Overwegende dat artikel 15 van het K.B. van 9 april 1965 in die zin dient begrepen dat de betrokkene verplicht dient gehoord; dat tot geen intrekking van de inschrijving in de Pool door het beheerscomité kan worden beslist dat nadat de betrokkene kennis kreeg van de feiten die tegen hem worden ingebracht en tevens de gelegenheid had zijn verdediging voor te dragen. Dat de nietigheidsregeling van de artikelen 860 - 867 van het Gerechtelijk Wetboek waarop de eerste rechter heeft gesteund maar één van de middelen is waardoor het recht van de verdediging kan worden gevrijwaard; dat van zodra men buiten de nietigheidsregeling van genoemde artikelen treedt, men voor de vrijwaring van de rechten van de verdediging in een andere nietigheidsregeling terechtkomt, aan de rechter overgelaten, zodat een uitdrukkelijke nietigheidsbepaling niet vereist is om op deze basis de procedure of een deel ervan nietig te verklaren. Dat het horen van de betrokkene in casu een substantiële vormvereiste is, welke afgeleid is uit een algemeen rechtsbeginsel, te weten de rechten van de verdediging, en welke, zelfs bij het stilzwijgen van de wet, dient nagekomen (zie A. MAST, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, 1977, nr. 529).
The full and consolidated version of this text is not available.
Already registered? Login now