Hof van Beroep: Arrest van 20 November 2002 (Antwerpen). RG 1999AR955
- Section :
- Case law
- Source :
- Justel N-20021120-3
- Role number :
- 1999AR955
Summary :
1. Gezien partijen nalaten zelf de nodige gegevens voor te brengen i.v.m. hun inkomsten en mogelijkheden ter bepaling van de onderhoudsuitkering na echtscheiding en er zelfs aanwijzingen zijn dat partijen bepaalde gegevens verzwijgen, wordt een deskundigenonderzoek bevolen. 2. Partijen zijn ertoe gehouden op een loyale manier samen te werken tot de bewijslevering op sanctie ertoe gedwongen te worden.
Arrêt :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
HET HOF;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, de akte-betekening ervan d.d. 26.02.1999, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 26.03.1999, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;
Overwegende dat het hoger beroep ertoe strekt, bij hervorming van het bestreden vonnis, geïntimeerde met ingang van 10.01.1994 te veroordelen tot betaling aan appellante van een maandelijkse uitkering na echtscheiding t.b.v. 2.478,94 EUR, geïndexeerd, ondergeschikt een deskundigenonderzoek te bevelen m.b.t. het netto-inkomen van geïntimeerde en te zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot de betaling van de deskundige;
Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en, bij conclusie neergelegd ter griffie op 29.03.2002, incidenteel beroep instelt ertoe strekkende de door de eerste rechter in het bestreden vonnis toegekende uitkering na echtscheiding af te schaffen met ingang van 10.01.1999;
Gelet op de herneming van de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel;
Overwegende dat partijen huwden op 23.12.1972 en uit hun huwelijk twee kinderen werden geboren, m.n. H.
(&§61616;03.01.1975) en H. (&§61616;19.03.1979); dat echtelijke moeilijkheden ontstonden en partijen sedert 1991 feitelijk gescheiden leven; dat bij vonnis d.d. 10.01.1994 van de eerste rechter de echtscheiding werd toegestaan lastens geïntimeerde, diens tegenvordering tot echtscheiding werd afgewezen, de gerechtelijke verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid werd bevolen, geïntimeerde veroordeeld werd tot betaling van een uitkering na echtscheiding, ten voorlopigen titel bepaald op 495,79 EUR (20.000 BEF) per maand, en de vordering tot definitieve begro-ting van de uitkering naar de bij-zondere rol werd verwezen;
dat het tot de afwijzing van zijn tegen-vordering tot echtscheiding beperkte hoger beroep van geïntimeerde tegen dit vonnis, werd afgewezen bij arrest d.d. 18.11.1997 van dit Hof; dat het voor-melde vonnis d.d.
10.01.1994 dat de echtscheiding tussen partijen toestond, werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Berchem op 11.04.1994, en de echtscheiding tussen partijen dus op deze datum voltrokken werd;
dat de eerste rechter in het bestreden vonnis de uitkering na echtscheiding ten definitieven titel bepaalde op 495,79 EUR (20.000 BEF), geïndexeerd;
Overwegende dat, nu de echtscheiding uitsluitend werd uitgesproken lastens geïntimeerde, appellante in principe aanspraak kan maken op een uitkering na echtscheiding;
Overwegende dat m.b.t. de uitkering dient onderzocht welke de respectieve inkomsten, middelen en behoeften zijn van beide partijen, waarbij als re-ferentiestandaard in aanmerking wordt genomen de mogelijkheid voor de uitkeringsgerechtigde om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien op een ge-lijkwaardige wijze als tijdens het samenleven;
Dat het bedrag dient te worden bepaald op grond van de inkomsten en middelen van de voormalige echtgenoten en van de mogelijkheden van de uitkeringsge-rechtigde ten tijde van de voltrekking van echtscheiding;
dat latere verbeteringen in de toestand van de uitkeringsplichtige niet meer in aanmerking kunnen worden genomen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is om de rechthebbende gelijkwaardige bestaansmiddelen te verzekeren als tijdens het sa-menleven;
Dat de inkomsten van de uitkeringsplichtige die zijn waarover hij effectief kan beschikken na de betaling van al zijn lasten waaronder de fiscale; dat dit impliceert dat bij de berekening van zijn inkomsten het fiscaal voordeel in aanmerking wordt genomen dat hij geniet door de aftrekbaarheid van 80 % van de betaalde uitkering vermits slechts de op het saldo van zijn inkomsten verschuldigde belasting zijn werkelijk fiscale last uitmaakt; dat eveneens dient rekening gehouden met de gebeurlijke belastbaarheid van de uitkering na echtscheiding in hoofde van de uitkeringsgerechtigde;
Overwegende dat beide partijen elkaar verwijten geen volledige gegevens voor te brengen over hun inkomsten en vermogenstoestand; dat inderdaad blijkt dat er dienaangaande onduidelijkheid blijft bestaan en de voorgebrachte stukken hierover geen volledig uitsluitsel bieden;
Overwegende dat immers blijkt dat de fiscale stukken die geïntimeerde voor-brengt een nader onderzoek verdienen en dient nagegaan of deze met de werke-lijkheid overeenstemmen; dat er in het arrest d.d. 27.09.1993 van dit Hof, waarbij in het kader van de voorlopige maatregelen geoordeeld werd over het onderhoudsgeld voor appellante en de onderhoudsbijdrage voor dochter H., immers reeds op gewezen werd dat er ernstige vragen rijzen m.b.t. de door geïntimeerde voorgebrachte fiscale gegevens, waar in dit arrest o.m. gesteld wordt : "Via de vennootschappen M.G.J. n.v. en B. bvba heeft appellant aanzienlijke zakelijke en financiële belangen in de N.V. A. A. M. die een zeer welvarende bouwonderneming blijkt te zijn. Die belangen brengen hem ongetwijfeld een even aanzienlijk financieel voordeel op, zodat zijn bewering dat zijn netto-belastbaar inkomen in 1991 slechts 667.081- fr (volgens hem nog te verminderen tot 488.968.- fr of circa 40.700.
fr per maand, zijnde nauwelijks het dubbele van zijn, overigens niet betwiste, onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen) zou bedragen hebben, volstrekt ongeloofwaardig is."; dat deze vaststelling door geen enkel thans voorgebracht objectief element wordt weerlegd; dat bovendien dient onderzocht of de inkomsten die geïntimeerde uit de diverse vennootschappen waarin hij - al dan niet rechtstreeks - participeert zou kunnen genereren, niet worden afgeleid via bepaalde constructies; dat het, gezien er dienaangaande betwisting bestaat, de inkomsten en mogelijkheden van partijen in de periode vanaf het begin van het samenleven tot op heden dient onderzocht; dat de referentiestandaard immers de periode van het samenleven van partijen betreft en de gegevens na de voltrekking van de echtscheiding van belang kunnen zijn voor zover geïntimeerdes mogelijkheden ten tijde van het voltrekken van de echtscheiding niet voldoende zouden zijn om appellante gelijkwaardige bestaans-middelen te verzekeren als tijdens het samenleven;
Dat eveneens in hoofde van appellante de noodzaak van een deskundigenonderzoek naar haar inkomsten, middelen en mogelijkheden blijkt; dat immers blijkt dat zij niet steeds spontaan inzage gaf over haar vermogenstoestand;
dat zij immers slechts schoorvoetend en daartoe gedwongen, toegaf inmiddels opnieuw te werken en dienaangaande enige klaarheid verschafte;
Dat het dan ook aangewezen is dat een deskundigenonderzoek wordt bevolen;
Overwegende dat appellante zich ter terechtzitting akkoord verklaarde, en daar-toe uitdrukkelijk machtiging verleende, dat de deskundige alle gewenste infor-matie m.b.t. hun inkomsten en vermogens, zowel van haarzelf als m.b.t. de vennootschappen waarin zij belanghebbenden is, mag opvragen bij alle derden, waaronder o.m.
banken en belastingen, dit zowel in het binnenland als in het buitenland;
Dat geïntimeerde dit niet deed;
Dat er aan herinnerd kan worden dat van partijen verwacht mag worden dat zij op een loyale wijze samenwerken tot de bewijslevering, op sanctie ertoe gedwongen te worden (zie o.m. Fettweis, A., "Manuel de procédure civile", nr. 476, p. 352 e.v.; art. 972 1ste lid en 871 Ger.W.; Cass. 20.06.1961, J.T. 1961, 609); dat het volstaat er op te wijzen dat wanneer de deskundige bepaalde obstructies zou ondervinden bij het verstrekken van de door hem gewenste inlichtingen, deze precies zal aangeven welke stukken hij van welke partijen of van welke derden wenst te bekomen, waarna de meest gerede partij zal kunnen handelen overeenkomstig art. 871 en 877 e.v. Ger.W. (zie eveneens Cloquet, A., Des-kun-digenonderzoek in zaken van privaatrecht, 1992, A.P.R., p. 115 e.v., nr. 321 e.v.);
Overwegende dat over de kosten van het deskundigenonderzoek slechts kan geoordeeld worden na de uitvoering ervan en bij de behandeling ten gronde; dat de vraag van appellante om te zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot de betaling van de deskundige dan ook voorbarig is; dat ten overvloede dient opgemerkt dat in casu geen enkele reden is aangetoond om af te wijken van de door het gerechtelijk wetboek bepaalde regels tot provisionering van de deskundige;
OM DIE REDENEN:
HET HOF, na beraad,
Recht sprekend op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Na herneming van de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel;
Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep;
Vooraleer verder te oordelen;
Stelt onder voorbehoud van alle rechten van partijen aan als deskundige, W. V. O., accountant te B., V. 231, met als op-dracht, mits naleving van de formaliteiten voorgeschreven in het Gerechtelijk Wetboek,
"na partijen te hebben opgeroepen en na inzage van alle nuttige stuk-ken, de werkelijke netto-belastbare en de netto-inkomsten en de vermogens-toestand van beide partijen te onderzoeken sedert minstens 01.01.1973 tot op heden, aan de hand van alle fiscale, boekhoudkundige, financiële en alle andere stukken en documenten die hij nodig acht, door partijen op eerste eenvoudig verzoek te verschaffen, alsmede aan de hand van alle nuttige indiciën; na te gaan of de voorgehouden inkomsten in overeenstemming zijn met de indiciën en uitgaven van partijen; te bepalen over welk vermogen en/of inkomsten partijen dienden te beschikken om de door hen in de jaren 1973 t.e.m. 2002 gevoerde levensstandaard te kunnen aanhouden; partijen zo mogelijk te verzoenen, alle desbetreffende dienstige vragen en opwerpingen van de partijen te beantwoorden en van dit alles een degelijk, beredeneerd en onder eed bevestigd verslag op te stellen en ter griffie van dit Hof neer te leggen binnen de zes maanden na zijn inwerkingstelling.";
Verleent akte aan appellante dat zij uitdrukkelijk machtiging verleent dat de deskundige alle gewenste informatie m.b.t. haar inkomsten en vermogens, zowel van haarzelf als m.b.t. de vennootschappen waarin zij belanghebbende is, mag opvragen bij alle derden, waaronder o.m. banken en belastingen, dit zowel in het binnenland als in het buitenland;
Machtigt dienvolgens de voormelde aangestelde deskundige om bij alle derden alle door hem gewenste informatie en stukken op te vragen m.b.t. de ver-mogenstoestand van appellante evenals van de vennootschappen waarin zij belanghebbende is, op eenvoudige voorlegging van een afschrift van dit arrest; verzoekt, voor zoveel als nodig, alle voormelde derden alle door de deskundige noodzakelijk geachte documenten en stukken op diens eenvoudig schriftelijk verzoek aan hem over te maken;
Heropent de debatten op de terechtzitting van
7 januari 2004 om 15.30 uur;
Houdt de uitspraak over de kosten aan.
Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, de akte-betekening ervan d.d. 26.02.1999, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 26.03.1999, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;
Overwegende dat het hoger beroep ertoe strekt, bij hervorming van het bestreden vonnis, geïntimeerde met ingang van 10.01.1994 te veroordelen tot betaling aan appellante van een maandelijkse uitkering na echtscheiding t.b.v. 2.478,94 EUR, geïndexeerd, ondergeschikt een deskundigenonderzoek te bevelen m.b.t. het netto-inkomen van geïntimeerde en te zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot de betaling van de deskundige;
Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en, bij conclusie neergelegd ter griffie op 29.03.2002, incidenteel beroep instelt ertoe strekkende de door de eerste rechter in het bestreden vonnis toegekende uitkering na echtscheiding af te schaffen met ingang van 10.01.1999;
Gelet op de herneming van de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel;
Overwegende dat partijen huwden op 23.12.1972 en uit hun huwelijk twee kinderen werden geboren, m.n. H.
(&§61616;03.01.1975) en H. (&§61616;19.03.1979); dat echtelijke moeilijkheden ontstonden en partijen sedert 1991 feitelijk gescheiden leven; dat bij vonnis d.d. 10.01.1994 van de eerste rechter de echtscheiding werd toegestaan lastens geïntimeerde, diens tegenvordering tot echtscheiding werd afgewezen, de gerechtelijke verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid werd bevolen, geïntimeerde veroordeeld werd tot betaling van een uitkering na echtscheiding, ten voorlopigen titel bepaald op 495,79 EUR (20.000 BEF) per maand, en de vordering tot definitieve begro-ting van de uitkering naar de bij-zondere rol werd verwezen;
dat het tot de afwijzing van zijn tegen-vordering tot echtscheiding beperkte hoger beroep van geïntimeerde tegen dit vonnis, werd afgewezen bij arrest d.d. 18.11.1997 van dit Hof; dat het voor-melde vonnis d.d.
10.01.1994 dat de echtscheiding tussen partijen toestond, werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Berchem op 11.04.1994, en de echtscheiding tussen partijen dus op deze datum voltrokken werd;
dat de eerste rechter in het bestreden vonnis de uitkering na echtscheiding ten definitieven titel bepaalde op 495,79 EUR (20.000 BEF), geïndexeerd;
Overwegende dat, nu de echtscheiding uitsluitend werd uitgesproken lastens geïntimeerde, appellante in principe aanspraak kan maken op een uitkering na echtscheiding;
Overwegende dat m.b.t. de uitkering dient onderzocht welke de respectieve inkomsten, middelen en behoeften zijn van beide partijen, waarbij als re-ferentiestandaard in aanmerking wordt genomen de mogelijkheid voor de uitkeringsgerechtigde om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien op een ge-lijkwaardige wijze als tijdens het samenleven;
Dat het bedrag dient te worden bepaald op grond van de inkomsten en middelen van de voormalige echtgenoten en van de mogelijkheden van de uitkeringsge-rechtigde ten tijde van de voltrekking van echtscheiding;
dat latere verbeteringen in de toestand van de uitkeringsplichtige niet meer in aanmerking kunnen worden genomen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is om de rechthebbende gelijkwaardige bestaansmiddelen te verzekeren als tijdens het sa-menleven;
Dat de inkomsten van de uitkeringsplichtige die zijn waarover hij effectief kan beschikken na de betaling van al zijn lasten waaronder de fiscale; dat dit impliceert dat bij de berekening van zijn inkomsten het fiscaal voordeel in aanmerking wordt genomen dat hij geniet door de aftrekbaarheid van 80 % van de betaalde uitkering vermits slechts de op het saldo van zijn inkomsten verschuldigde belasting zijn werkelijk fiscale last uitmaakt; dat eveneens dient rekening gehouden met de gebeurlijke belastbaarheid van de uitkering na echtscheiding in hoofde van de uitkeringsgerechtigde;
Overwegende dat beide partijen elkaar verwijten geen volledige gegevens voor te brengen over hun inkomsten en vermogenstoestand; dat inderdaad blijkt dat er dienaangaande onduidelijkheid blijft bestaan en de voorgebrachte stukken hierover geen volledig uitsluitsel bieden;
Overwegende dat immers blijkt dat de fiscale stukken die geïntimeerde voor-brengt een nader onderzoek verdienen en dient nagegaan of deze met de werke-lijkheid overeenstemmen; dat er in het arrest d.d. 27.09.1993 van dit Hof, waarbij in het kader van de voorlopige maatregelen geoordeeld werd over het onderhoudsgeld voor appellante en de onderhoudsbijdrage voor dochter H., immers reeds op gewezen werd dat er ernstige vragen rijzen m.b.t. de door geïntimeerde voorgebrachte fiscale gegevens, waar in dit arrest o.m. gesteld wordt : "Via de vennootschappen M.G.J. n.v. en B. bvba heeft appellant aanzienlijke zakelijke en financiële belangen in de N.V. A. A. M. die een zeer welvarende bouwonderneming blijkt te zijn. Die belangen brengen hem ongetwijfeld een even aanzienlijk financieel voordeel op, zodat zijn bewering dat zijn netto-belastbaar inkomen in 1991 slechts 667.081- fr (volgens hem nog te verminderen tot 488.968.- fr of circa 40.700.
fr per maand, zijnde nauwelijks het dubbele van zijn, overigens niet betwiste, onderhoudsbijdrage voor zijn kinderen) zou bedragen hebben, volstrekt ongeloofwaardig is."; dat deze vaststelling door geen enkel thans voorgebracht objectief element wordt weerlegd; dat bovendien dient onderzocht of de inkomsten die geïntimeerde uit de diverse vennootschappen waarin hij - al dan niet rechtstreeks - participeert zou kunnen genereren, niet worden afgeleid via bepaalde constructies; dat het, gezien er dienaangaande betwisting bestaat, de inkomsten en mogelijkheden van partijen in de periode vanaf het begin van het samenleven tot op heden dient onderzocht; dat de referentiestandaard immers de periode van het samenleven van partijen betreft en de gegevens na de voltrekking van de echtscheiding van belang kunnen zijn voor zover geïntimeerdes mogelijkheden ten tijde van het voltrekken van de echtscheiding niet voldoende zouden zijn om appellante gelijkwaardige bestaans-middelen te verzekeren als tijdens het samenleven;
Dat eveneens in hoofde van appellante de noodzaak van een deskundigenonderzoek naar haar inkomsten, middelen en mogelijkheden blijkt; dat immers blijkt dat zij niet steeds spontaan inzage gaf over haar vermogenstoestand;
dat zij immers slechts schoorvoetend en daartoe gedwongen, toegaf inmiddels opnieuw te werken en dienaangaande enige klaarheid verschafte;
Dat het dan ook aangewezen is dat een deskundigenonderzoek wordt bevolen;
Overwegende dat appellante zich ter terechtzitting akkoord verklaarde, en daar-toe uitdrukkelijk machtiging verleende, dat de deskundige alle gewenste infor-matie m.b.t. hun inkomsten en vermogens, zowel van haarzelf als m.b.t. de vennootschappen waarin zij belanghebbenden is, mag opvragen bij alle derden, waaronder o.m.
banken en belastingen, dit zowel in het binnenland als in het buitenland;
Dat geïntimeerde dit niet deed;
Dat er aan herinnerd kan worden dat van partijen verwacht mag worden dat zij op een loyale wijze samenwerken tot de bewijslevering, op sanctie ertoe gedwongen te worden (zie o.m. Fettweis, A., "Manuel de procédure civile", nr. 476, p. 352 e.v.; art. 972 1ste lid en 871 Ger.W.; Cass. 20.06.1961, J.T. 1961, 609); dat het volstaat er op te wijzen dat wanneer de deskundige bepaalde obstructies zou ondervinden bij het verstrekken van de door hem gewenste inlichtingen, deze precies zal aangeven welke stukken hij van welke partijen of van welke derden wenst te bekomen, waarna de meest gerede partij zal kunnen handelen overeenkomstig art. 871 en 877 e.v. Ger.W. (zie eveneens Cloquet, A., Des-kun-digenonderzoek in zaken van privaatrecht, 1992, A.P.R., p. 115 e.v., nr. 321 e.v.);
Overwegende dat over de kosten van het deskundigenonderzoek slechts kan geoordeeld worden na de uitvoering ervan en bij de behandeling ten gronde; dat de vraag van appellante om te zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot de betaling van de deskundige dan ook voorbarig is; dat ten overvloede dient opgemerkt dat in casu geen enkele reden is aangetoond om af te wijken van de door het gerechtelijk wetboek bepaalde regels tot provisionering van de deskundige;
OM DIE REDENEN:
HET HOF, na beraad,
Recht sprekend op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Na herneming van de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel;
Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep;
Vooraleer verder te oordelen;
Stelt onder voorbehoud van alle rechten van partijen aan als deskundige, W. V. O., accountant te B., V. 231, met als op-dracht, mits naleving van de formaliteiten voorgeschreven in het Gerechtelijk Wetboek,
"na partijen te hebben opgeroepen en na inzage van alle nuttige stuk-ken, de werkelijke netto-belastbare en de netto-inkomsten en de vermogens-toestand van beide partijen te onderzoeken sedert minstens 01.01.1973 tot op heden, aan de hand van alle fiscale, boekhoudkundige, financiële en alle andere stukken en documenten die hij nodig acht, door partijen op eerste eenvoudig verzoek te verschaffen, alsmede aan de hand van alle nuttige indiciën; na te gaan of de voorgehouden inkomsten in overeenstemming zijn met de indiciën en uitgaven van partijen; te bepalen over welk vermogen en/of inkomsten partijen dienden te beschikken om de door hen in de jaren 1973 t.e.m. 2002 gevoerde levensstandaard te kunnen aanhouden; partijen zo mogelijk te verzoenen, alle desbetreffende dienstige vragen en opwerpingen van de partijen te beantwoorden en van dit alles een degelijk, beredeneerd en onder eed bevestigd verslag op te stellen en ter griffie van dit Hof neer te leggen binnen de zes maanden na zijn inwerkingstelling.";
Verleent akte aan appellante dat zij uitdrukkelijk machtiging verleent dat de deskundige alle gewenste informatie m.b.t. haar inkomsten en vermogens, zowel van haarzelf als m.b.t. de vennootschappen waarin zij belanghebbende is, mag opvragen bij alle derden, waaronder o.m. banken en belastingen, dit zowel in het binnenland als in het buitenland;
Machtigt dienvolgens de voormelde aangestelde deskundige om bij alle derden alle door hem gewenste informatie en stukken op te vragen m.b.t. de ver-mogenstoestand van appellante evenals van de vennootschappen waarin zij belanghebbende is, op eenvoudige voorlegging van een afschrift van dit arrest; verzoekt, voor zoveel als nodig, alle voormelde derden alle door de deskundige noodzakelijk geachte documenten en stukken op diens eenvoudig schriftelijk verzoek aan hem over te maken;
Heropent de debatten op de terechtzitting van
7 januari 2004 om 15.30 uur;
Houdt de uitspraak over de kosten aan.