknemer." IV. In rechte In voorliggend geschil strekte de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde, ingeleid bij dagvaardingsexploot dd. 10 juli 1997, er toe appellante te horen veroordelen tot betaling van 192.610 BEF (4.774,68 EUR) ten titel van achterstallige bijdragen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen over het vierde kwartaal 1991 tot en met het vierde kwartaal 1992, te vermeerderen met een verhoging van 3% per kwartaal.
Bij vonnis van 27 januari 1998 verklaarde de arbeidsrechtbank te T de hoofdvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond. De bij conclusies ingestelde subsidiaire tegenvorderingen van appellante (respectievelijk strekkende tot de veroordeling van geïntimeerde in betaling van de kinderbijslagen in het stelsel van de zelfstandigen en tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het B.W.) werden afgewezen als ongegrond.
Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 februari 1998, stelde appellante hoger beroep in tegen het vonnis van 27 januari 1998 van de arbeidsrechtbank te T.
Deze zaak werd ingeleid voor de vijfde kamer van dit Hof op 20 maart 1998.
Deze kamer is, overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, zesde lid van het Ger.W., samengesteld uit twee raadsheren in het arbeidshof en één raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige.
Uit het door het Openbaar Ministerie bij zijn schriftelijk advies aangebracht bundel D R/R, blijkt dat appellante eveneens verhaal aantekende tegen een administratieve beslissing van de R voor K voor W dd.
12 februari 1996 waarbij de ten onrechte ontvangen kinderbijslagen ten bedrage van 128.481 BEF (3.184,96 EUR) over de periode oktober 1991 tot en met december 1992 ten haren opzichte werden teruggevorderd.
Bij vonnis van 10 december 1996 verklaarde de arbeidsrechtbank te T de vordering van appellante ongegrond.
De tegenvordering van de R voor K voor W in terugbetaling van de som van 128.481 BEF (3.184,96 EUR) werd wel gegrond verklaard.
Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 januari 1997, tekende appellante hoger beroep aan tegen dit vonnis.
Deze zaak werd ingeleid voor de vierde kamer van dit Hof op 6 februari 1997.
Deze kamer is overeenkomstig artikel 104, vierde lid van het Ger.W. samengesteld uit een voorzitter-magistraat en twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en als werknemer.
Op de vraag van appellante, in toepassing van artikel 30 van het Ger.W., tot samenvoeging van voorliggende zaak, ingeleid voor de vijfde kamer van dit Hof, met de zaak, ingeleid voor de vierde kamer van dit Hof, stelde het Hof bij zijn tussenarrest van 19 april 2002 vast dat de regels zoals vastgelegd in de artikelen 81 en 104 van het Ger.W. deze samenvoeging verhinderen wanneer, zoals ten deze, die zaken behandeld worden door anderssamengestelde kamers van een arbeidsgerecht.
In zijn schriftelijk advies stelde het openbaar ministerie zich de vraag of artikel 104, derde en zesde lid van het Ger.W. samen gelezen met artikel 81, vierde en zevende lid van het Ger.W. het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet schendt doordat de werknemer zijn hoedanigheid van arbeider of van bediende wel kan betwisten voor een aangevulde kamer, terwijl in geschillen omtrent de hoedanigheid van zelfstandige, geen uitspraak wordt gedaan door een aangevulde kamer.
Het Hof verwijst in dit verband naar het door het openbaar ministerie uitgebrachte schriftelijk advies, zoals aangehaald onder bladzijden 6 t/m 9 van het tussenarrest van 19 april 2002 (cfr. punt 4 ), dat hierbij als hernomen wordt beschouwd.
Het Hof is van oordeel dat ook het nalaten van de wetgever - het creëren van een lacune in de wetgeving - een schending van het discriminatieverbod kan opleveren (Arbitragehof nr. 31/96, 15 mei 1996, rolnummer 856, B.S. 25 juni 1996).
Wanneer zoals ten dezen, een vraag wordt opgeworpen omtrent de schending door een wet van het artikel 10 en 11 van de Grondwet, is de rechter, op grond van het artikel 26 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, verplicht het Arbitragehof te verzoeken daarover uitspraak te doen.
Het rechtscollege is daartoe echter niet verplicht wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met hetzelfde onderwerp, wanneer het meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen en wanneer de in de wet bedoelde regel artikel 10 of 11 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
Naar het oordeel van het Hof is er door het Arbitragehof nog geen uitspraak gedaan over een vraag met hetzelfde onderwerp en is het antwoord omtrent de te stellen prejudiciële vraag noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen over de vordering tot samenvoeging van beide zaken, uitgaande van appellante.
Bovendien is er geen voor de hand liggend motief aanwezig voor het feit dat een werknemer zijn hoedanigheid van arbeider of van bediende kan betwisten voor een aangevulde kamer, terwijl een zelfstandige zijn hoedanigheid niet kan betwisten voor een aangevulde kamer en is het ontbreken van zulk een regeling van aard dat prima facie althans, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden.
Bij conclusie na tussenarrest van 19 april 2002, ter griffie van dit Hof ontvangen op 12 september 2002, verklaart appellante zich akkoord met het stellen van een prejudiciële vraag over het mogelijk discriminerend karakter van artikel 104, derde en zesde lid van het Ger.W. samen gelezen met artikel 81, vierde en zevende lid van het Ger.W.
Op de zitting van 20 september 2002 stemt geïntimeerde op zijn beurt in met het formuleren van een prejudiciële vraag.
Gelet op voorgaande overwegingen en voor zoveel als nodig wenst het Hof op te merken dat het verzoek van appellante tot het stellen van een bijkomende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, zoals geformuleerd op pagina 3 van voormelde beroepsbesluiten na tussenarrest, thans (nog) niet aan de orde is.
Het Hof acht het aangewezen, gelet op het voorgaande, en alvorens verder recht te doen over de grond van de zaak, de in het beschikkend gedeelte van het arrest geformuleerde vraag aan het Arbitragehof te stellen.
O P D I E G R O N D E N:
Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Vijfde Kamer.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd.
Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. N, , in zijn gelijkluidend mondeling advies.
Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben over het advies.
Na beraadslaging recht doende op tegenspraak.
Het tussenarrest verder uitwerkend, Alvorens verder recht te spreken, Verzendt de zaak naar het Arbitragehof, met verzoek uitspraak te doen over volgende prejudiciële vraag:
"Schendt artikel 104, derde en zesde lid van het Gerechtelijk Wetboek gelezen in samenhang met artikel 81, vierde en zevende lid van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, samengelezen met eensdeels artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en anderdeels artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten, doordat in de betwistingen voor de arbeidsrechtbank omtrent de hoedanigheid van werknemer of van zelfstandige geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten één rechter in de arbeidsrechtbank bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als zelfstandige en aangevuld met twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als werkgever en als werknemer, en doordat in de betwistingen voor het arbeidshof omtrent dezelfde hoedanigheid geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is samengesteld dat ze buiten twee raadsheren in het arbeidshof en één raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, aangevuld wordt met twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en als werknemer." Verzoekt het Arbitragehof zijn beslissing te laten kennen.
Schorst in afwachting de huidige procedure.
Gelast de verzending aan het Arbitragehof, overeenkomstig artikel 21 §1 van de wet van 6 januari 1989, van een door de voorzitter en de griffier van dit arbeidshof ondertekende expeditie van onderhavig arrest tot verwijzing.
Houdt de kosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van achttien oktober tweeduizend en twee, waar aanwezig waren:
De heer J. M, Raadsheer, waarnemend voorzitter, Mevrouw H. C, Raadsheer, De heer J. S, Raadsheer in sociale zaken, zelfstandige, Mevrouw S. W, Griffier.