Indien de activiteit van de tussenpersoon van die aard is dat, in de veronderstelling dat een band van ondergeschiktheid zou hebben bestaan, hij als handelsvertegenwoordiger zou dienen beschouwd, dan rust de bewijslast van de afwezigheid van de gezagsverhouding op de opdrachtgever.
De vaststelling dat de tussenpersoon door de aanwerving van eigen personeel een eigen onderneming exploiteerde, waarvan hij het bedrijfsrisico droeg, volstaat op zichzelf om de band van ondergeschiktheid, die de arbeidsovereenkomst kenmerkt, uit te sluiten.
De gemeenschappelijke werkelijke bedoeling van de partijen een overeenkomst van zelfstandig agentschap te sluiten, houdt het tegenbewijs in van het door art. 4, tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet gevestigde vermoeden.
Arrêt :
The full and consolidated version of this text is not available.