Arbeidshof: Arrest van 7 September 2006 (Antwerpen). RG 2005-0490

Date :
07-09-2006
Language :
Dutch
Size :
8 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20060907-1
Role number :
2005-0490

Summary :

Wanneer er geen geschrift voorhanden is, moet de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking gaven, worden afgeleid uit andere elementen van het dossier. De rechter kan geen andere kwalificatie in de plaats stellen van de door de partijen aangenomen kwalificatie, tenzij de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de kwalificatie van de betrokken partijen uitsluiten. Het louter uitvoeren van opdrachten, het feit van enkel te werken voor klanten van de opdrachtgever, het ontbreken van financiële inbreng en het niet deelnemen aan het bedrijfsrisico sluiten een zelfstandige samenwerking niet uit.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Eindarrest op tegenspraak
Vierde kamer
Sociale Zekerheid
ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN
Afdeling Antwerpen
ARREST A.R. Nr. 2050490
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES
In de zaak:
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ),
met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11,
eiser in hoger beroep,
voor wie verschijnt: mr. A.M. SCHUERMANS, advocaat te 2800 MECHELEN,
tegen :
SA,
wonende
verweerder in hoger beroep,
voor wie verschijnt: mr. M. VERBRAECKEN, advocaat te 2500 LIER.
Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.
Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2005 en van 2 juni 2006;
Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder:
x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 19 januari 2005, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Mechelen;
x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 juni 2005 en vervolgens, zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 30 juni 2005 ter kennis gebracht aan wie het behoort;
x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 16 september 2005;
x het verzoekschrift, op de griffie van dit hof ontvangen op 23 december 2005, waarmee verweerder in hoger beroep vraagt om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, ,§2 van het gerechtelijk wetboek);
x de beschikking van 11 januari 2006 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het gerechtelijk wetboek;
x de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 15 februari 2006;
x de conclusies voor gedaagde in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 13 maart 2006.
Gelet op de stukken van het administratief dossier.
Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen.
Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 2 juni 2006.
De ontvankelijkheid
Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.
Feiten en wat voorafgaat
SA is de zelfstandige uitbater van een éénpersoonszaak met als activiteit glazenwasserij.
JV heeft vanaf 1 november 1996 tot 13 juni 1999 voor SA als glazenwasser gewerkt. Er werd door de Sociale Inspectie een onderzoek uitgevoerd naar het reële statuut van JV in zijn arbeidsrelatie tot SA. Beide partijen werden ondervraagd.
JV verklaarde over deze tewerkstelling o.a. het volgende: "Voordien werkte ik als werknemer in de bouwsector als machinist.
Een kennis van mij, SA, vroeg mij om te komen helpen in de zaak, in onderaanneming. Ik heb eerst gevraagd om als werknemer te werken, maar dat ging niet omdat dat te duur zou uitvallen met betrekking tot de sociale lasten. Ik was akkoord om voor hem als zelfstandige te werken in onderaanneming. Ik heb voor hem gewerkt tot 14 juni 1999. Hiervan is geen overeenkomst opgemaakt. Er werd mondeling overeengekomen dat ik 600 BEF per uur zou ontvangen. Deze 600 BEF per uur werd door SA bepaald. Hierop werd geen BTW betaald. Deze werd betaald door SA. Ik maakte maandelijks de fakturen op. Alle fakturen zijn genoteerd in een eigen (verkoop)boek. Vervoerkosten waren er niet, omdat ik steeds met SA meereed. Materiaalkosten werden ook niet gefactureerd, vermits ik alle materiaal van hem kon gebruiken. Af en toe kocht ik wel eens zelf een spons. Ik ben bij hem gestopt omdat ik meer wou verdienen in totaliteit per maand. Belastingsfiches werden er door SA voor mij niet opgemaakt. Sociale Zekerheidsbijdragen betaalde ik zelf. Ik ben aangesloten bij het ASKZ te Wilrijk... Vanaf juni 1997 had ik zelf enkele klanten, voor een totaalbedrag van 18.660 BEF.
In 1998 had ik vijf verschillende klanten voor een totaalbedrag van 57.590 BEF. In 1999 heb ik tot nu toe twee eigen klanten gehad voor een bedrag van 6.950 BEF. Toen ik voor SA werkte, toen werd steeds de dag voordien afgesproken hoe ik moest werken. SA keek dan in zijn agenda en bepaalde wanneer ik moest komen. S ging steeds mee op ronde. S heeft mij in het begin de stiel geleerd. Ik werd tijdens deze leerfase reeds betaald aan 600 BEF per uur. Vooral in de beginfase gaf S mij gedetailleerde instrukties i.v.m.
de werkwijze. S verdeelde steeds het werk. Hij bepaalde steeds welke ramen door mij werden gedaan, waar ik eerst moest beginnen, enz. S bepaalde volledig zelf welke materialen hij aankocht, het ging immers om zijn bedrijf. Vakantie werd in onderling overleg bepaald. Ik denk niet dat ik mij zou kunnen laten vervangen. Indien ik lange tijd ziek zou zijn geweest (dit is nooit gebeurd) dan zou hij zelf iemand anders ter vervanging genomen hebben."
Op basis van het onderzoek kwam de controleur tot de conclusie dat JV geen zelfstandige was maar een werknemer.
Hij steunde zich op de volgende elementen:
Het gebruikte werkmateriaal werd volledig ter beschikking gesteld door SA ook het vervoer naar de tewerkstellingsplaatsen werd georganiseerd door SA.
JV was uiteraard de uitvoerder van opdrachten, waarbij hij van SA afhankelijk was om praktische richtlijnen te krijgen. Beide werkten dikwijls samen op een werf zodat de mogelijkheid om directe controle op het werk wel degelijk bestond.
Hij had geen enkele inbreng betreffende de tijdstippen waarop het werk moest worden uitgevoerd.
Het inkomen van JV was niet resultaat- maar prestatiegebonden, hij werd namelijk door SA per gepresteerd uur betaald, naar rato van 600 BEF per uur.
JV droeg geen bedrijfsrisico, had geen economische/financiële inbreng in de zaak (buiten het uitvoeren van de werken had hij niets te maken met de klanten van SA).
Op 30 oktober 2000 werd SA door de RSZ in gebreke gesteld om voor de prestaties van JV bijdragen te betalen voor de periode 1 november 1996 - 13 juni 1999.
Bij gebreke aan betaling werd door de RSZ tot dagvaarding overgegaan op 14 mei 2001 voor een bedrag van 50.897,52 euro.
Het bestreden vonnis
De eerste rechters, bij vonnis van 19 januari 2005, wezen de RSZ af van zijn vordering.
Volgens stuk 6 in het dossier van SA werd het vonnis aan de RSZ betekend op 9 juni 2005.
Eisen in hoger beroep
De RSZ tekende vervolgens hoger beroep aan op 30 juni 2005. Hij vraagt het vonnis a quo te vernietigen en zijn oorspronkelijke vordering toe te kennen.
SA vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en om het vonnis a quo te bevestigen.
Volgens het recht
Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe:
"Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten".
Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december 2004:
(Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1).
Voor het hof houdt deze cassatierechtspraak in dat er in het feitenmateriaal niet moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke uitvoering van de overeenkomst dit statuut niet tegenspreekt.
Het hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht.
x x x
Het eerste wat moet worden onderzocht is of de betrokken partijen hun samenwerking hebben gekwalificeerd en hoe ze dit hebben gedaan: rechtstreeks of onrechtstreeks.
Kwalificatie gaat over het leggen van een abstract, algemeen verband tussen een rechtsfeit of een rechtshandeling en een in een rechtsnorm uitgedrukte hypothese. Toegepast op een overeenkomst gaat het om een juridische duiding van de gemaakte afspraken (W. Van Eeckhoutte, 'Gezag' in de cassatierechtspraak, in NJW 12 januari 2005, blz. 7 nr. 18).
Deze duiding is rechtstreeks wanneer ze is terug te vinden in een geschrift. Ze is onrechtstreeks wanneer ze niet in een geschrift is terug te vinden.
Aan het hof wordt geen schriftelijke overeenkomst voorgelegd, waarin de samenwerking tussen SA en JV wordt geregeld. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat dergelijke schriftelijke overeenkomst tussen deze partijen niet werd opgemaakt.
Een rechtstreekse kwalificatie van hun samenwerking ontbreekt aldus.
De vraag is dan of de betrokken partijen onrechtstreeks hun samenwerking als een zelfstandige samenwerking hebben gekwalificeerd.
JV geeft in zijn verklaring eerst wel aan dat hij om een werknemersstatuut had gevraagd maar tenslotte verklaarde hij: "Ik was akkoord om als zelfstandige te werken in onderaanneming."
SA is veel formeler over de zelfstandige aard van de samenwerking: "... Hij was een kennis van mij die gevraagd had of ik voor hem wat werk had. Ik veronderstel dat hij al zelfstandige was, want hij zocht werk in onderaanneming of hij wou klanten overnemen. Wij zijn toen mondeling overeengekomen dat als ik teveel werk had, ik hem zou contacteren. Wij hebben geen schriftelijke overeenkomst afgesloten."
Uit de facturatie door JV, uit zijn aansluiting bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, uit zijn aanvraag van een BTW-nummer en uit zijn inschrijving in het handelsregister blijkt dat deze partijen hun samenwerking ook daadwerkelijk op een zelfstandige basis hebben geschoeid.
Het besluit is dat SA en JV hun samenwerking onrechtstreeks hebben gekwalificeerd als een zelfstandige samenwerking.
x x x
De RSZ meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen hen beiden niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er integendeel sprake is van prestaties als werknemer.
In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt (vertrekken van de kwalificatie van de betrokken partijen) moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse uitvoering van deze samenwerking onverenigbaar zijn met de kwalificatie van zelfstandige samenwerking.
Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de RSZ, op wie de bewijslast rust.
Hij zet immers een in het rechtsverkeer een rechtsgeldig tot stand gekomen kwalificatie op de helling.
Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en zo ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf.
Immers artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden."
Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969, dient te worden verwezen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 (wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.'
De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband.
Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer.
Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'.
Het element 'arbeid' was zeker terug te vinden in de samenwerking tussen SA en JV. Deze laatste ging ruiten wassen bij klanten van SA. Dit gebeurde regelmatig in de periode die de RSZ viseert. De voorgelegde facturatie toont dit genoegzaam aan.
Ook het element 'loon' is aanwezig in deze samenwerking. Opnieuw laten de voorgelegde facturen hierover geen twijfel bestaan.
Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden.
In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economische gezag of de economische afhankelijkheid.
Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst:
"Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen."
Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203).
x x x
Welke zijn nu de elementen die de RSZ in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete werkomstandigheden van elke dag?
De sociale controleur haalt in zijn onderzoeksverslag van 7 juni 2000 de volgende elementen aan:
x JV werkte voor slechts één opdrachtgever,
x de overeenkomst was intuitu personae,
x SA stelde al het materiaal en het gerief ter beschikking,
x het vervoer naar de werven gebeurde door SA,
x JV was louter een uitvoerder en diende de richtlijnen van SA uit te voeren ook qua tijdsbesteding,
x de klanten waren de klanten van SA,
x SA controleerde het werk van JV,
x JV ontving duidelijke instructies van SA,
x JV werd per uur betaald, het loon was prestatiegebonden,
x JV droeg geen bedrijfsrisico en hij had geen financiële inbreng.
In conclusies voegt de RSZ daar geen nieuwe elementen aan toe.
Deze elementen haalt de RSZ uitsluitend uit de verklaringen, die de betrokken partijen hebben afgelegd aan de sociale inspecteur. Er werden blijkbaar geen andere vaststellingen gedaan door de inspectie en er worden door de RSZ geen andere elementen bijgebracht, die de ene of de andere verklaring ondersteunen.
Deze verklaringen stemmen niet altijd met elkaar overeen. Het hof vindt in het dossier geen houvast om aan de ene verklaring meer bewijswaarde toe te kennen dan aan de andere verklaring. Bijgevolg zijn de punten, waarop de verklaringen van elkaar verschillen, als niet bewezen te beschouwen, in het nadeel van de RSZ.
JV werkte voor slechts één opdrachtgever.
De eerste rechters merkten terecht op dat uit de verklaringen en de stukken van het dossier blijkt dat JV opdrachten uitvoerde voor meerdere opdrachtgevers.
SA verklaarde dat de samenwerking met JV werd stopgezet omdat deze laatste blijkbaar zijn handen vol had met zijn eigen klanten.
Het element dat JV slechts voor één opdrachtgever werkte, is niet bewezen.
De overeenkomst was intuitu personae.
De eerste rechters oordeelden correct dat de elementen van het dossier niet toelaten met zekerheid te besluiten dat JV zich niet kon laten vervangen in geval van ziekte of afwezigheid.
De verklaring van JV sluit zulks niet echt uit. Hij vermoedt enkel dat SA voor vervanging zou hebben gezorgd.
Zekerheid daarover is er niet want het geval heeft zich nooit voorgedaan.
De verklaring van SA doet zelfs vermoeden dat JV zich wel degelijk kon laten vervangen.
In het dossier zijn er evenmin elementen van een andere aard, die bewijzen dat de overeenkomst intuitu personae werd aangegaan.
Het element is niet bewezen.
SA stelde al het materiaal en het gerief ter beschikking.
Correct merkten de eerste rechters op dat de verklaringen van de betrokken partijen elkaar tegenspreken.
Andere bewijsstukken spreken het gegeven tegen.
In dat geval is er geen bewijs geleverd.
Het vervoer naar de werven gebeurde door SA.
Ook op dit punt spreken de verklaringen elkaar tegen en is het bewijs dus niet geleverd. JV bracht zelf vervoeronkosten fiscaal in rekening.
JV was louter een uitvoerder en diende de richtlijnen van SA uit te voeren ook qua tijdsbesteding.
Het louter uitvoeren van opdrachten is een element dat niet noodzakelijk een zelfstandige wijze van samenwerken uitsluit. Het hof volgt het oordeel van de eerste rechters.
Bij onderaanneming kan er in regie worden gewerkt, wat toch sterk gelijkt op het louter uitvoeren van een opdracht.
De afgelegde verklaringen stemmen niet met elkaar overeen wat betreft de richtlijnen die JV van SA ontving.
SA verklaarde dat hij enkel algemene richtlijnen aan JV gaf, richtlijnen die evengoed gebruikelijk zijn in een situatie van onderaanneming.
Evenmin stemmen de verklaringen met elkaar overeen wat betreft de arbeidstijd. SA houdt voor dat JV over een ruime marge beschikte om binnen een bepaalde tijdsperiode te zorgen dat de opdracht werd uitgevoerd.
Er was volgens hem geen sprake van strikte instructies over de tijdstippen waarop de opdrachten moesten worden uitgevoerd.
Het element is ofwel niet bewezen ofwel niet pertinent. Het hof volgt de eerste rechters.
De klanten waren de klanten van SA.
Het feit dat JV enkel werkte voor klanten van SA sluit een zelfstandige samenwerking niet uit en is geen bewijs van de uitoefening van werkgeversgezag.
Het element is niet pertinent.
SA controleerde het werk van JV.
Ook wat dit element betreft, oordeelden de eerste rechters correct dat de elementen van het dossier niet toelaten met zekerheid te besluiten dat de aard van de controle die SA over het werk van JV zou hebben uitgeoefend, onomstotelijk het bestaan van werkgeversgezag bewijst.
In zulk geval slaat de controle op de wijze waarop de werknemer zijn arbeid verricht: voert hij uit wat hem werd opgedragen, doet hij het op de wijze en volgens de techniek die hem werden opgelegd, presteert hij op de tijdstippen die contractueel werden overeengekomen?
Dit soort controle, als veruitwendiging van werkgeversgezag, is in casu niet bewezen.
JV ontving duidelijke instructies van SA.
Dit element werd hogerop al besproken. Uit de verklaringen van de betrokken partijen, het enige bewijs dat de RSZ aanvoert, wordt dit element niet bewezen.
JV werd per uur betaald, het loon was prestatiegebonden.
Het hof volgt de beoordeling van de eerste rechters: uit de verklaringen volgt niet honderd percent dat JV louter met een uurloon werd betaald.
Het element is onvoldoende bewezen.
JV droeg geen bedrijfsrisico en hij had geen financiële inbreng.
Dit is een element met een economisch karakter. Het verwijst naar een economische afhankelijkheid van JV, maar het is geen bewijs van juridisch werkgeversgezag.
Conclusie:
De elementen die de RSZ aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet dienstig omdat ze wijzen onder andere op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag maar ze zijn vooral niet bewezen.
Werken onder een zelfstandig statuut was voor JV niet onlogisch, temeer omdat hij op die weg is verder gegaan en hij, na het stopzetten van de samenwerking met SA, zelfstandige is gebleven.
In deze zaak zijn er door de RSZ geen voldoende elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie van zelfstandige samenwerking uitsluiten.
De RSZ voert ten onrechte aan dat de eerste rechters onvoldoende de bedoeling en de draagwijdte van het statuut van aannemer aan de feiten hebben getoetst. De beoordeling moet zich niet richten op het statuut van zelfstandige. RSZ-bijdragen zijn er niet verschuldigd als een zelfstandig statuut gebreken vertoont, maar enkel als het effectief bestaan van een arbeidsovereenkomst is bewezen. De beoordeling moet zich dan ook richten naar dit bestaan van een arbeidsovereenkomst.
Eindconclusie.
De RSZ slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen.
Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn.
Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen de SA en JV niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst in de periode die de RSZ viseert.
De oorspronkelijke vordering van de RSZ blijft ongegrond.
De kosten van betekening.
De RSZ voert aan dat SA de kosten van de akte van betekening van 9 juni 2005 zelf moet dragen omdat op dat ogenblik reeds hoger beroep zou zijn aangetekend.
Het verzoekschrift in hoger beroep werd ter griffie neergelegd op 30 juni 2005, dus ruim na 9 juni 2005.
Uit de veroordeling van een partij in de kosten van het geding volgt, krachtens artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek, dat ook de kosten van tenuitvoerlegging ten laste van die partij komen (Cass., 27 februari 1995, R.W. 1995-96, 43).
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Recht doende op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 januari 2005.
Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ.
Vereffent de kosten aan de zijde van de RSZ op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van SA op 7,50 euro uitgifte en 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend en zes, die samengesteld was uit:
de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer,
mevrouw R. DOCX, raadsheer in sociale zaken als werkgever,
de heer R. CARAEL, raadsheer in sociale zaken als werknemer,
mevrouw L. VAN CALSTER, griffier.