Arbeidshof: Arrest van 7 Maart 2000 (Antwerpen (Hasselt)). RG 99/513

Date :
07-03-2000
Language :
Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20000307-3
Role number :
99/513

Summary :

De beroepsrechter kan in beroep de in eerste aanleg toegekende uitvoerbaarheid in beroep niet verbieden of schorsen. De bepaling van artikel 1402 Gerechtelijk Wetboek verhindert evenwel niet dat de rechters in hoger beroep een toegestaan kantonnementsverbod ongedaan maken.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
ARBEIDSHOFTEANTWERPENRep. Nr .Tweede KamerTegensprekelijktussenarrest (rol)(bediende) Arbeidshof te AntwerpenAFDELING HASSELT___________ARRESTA.R. 990513OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN MAART TWEEDUIZEND. In de zaak: appellante, verschijnend bij mr. J. PEETERS, advocaat te Hasselt; tegen : geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. RENIER, advocaat te Hasselt.Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, inzonderheid: - het aangevochten vonnis, door de Arbeidsrechtbank te Hasselt tussen partijen gewezen op 13 december 1999, waarvan geen betekening wordt neergelegd - het verzoekschrift in hoger beroep, ter griffie van het Hof neergelegd op 27 december 1999.Gehoord partijen op de inleidingszitting met betrekking tot de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging van zijn vonnis met verbod tot kantonnement. Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
DE UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD MET VERBOD TOT KANTONNEMENT.A. De eerste rechter, na appellante te hebben veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van:- 2.748.526 BEF als opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 2 februari 1991 op het netto-opeisbare bedrag.
98.372 BEF als eindejaarspremie, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 2 februari 1991 op het netto-opeisbare bedrag - 2.500.000 BEF als schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf 2 december 1991- de kosten van het geding,stond de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn vonnis toe, niet-tegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement.B. In haar verzoekschrift in hoger beroep verzoekt appellante het Hof de zaak op de inleidingszitting te behandelen "inzake opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis a quo, minstens van toelating van kantonnement".Appellante vraagt "te zeggen voor recht dat het beschikkend gedeelte van het vonnis a quo alwaar dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard werd, ingetrokken wordt zodat het vonnis a quo niet meer uitvoerbaar is bij voorraad;Ondergeschikt, in ieder geval te zeggen voor recht, dat indien het Hof van oordeel zou zijn dat er vooralsnog geen redenen zijn om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis a quo in te trekken, in ieder geval vast te stellen dat aan huidige verzoekster toegelaten wordt te kantonneren." C. Door geïntimeerde wordt hieromtrent geen conclusie genomen.D. 1. Ten onrechte vordert appellante in hoofdorde dat het Hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis a quo zou inttrekken.Overeenkomstig artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de rechters in hoger beroep immers in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid.2. De bepaling van artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek verhindert evenwel niet dat de rechters in hoger beroep een toegestaan kantonnementsverbod ongedaan maken (Gent, 27 april 1995, R.W., 1995-1996, 310; Antwerpen, 3 februari 1997, R.W., 1997-1998, 1051;
vgl. ook artikel 1066, lid 2, 6° van het Gerechtelijk Wetboek).Het Hof zal aldus enkel kunnen nagaan of er al dan niet aanleiding was om appellante het recht tot kantonnement van de sommen waartoe zij veroordeeld werd te ontzeggen.3. Onmiddellijk kan reeds worden opgemerkt dat noch geïntimeerde in al zijn conclusies voor de eerste rechter, noch de eerste rechter zelf, ook maar enige argumentatie hebben ontwikkeld waarom zij in voorliggende zaak van oordeel waren dat appellante het recht op kantonnement moest worden ontzegd.Het kantonneren is nochtans een recht van de schuldenaar, zodat een ontzegging van dit recht uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd (Dirix, E. en Broeckx, K., Beslagrecht 1991-1996, A.P.R., 1996, nr. 42). Luidens artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter de schuldenaar dit recht tot kantonnement enkel ontzeggen indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt.Het is aan de schuldeiser, in casu geïntimeerde, om aan te tonen dat een vertraging in de regeling hem aan een ernstig nadeel zou blootstellen.Nu geïntimeerde ook voor het Hof in dit verband niets aanvoert, beslist het Hof de uitspraak van de eerste rechter te vernietigen in zoverre appellante verboden wordt de gelden, waartoe zij bij het bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis veroordeeld wordt, te kantonneren. O P D I E G R O N D E N:Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Tweede Kamer.Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd.Na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak. Ontvangt het hoger beroep.Uitspraak doende over het vordering van appellante tot opheffing van de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis a quo en minstens van de uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.Verklaart deze vordering ontvankelijk en deels gegrond als volgt.Doet het aangevochten vonnis teniet in zoverre het voor appellante de mogelijkheid tot kantonnement van de bij het vonnis toegekende bedragen, waarvoor de voorlopige tenuitvoerlegging bevolen werd, uitsluit.En hieromtrent opnieuw recht doende.Zegt voor recht dat appellante gerechtigd is de sommen, waarvoor de voorlopige tenuitvoerlegging door het vonnis a quo bevolen werd, te kantonneren.Verwijst de zaak voor verdere instaatstelling naar de bijzondere rol van deze kamer.Houdt de uitspraak over de kosten aan.Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zeven maart tweeduizend, waar aanwezig waren:Mevrouw B. H., Kamervoorzitter ,De heer N. S., Raadsheer in sociale zaken, werkgever,De heer F. H., Raadsheer in sociale zaken, werknemer bediende,mevrouw S. W, e.a. Adjunct-griffier.S. W F. HN. S B. H 00