Hof van Beroep: Arrest van 15 December 2003 (Antwerpen). RG 2000AR2072

Date :
15-12-2003
Language :
Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20031215-4
Role number :
2000AR2072

Summary :

1. De verzekeraar is krachtens de betaling die hij aan zijn verzekerde verrichtte in de plaats getreden in diens rechten en rechtsvorderingen. De voorbehoudloze uitputting van de rechten van de verzekerde ten aanzien van de aansprakelijke derde door middel van de gesubrogeerde vordering impliceert een stilzwijgende doch ondubbelzinnige afstand van de rechten van terugvordering wegens onverschuldigde betaling. 2. Het is strijdig met de goede trouw het betaalde van de verzekerde terug te vorderen na de subrogatie te hebben verworven en deze te hebben uitgeput door het verwerven van een titel tegen de aansprakelijke. Zodoende zou de grondslag van de subrogatie worden teruggetrokken, terwijl de subrogant gedurende de tijd dat de gesubrogeerde zijn vordering uitoefende, zelf in de onmogelijkheid was om zijn rechten te kunnen uitoefenen.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF;
1. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turn-hout van 5 juni 2000 heeft de oorspronkelijke eis van appellante, de ver-oordeling van geïntimeerde beogend tot de betaling van een som van EUR 22868,97 (922.532,- : 40,3399), te vermeerderen met de vergoedende in-teresten op EUR 4957,87 (200.000,- : 40,3399) vanaf 25 september 1992 en op EUR 17911,10 (722.532,- 40,3399) vanaf 1 juli 1992, en met de gerechte-lijke interesten, ongegrond verklaard.
Appellante werd verwezen in de gedingkosten.
2. Appellante stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger be-roep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 11 augustus 2000.
De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 17 november 2003.
3. Het doel en de grondslag van de oorspronkelijke eis van appellante blijken zowel in feite als in rechte uit de inleidende dagvaarding van 15 ok-tober 1998 en inzonderheid uit het beroepen vonnis. Het Hof verwijst er-naar.
Appellante vordert dat haar oorspronkelijke eis bij hervorming van het be-roepen vonnis integraal gegrond zou worden verklaard en geïntimeerde zou worden veroordeeld zoals gevorderd.
Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo.
Geïntimeerde heeft ook opnieuw de verjaring opgeworpen, welke exceptie zij ten onrechte als een incidenteel beroep heeft omschreven, vermits de eerste rechter de verjaring blijkens de redengeving van het vonnis aan-vaardde.
Geïntimeerde heeft bovendien een tegeneis ingediend tot de veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 3718,40 (150.000,- : 40,3399) wegens tergend en roekeloos hoger beroep.
4. Wat de verjaring betreft.
4.1. Geïntimeerde heeft de exceptie van de verjaring tegengeworpen. Zij houdt voor dat de vordering van appellant met toepassing van art. 32 (oude) Verzekeringswet 1874 verjaard is vermits deze werd ingediend toen reeds meer dan drie jaar sedert haar betalingen verstreken waren.
Appellante betwist de verjaring en voert aan dat de door geïntimeerde be-doelde en te dezen toepasbare verjaringstermijn slechts een aanvang nam op het ogenblik waarop definitief vaststond dat zij een rechtsgrond bezat om haar vordering in te dienen, met name vanaf het ogenblik waarop de veroordeling van R.H. bij arrest van dit Hof van 28 juni 1996 wegens opzet-telijke brandstichting in kracht van gewijsde is getreden.
De eerste rechter achtte de vordering van appellante verjaard, niettegen-staande hij de grond van de vordering toch nog beoordeelde.
4.2. Appellante heeft haar vordering een regresvordering genoemd. Geïntimeerde heeft deze kwalificatie niet aangevochten.
In de hypothese van de regresvordering wordt te dezen vastgesteld dat appellante haar betalingen verrichtte vooraleer kwam vast te staan bij de voormelde definitieve veroordeling van R.H. dat zij het betaalde kon terug-vorderen. In dat geval nam de verjaringstermijn van drie jaar volgens de gelding van het oude stelsel slechts een aanvang vanaf het ogenblik waar-op het recht op regres kwam vast te staan. Het beweerd recht van appel-lante is slechts komen vast te staan bij het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling van R.H. van 28 juli 1996, te weten ten gevolge van het arrest van het Hof van Cassatie van 3 december 1996. De dagvaarding van appellante werd op 15 oktober 1998 alleszins binnen de drie jaar daar-na uitgebracht en was dus tijdig om de verjaring nuttig te stuiten.
Het weze opgemerkt dat de vordering van appellante mogelijkerwijze geen regres betreft maar een terugvordering die voortspruit uit een onverschul-digde betaling. In dat geval is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing waardoor ook tot geen ander besluit kan gekomen worden dan dat de rechtsvordering van appellante niet verjaard is.
5. Wat de grond van de zaak betreft.
5.1. Appellante houdt voor dat zij aan geïntimeerde de waarborg van de verzekering heeft verstrekt in de overtuiging dat geïntimeerde getroffen was door een verzekerd en een gedekt schadegeval, doch dat nadien ge-bleken is dat de schade door opzettelijke brandstichting door een als ver-zekerde te beschouwen derde werd aangericht waardoor de dekking was uitgesloten.
Geïntimeerde werpt tegen dat appellante haar recht op terugvordering ver-loren heeft door te betalen zonder enig voorbehoud, minstens door zich als in haar plaats gestelde in de strafprocedure ten laste van R.H.
burgerlijke partij te stellen. Zij betwist bovendien dat de brandstichter een als verze-kerde te beschouwen persoon was en besluit dat zij terecht met toepassing van de verzekeringsovereenkomst van partijen werd vergoed.
5.2. Appellante laat haar eis niet steunen op een in de verzekerings-overeenkomst in kwestie omschreven regres. Zij voert aan dat de brand die de stacaravan van geïntimeerde op 11 augustus 1992 teisterde, een niet-verzekerd geval betrof in de zin van art. 25 van de polis omdat de schade werd veroorzaakt door de verzekerde, inzonderheid door een als verzeker-de te beschouwen persoon. Haar vordering tot terugbetaling slaat op beta-lingen die zij, volgens haar, niet verschuldigd was.
Uit het arrest van dit Hof, gewezen in strafzaken ten laste van R.H. op 28 juni 1996, blijkt dat appellante in dit geding is opgetreden als gesubrogeer-de in de rechten van geïntimeerde en de veroordeling van de beklaagde verkreeg tot de betaling van de sommen die zij aan geïntimeerde ter uit-voering van de verzekeringsovereenkomst had uitgekeerd.
Uit de eigen vermeldingen in de ingebrekestelling van geïntimeerde bij brief van de raadsman van appellante van 10 oktober 1997 blijkt dat laatstge-noemde minstens gepoogd heeft de aldus verkregen veroordeling uit te voeren ten laste van R.H..
Appellante heeft door in de rechten en de rechtsvorderingen van geïnti-meerde te treden uitvoering gegeven aan art. 63, 1ste lid van de toepasbare speciale polisvoorwaarden.
Deze subrogatie steunde op de geldige betalingen die appellante aan geïn-timeerde had verricht met indeplaatsstelling.
De voorbehoudloze uitputting door appellante van de rechten van geïntimeerde ten aanzien van de aan-sprakelijke derde door middel van de indeplaatststelling impliceert een stil-zwijgende doch ondubbelzinnige afstand van haar rechten op terugvorde-ring van het betaalde wegens onverschuldigde betaling.
Bovendien is de uitoefening van de vordering tot terugbetaling te dezen strijdig met de goede trouw die de uitvoering van overeenkomsten moet vergezellen, vermits de verzekeringsovereenkomst in kwestie eerst zonder enig voorbehoud door appellante werd uitgevoerd waardoor de indeplaats-stelling werd verworven om daarna, na uitputting van de gesubrogeerde rechten en het verwerven van een titel tegen de aansprakelijke, terugbeta-ling te vorderen wat de terugtrekking van de grondslag van de subrogatie zou betekenen. Ondertussen heeft geïntimeerde haar rechten tegen de aansprakelijke door de betaling met indeplaatststelling van appellante ge-durende meer dan vijf jaar niet uitgeoefend of niet kunnen uitoefenen.
De eis van appellante is dan ook ongegrond.
6. Ook al blijkt het hoger beroep van appellante niet toewijsbaar, daarmee is nog niet aangetoond dat dit een tergend en roekeloos karakter heeft. Haar eis werd in eerste aanleg niet alleen ten onrechte verjaard ver-klaard maar bovendien waren de feitelijke omstandigheden zodanig dan redelijkerwijze niet op voorhand kon uitgesloten worden dat zij bij machte zou bevonden worden om het bewijs van het samenwonen van geïntimeer-de met de aansprakelijke derde te leveren en dit bewijs nog in nuttige orde kon worden aangebracht.
OM DEZE REDENEN
Het Hof,
Recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar doch ongegrond,
Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen met wijziging en aan-vulling van de redengeving zoals voormeld,
Verklaart de tegeneis van geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond,
Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 456,12.