We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.
We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.

Hof van Beroep: Arrest van 17 April 2001 (Antwerpen). RG 2001/RK/59

Date :
17-04-2001
Language :
Dutch
Size :
6 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20010418-10
Role number :
2001/RK/59

Summary :

De vordering behoort tot de rechtsmacht van de justitiële rechter wanneer deze er werkelijk en rechtstreeks tot strekt het bestaan van een subjectief recht te doen vastleggen of de eerbiediging ervan te doen nakomen. Het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het geschil moet een schending zijn door de overheid van een rechtsplicht om een welbepaalde handeling te stellen of zich daarvan te onthouden. Een subjectief recht impliceert een reeds verkregen en dadelijk belang. Werken die beogen de woongelegenheid in een gebouw te wijzigen, bestemd voor huisvesting, zijn vergunningsplichtig in de zin van art. 99§1,7° D.R.O.. De huisvesting van asielzoekers impliceert wonen omdat deze elders geen woning hebben en de zetel van hun belangen in het asielcentrum vestigen.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF;
Volgens geïntimeerde, de Belgische Staat, heeft de ministerraad op 6 december 2000, anticiperend op het in werking treden op 3 januari 2001 van art. 71 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, ingevoegd als art. 57ter OCMW-wet, beslist de opvangcapaciteit voor kandidaat-politieke vluchtelingen uit te breiden o.m. te Arendonk in de voormalige Duitse militaire basis. Er werden maatregelen aangekondigd om te Arendonk in een eerste fase 45 asielzoekers te kunnen opvangen. De opvangcapaciteit zou tegen 1 juni 2001 geleidelijk uitgebreid worden tot 600 plaatsen.
Nog steeds volgens de Belgische Staat kon de eerste fase van het plan te Arendonk verwezenlijkt worden door niet-vergunningsplichtige werken aan bestaande gebouwen. Uit een nota van de regie van de gebouwen (stuk 6 van het dossier van geïntimeerde) blijkt dat het voornemen bestond voor de tweede fase een bouwaanvraag in te dienen, inzonderheid om de voorziene containers, prefabstaal- of prefabbetongebouwen te plaatsen.
De Belgische Staat betwist niet dat de werken van de eerste fase, de zogenaamde niet-vergunningsplichtige werken, nu uitgevoerd worden. Hij betwist wel dat deze werken bijkomende woongelegenheid zouden creëren.
Hij houdt voor dat enkel in bestaande gebouwen opvangmogelijkheid voor 45 personen wordt tot stand gebracht.
Appellanten, die in de onmiddellijke nabijheid wonen van de gebouwen, waaraan thans wordt gewerkt, voeren aan dat de werken van geïntimeerde omvangrijk en vergunningsplichtig zijn. Zij houden op die grond voor dat deze werken worden uitgevoerd in strijd met de wetgeving op de stedenbouw en de ruimtelijke ordening.
Zij beweren dat zij hierdoor geschaad worden, minstens dat er voor hen ernstige schade dreigt.
Appellanten hebben de Belgische Staat op 26 januari 2001 gedagvaard in kort geding om de stillegging en het verbod tot gebruik te horen bevelen van de niet-vergunde werken aan de gebouwen en de terreinen van de voormalige Duitse basis te Arendonk op straffe van een dwangsom van 1.000.000,-F per dag bij overtreding van het te verlenen bevel.
De Belgische Staat betwistte de rechtsmacht van de geadieerde rechter in kort geding, de aanwezigheid van het vereiste belang aan de zijde van appellanten, de urgentie en de grond van hun eis.
De beroepen beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zitting houdend in kort geding op 12 februari 2001, heeft de eis van appellanten toelaatbaar maar ongegrond verklaard.
Er werd weliswaar geoordeeld dat de eis van appellanten niet aan de rechtsmacht van de justitiële rechter onttrokken was, dat deze eis voldeed aan het spoedvereiste en dat het nodige belang werd aangetoond, maar ook dat appellanten in gebreke bleven afdoende te bewijzen dat geïntimeerde niet-vergunningsplichtige werken uitvoerde en dat de gebruikswijziging van de gebouwen in kwestie een inbreuk op de stedenbouwwet impliceerde.
Appellanten hebben een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 februari 2001.
De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 5 maart 2001.
1. De eisen in hoger beroep.
Overwegende dat appellanten de integrale toewijzing van hun oorspronkelijke eis vorderen; dat zij, ondergeschikt, alvorens verder recht te doen, vragen de heer V.G., architect van de regie van de gebouwen, als getuige op te roepen en te horen over het volgende feit: "...de aard en de omvang van de werken andere dan het vervangen van sanitaire toestellen, schilder- en opkuiswerken dewelke thans in uitvoering zijn op de terreinen van de militaire basis te Arendonk gelegen aan de De Grens...";
Overwegende dat geïntimeerde incidenteel beroep heeft ingesteld en vordert dat het Hof zich, zoals de eerste rechter volgens hem had moeten doen, zonder rechtsmacht zou verklaren om kennis te nemen van de eis van appellanten; dat hij, ondergeschikt, opnieuw vraagt de eis van appellante ontoelaatbaar te verklaren bij gebreke aan het vereiste belang minstens ongegrond te bevinden wegens gebrek aan spoed; dat hij, meer ondergeschikt, de bevestiging van de beschikking a quo vraagt;
2. De rechtsmacht van de justitiële rechter - incidenteel beroep van geïntimeerde.
Overwegende dat geïntimeerde aanvoert dat de kennisneming van de eis van appellanten, in zoverre deze de beslissing tot het inrichten van een asielcentrum betreft en de staking van het gebruik van het centrum wordt gevorderd, behoort tot het objectief contentieux en niet tot de rechtsmacht van de justitiële rechter;
Dat de eerste rechter dit verweer van geïntimeerde terecht heeft afgewezen, na vastgesteld te hebben dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de eis van appellanten de schending van hun subjectieve rechten betreft;
Overwegende dat de geschillen over subjectieve rechten krachtens art. 144 en 145 G.W. in de regel behoren tot de rechtsmacht van de justitiële rechter; dat de administratieve rechtscolleges wat sommige politieke rechten betreft een toegewezen bevoegdheid hebben; dat het contentieux van de subjectieve rechten aldus te onderscheiden is van het objectief contentieux en van de bestuursgeschillen; dat de vordering tot de rechtsmacht van de justitiële rechter behoort wanneer deze er werkelijk en rechtstreeks toe strekt het bestaan van een subjectief recht te doen vastleggen of de eerbiediging ervan te doen nakomen;
Overwegende dat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het geschil dan ook de schending moet zijn door de overheid als verweerder van een rechtsplicht om een welbepaalde handeling te stellen of zich daarvan te onthouden, waaraan aan de zijde van de eiser een subjectief recht beantwoordt;
Dat appellanten in de dagvaarding van 26 januari 2001 hebben aangevoerd dat de bestreden werken, die, naar zij voorhouden, op onwettige wijze worden uitgevoerd, eens voltooid en in gebruik genomen als woongelegenheden de uitoefening van hun eigendomsrechten zullen hinderen en hun rechten op bescherming van hun private levenssfeer zullen aantasten;
Dat het de onbetwistbare rechtsplicht van de overheid is de wetten inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en milieu na te komen;
Dat appellanten als aangelanden van het domein waarop de werken in kwestie worden uitgeoefend het rechtstreeks nadeel laten gelden dat zij (zullen) ondervinden door het beweerd onwettig overheidsoptreden;
Dat geïntimeerde ten onrechte voorhoudt dat het werkelijk voorwerp van de eis van appellanten de beslissing van de ministerraad is om ter plaatse een asielcentrum in te richten; dat deze beslissing noch haar uitvoering op zich door appellanten te dezen worden aangevallen; dat enkel het zogenaamd onwettig uitvoeren van bouwwerken en het gebruik van zogenaamde onwettig opgerichte constructies door appellanten worden beoogd;
Dat appellanten aldus aanvoeren dat het optreden van geïntimeerde de miskenning inhoudt van de rechtsplicht van de overheid, met name de nakoming van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening, stedenbouw en milieu, waaraan wat hen betreft een subjectief recht beantwoordt dat, naar zij beweren, door deze miskenning wordt geschonden;
Dat de justitiële rechter in kort geding krachtens art. 584 Ger.W. bevoegd is om dringende en voorlopige maatregelen te nemen wanneer de aantasting van burgerlijke subjectieve rechten het gevolg is van een door onwettigheid aangetast overheidsoptreden;
Dat de justitiële rechter dan ook rechtsmacht heeft om van onderhavige eis van appellanten kennis te nemen;
3. De toelaatbaarheid van de eisen van geïntimeerde - incidenteel beroep van geïntimeerde.
Overwegende dat geïntimeerde poneren dat appellanten geen eigen belang hebben bij de inwilliging van hun eis; dat zij slechts het algemeen belang zouden delen dat eenieder heeft bij de naleving van de wet door de anderen; dat hun eis daarom ontoelaatbaar zou zijn;
Dat de eerste rechter de eis van appellanten terecht toelaatbaar verklaarde;
Dat appellanten immers aantonen, wat overigens niet betwist is, dat hun erven grenzen aan het domein waarop geïntimeerde zijn werken uitvoert en dat de gebouwen waaraan gewerkt wordt, slechts op enkele tientallen meters van de woningen van appellanten verwijderd zijn; dat de aangevoerde strijdigheid met de wet, inzonderheid het uitvoeren van bouwwerken zonder vergunning, het zal mogelijk maken, zelfs in een eerste fase, dat geïntimeerde woongelegenheid tot stand brengt voor enkele tientallen personen; dat appellanten in hun inleidende dagvaarding hebben aangevoerd dat dit verblijf te dezen een hinderlijke invloed zal hebben voor hen op het uitoefenen van hun eigendomsrecht, op de nabuurschap, en op het milieu;
dat inderdaad aannemelijk is dat het grondig gewijzigd, en thans op wederrechtelijke wijze tot stand gebracht gebruik van de bestaande gebouwen, voorheen hoofdzakelijk dienend voor administratieve functies, en thans klaar te maken voor woongelegenheden voor enkele tientallen personen, aanleiding zal geven tot een verstoring van het bestaand evenwicht tussen de uitoefening van de eigendomsrechten in het kader van de nabuurschap; dat immers waarschijnlijk is dat alle gebruikelijke woonactiviteiten van de talrijke bewoners zullen uitgeoefend worden in de zone gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de woningen van appellanten met een onvermijdelijke hinderende weerslag op de woonactiviteit op de erven van appellanten en op de privacy van deze laatsten;
Dat appellanten daaraan nog toevoegen dat de gebouwen, waarin door de verbouwingen in kwestie woongelegenheden worden gecreëerd, niet aangesloten zijn op het openbaar rioleringsnet en zelfs de actuele toestand voor milieuhinder zorgt (cf. verslag Krijgsmacht - Infrastructuurwerken - 4de Regionale Directie der bouwwerken d.d. 29/04/1997 - stuk 14 dossier appellanten); dat de aanzienlijke toename van bewoners ter plaatse deze hinder enkel maar in belangrijke mate kan doen toenemen, zodat ook in dat opzicht waarschijnlijk wordt gemaakt dat er voor appellanten ernstige hinder en schade dreigt;
Dat de omstandigheden in onderhavige zaak prima facie van aard zijn om appellanten een rechtstreeks en persoonlijk nadeel te berokkenen door de wederrechtelijke werken en het gebruik dat daarvan beoogd wordt;
Dat appellanten aldus voldoende blijk geven van het vereiste reeds verkregen en dadelijk belang in de zin van art. 17 en 18 Ger.W. om hun eis op toelaatbare wijze te kunnen indienen;
4. Het spoedvereiste.
Overwegende dat geïntimeerde in eerste aanleg betwistte dat de eis van appellant hoogdringend zou zijn;
Dat de eerste rechter terecht heeft aanvaard dat de eis van appellanten spoedeisend is;
Dat bij het uitblijven van de gevorderde maatregelen immers de toestand, waarvan appellanten het wederrechtelijk en het schadeverwekkende karakter menen te kunnen voorhouden, verder in toenemende mate zijn door appellanten aangeklaagde uitwerking zal hebben;
Dat geïntimeerde dit verweer overigens in hoger beroep niet meer heeft opgeworpen;
Dat het Hof constateert dat de door appellanten aangevoerde urgentie ook nu nog bestaat;
5. De werken zonder vergunning - het hoger beroep van appellanten.
Overwegende dat appellanten voorhouden dat geïntimeerde in de bestaande gebouwen van de voormalige Duitse basis te Arendonk omvangrijke vergunningsplichtige werken aan het uitvoeren is zonder bouwvergunning;
dat zij beweren dat de aard en de omvang van de ter plaatse waargenomen bouwmaterialen, de coördinatie van het werk door de regie der gebouwen en de diverse aannemers die aan het werk zijn, aantonen dat het omvangrijke werken betreft van, naar schatting, bijna 20.000.000,-F, die de schaal van de herstellingen instandhoudingwerken overtreffen; dat zij verzoeken zo nodig de leidinggevend architect van de regie der gebouwen te horen als getuige;
Dat geïntimeerde tegenwerpt dat thans enkele kleine niet-vergunningsplichtige werken worden uitgevoerd waardoor een minimale opvang voor 45 personen kan worden geboden, zoals het vervangen van sanitaire toestellen, schilderwerken, aanbrengen van brandwerende deuren en nog kleine instandhoudingwerken;
Dat de standpunten van partijen wat de aard en de omvang van de werken betreft dan ook tegenstrijdig zijn;
Overwegende dat appellanten de toestand van de gebouwen vóór de werken in kwestie hebben beschreven;
Dat zij hebben uiteengezet dat de kantoor- en dienstgebouwen, waaraan thans gewerkt wordt, een louter administratieve functie hadden met daarbij een zeer beperkt logementgedeelte voor de militairen belast met de nachtelijke wachtdienst; dat de gebouwen niet waren uitgerust met een keuken;
Dat geïntimeerde deze beschrijving niet heeft betwist; dat deze trouwens overeenstemt met de nota van de minister van maatschappelijke integratie en sociale economie aan de ministerraad van 9 november 2000 (stuk 4 van het dossier van geïntimeerde), waarin betreffende de site Arendonk melding is gemaakt van een bestaand blok met een slaapzaal, van een kantoorblok en van het ontbreken van een keuken;
Dat uit dezelfde nota blijkt dat het in de bedoeling lag de nodige werken aan de bestaande gebouwen uit te voeren om 150 personen op te vangen; dat tevens het streefcijfer van 600 opvangplaatsen vermeld werd;
Dat de beoogde werken nauwkeuriger beschreven staan in de nota van de regie der gebouwen van 16 januari 2001 (stuk 6 van het dossier van geïntimeerde) en wel als volgt: "Vooraan op het terrein ...wordt in de ex-militaire gebouwen d.m.v. herinrichtingswerken de huisvesting van 168 vluchtelingen voorzien, ...";
dat dit onmiskenbaar de werken betreft in de zogenaamde slaapblok en kantoorblok in kwestie; dat tevens toelichting wordt gegeven bij de stand van de werken:
" - 5 opdrachten zijn gestart op de werf, - 6 opdrachten worden nog deze week betekend (= aanvangsbevel), - 23 bestekken voor onderhandse opdrachten en algemene offertevragen zijn ingediend en in afhandeling";
Dat appellanten aan de hand van de staat van de gebouwen vóór de werken en van de beschrijving van de werken in uitvoering, inzonderheid in het licht van het beoogde doel om de gebouwen geschikt te maken voor de huisvesting van 150 à 168 personen, prima facie afdoende aantonen dat deze werken verbouwingswerken zijn in de zin van art. 99, §1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en niet louter onderhoud- en instandhoudingwerken;
Overwegende dat uit voormelde nota's van de overheid zelf blijkt dat de werken ertoe strekken de gebouwen zodanig aan te passen dat zij zouden kunnen dienen tot opvang van 150 à 168 asielzoekers;
Dat deze mensen klaarblijkelijk aldaar zullen wonen; dat zij immers elders geen woning meer hebben of deze zijn ontvlucht en de zetel van hun belangen in het asielcentrum zal gevestigd zijn; dat zij ter plaatse als vreemdelingen zullen worden ingeschreven; dat het tijdelijk karakter van hun verblijf hieraan geen afbreuk doet;
Dat de werken in kwestie dan ook prima facie het inrichten van woongelegenheid beogen; dat werken die in een gebouw het aantal woongelegenheden wijzigen die bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of van een alleenstaande volgens art. 99, §1, 7° van het decreet houdende de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning een etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubelde kamer;
Dat het aldus vooralsnog voorkomt dat geïntimeerde, in strijd met zijn beweringen, door de werken in kwestie wel bijkomende woongelegenheid creëert;
Overwegende dat voorgaande elementen prima facie reeds afdoende aantonen dat geïntimeerde vergunningsplichtige werken aan het uitvoeren is waarvoor hij geen stedenbouwkundige vergunning heeft aangevraagd, laat staan in bezit heeft;
Dat appellanten nog aanvoeren dat geïntimeerde door zijn werken een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van de bestaande gebouwen doorvoert en tegelijkertijd een bestemming verwezenlijkt die strijdig is met het gewestplan;
Dat geïntimeerde ook deze argumentatie bestrijdt;
Dat deze betwisting er evenwel niet aan in de weg staat dat prima facie blijkt dat geïntimeerde vergunningsplichtige werken uitvoert zonder stedenbouwkundige vergunning;
Dat het de rechtsplicht is van de overheid de stedenbouwkundige voorschriften na te komen; dat appellanten als aangelanden van het terrein waar de niet-vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, een rechtstreeks belang hebben bij de nakoming van voormelde rechtsplicht door de overheid;
Overwegende dat de eis van appellanten gegrond voorkomt;
Dat de gevorderde maatregel aangepast voorkomt ter voorkoming en uitbreiding van de schade die appellanten ondervinden en dreigen te ondervinden door de prima facie foutieve handelingen van geïntimeerde;
Dat de gevorderde dwangsom tot de hierna vermelde redelijke normen moet worden herleid;
OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar en gegrond, Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond, Wijzigt de beroepen beschikking, Verklaart de oorspronkelijke eis van appellanten toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond, Beveelt geïntimeerde de werken die hij thans uitvoert aan de gebouwen op de voormalige Duitse militaire basis te Arendonk, De Grens, stop te zetten binnen een termijn van drie dagen na de betekening van onderhavig arrest, en legt geïntimeerde het verbod op om de gebouwen in gebruik te nemen als asielcentrum zolang voor deze heringerichte gebouwen niet de vereiste stedenbouwkundige vergunning werd verkregen, onder de verbeurte van een dwangsom van 100.000,-F per dag waarop de voormelde bouwwerken worden verder gezet of de gebouwen in kwestie op voormelde wijze in gebruik worden genomen, Zegt voor recht dat de dwangsom slechts zal vervallen in geval van inbreuk op onderhavig bevel na het verstrijken van een termijn van drie dagen na de betekening van het arrest en slechts totdat maximaal een som van 10.000.000,-F zal zijn verbeurd, Wijst het meer en anders gevorderde af, Verwijst geïntimeerde in de gedingkosten van beide aanleggen;