Hof van Beroep: Arrest van 30 Maart 2010 (Antwerpen). RG 2009/TO/119
- Section :
- Case law
- Source :
- Justel N-20100330-1
- Role number :
- 2009/TO/119
Summary :
Uit concrete omstandigheden kan worden afgeleid dat een minderjarige inwonende zoon tijdens de afwezigheid van zijn ouders als bewaker van de woning werd aangesteld. Als zodanig kan hij rechtsgeldig toestemming tot huiszoeking verlenen. Het louter betreden van de woning zonder dat de politie vaststellingen deed, kan niet worden gelijkgesteld met een huiszoeking.
Arrêt :
Het Hof van Beroep, zitting houdende op 30 maart 2010
te Antwerpen, Kamer van Inbeschuldigingstelling
(...)
1. VOORGAANDEN EN PROCEDURE
1.1 Op 3 januari 2009 werd de onderzoeksrechter te Antwerpen gevorderd met een gerechtelijk onderzoek lastens M. H., (...) wegens de ten laste gelegde feiten van mededaderschap aan verkrachting van een minderjarige boven 14 jaar en beneden 16 jaar, met hulp bij uitvoering door één of meer personen.
1.2 Op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten, 1 januari 2009, waren T. J. en E. A. K., respectievelijk geboren op ...1991 en ...1992, minderjarig.
1.3 De politie voerde op 2 januari 2009 een huiszoeking uit in de woning van T. J., die daarvoor een schriftelijke en voorafgaande toestemming verleende (stukken 54 e.v.).
1.4 Overeenkomstig artikel 136bis, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering vordert de procureur-generaal dat de kamer van inbeschuldigingstelling de wettigheid en de regelmatigheid van de procedure onderzoekt en meer bepaald zou vaststellen dat de hoger genoemde huiszoeking met toestemming van de toen minderjarige T J regelmatig is.
3. BEOORDELING VAN HET HOF
3.1.1 Uit de gegevens van het strafdossier kan worden afgeleid dat de veertienjarige L. S. het slachtoffer werd van een groepsverkrachting in de kamer van T. J., (...).
3.1.8 T.J. gaf vooraf en schriftelijk toestemming tot huiszoeking. De ouders waren op reis (...). Er werden alleen in zijn kamer beslagnemingen verricht.
3.2.1 In de artikelen 1 en 1bis van de huiszoekingswet van 7 juni 1969 wordt voorgeschreven dat een huiszoeking in een voor het publiek niet toegankelijke plaats verboden is tenzij onder meer na een schriftelijke en voorafgaande toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats.
3.2.2 De persoon die het werkelijk genot heeft van de woning is te beschouwen als het hoofd van het huis of als de persoon die als bewaker van de woning is aangesteld en als zodanig moet worden geacht het hoofd van het huis te vertegenwoordigen (Cfr., Parl.St.Senaat, 1968-1969, 268, 8).
3.2.3 De ouders van T. J. waren gedurende meerdere dagen op reis (...). Hijzelf mocht gedurende die tijd zonder hen in het huis verblijven. Hieruit volgt dat de ouders hun zoon als voldoende volwassen beschouwden om in zijn voeding en onderhoud te voorzien en om toezicht uit te oefenen over de woning, waarvan hun zoon als lid van het gezin tevens het werkelijke genot heeft. T. J. zelf verleende onder meer toegang aan derden die er bovendien mochten overnachten.
Hieruit volgt dat T. J. tijdens de langdurige afwezigheid van zijn ouders rechtsgeldig de toestemming tot huiszoeking kon verlenen (Cfr., Cass., 30 oktober 1967, Arr.Cass., 1968, 322 ; Cass., 26 februari 1968, Arr.Cass., 1968, 846, met verwijzing naar voorgaande gelijkaardige rechtspraak).
3.2.4 Zoals blijkt uit het strafdossier, was de politie ervan op de hoogte dat de ouders van T.J. naar het buitenland waren. Zij konden in redelijkheid aannemen dat de zoon als bewaker van de woning gerechtigd was om toestemming tot huiszoeking te verlenen.
Op een drietal dagen na was T. J. op het ogenblik van de huiszoeking 18 jaar oud. De politie ging er terecht van uit dat zij niet stonden voor een jong kind zonder onderscheidings-vermogen en dat de zoon als bewaker van de woning met kennis van zaken de toestemming tot huiszoeking rechtsgeldig kon verlenen (Cfr. J.SMETS, "De huiszoeking met toestemming", Panopticon, 1984, 22).
3.3.1 De strafwet bepaalt niet dat de persoon die toestemming tot huiszoeking verleent meerderjarig moet zijn. Het tegendeel voorhouden zou betekenen dat aan de wet een voorwaarde wordt toegevoegd die er niet staat.
3.3.2 Principes uit andere deelgebieden van het recht zoals in algemene zin de burgerrechtelijke handelingsonbekwaamheid van een minderjarige kunnen niet worden toegepast inzake de huiszoeking met toestemming.
Aanvaard wordt dat een alleenwonende minderjarige zelf toestemming tot huiszoeking moet verlenen (Cfr., J.SMETS, "De huiszoeking met toestemming", Panopticon, 1984, 18 ; S.VANDROMME en J.SMETS, "Huiszoeking met toestemming", Strafr. & Strafv., Afl. 50, nr. 21). Een jeugdige die inzicht heeft in de betekenis, de eventuele gevaren en de gevolgen van een belangrijke ingreep in zijn persoonlijke levenssfeer, moet persoonlijk in die handeling toestemmen (Cfr. K.RIMANQUE, De levensbeschouwelijke opvoeding van de minderjarige, Bruylant, Brussel, 1980, I, nr. 170).
3.3.3 In navolging van de schriftelijke vordering van het openbare ministerie kan worden aangehaald dat wetgeving en rechtspraak vele malen afwijken van de grens van handelingsbekwaamheid op de leeftijd van 18 jaar, zoals bijvoorbeeld inzake verkeersrecht en aansprakelijkheids-verzekering.
3.3.4 Reeds werd aangestipt dat T. J. op enkele dagen na meerderjarig was. Op het ogenblik dat hij de toestemming tot huiszoeking verleende was hij 17 jaar en 362 dagen oud. Het betreft aldus een jongvolwassene die tot de jaren van verstand was gekomen.
3.3.5 De huiszoeking had een dringend karakter. Ter beveiliging van het eventuele bewijsmateriaal kon niet worden gewacht op de terugkomst van de ouders. De politie wist dat de ouders op reis waren naar (...), maar over hun thuiskomst op de dag van de interventie was geen zekerheid (stuk 14). Later zal worden bevestigd dat de ouders niet thuiskwamen op die 2de januari 2009 maar eerst de dag nadien (stuk 52).
3.4.1 Bij aanbellen aan de woning werd de politie door T. J. binnen gelaten. De reden van hun komst werd meegedeeld. De anderen die nog in de woning aanwezig waren, werden naar beneden geroepen, gefouilleerd, van hun vrijheid benomen en overgebracht naar het politiecommissariaat. De politie handelde in acht genomen de ernst van de ten laste gelegde feiten en het vrijwaren van de bewijsgaring daartoe.
3.4.2 De zoeking in de woning en meer bepaald de (zolder)kamer van T. J. werd eerst aangevat nadat de politie van hem de schriftelijke, voorafgaande en vrije toestemming had bekomen. Het voordien louter betreden van de woning kan te dezen niet worden gelijkgesteld met een huiszoeking. In die fase werden geen vaststellingen verricht. Aanvaard wordt dat het mogen betreden van de woning moet worden onderscheiden van de toestemming tot huiszoeking in de eigenlijke zin van het woord (S.VANDROMME en J.SMETS, "Huiszoeking met toestemming", Strafr. & Strafv., Afl. 50, nr. 9).
3.5 Uit dit alles volgt dat de huiszoeking regelmatig is en dat geen wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen werden geschonden.
3.6.1 De politie heeft met toestemming van T. J. de woning betreden. Terzake zijn derhalve evenmin wettelijke of verdrags-rechtelijke bepalingen geschonden.
3.6.2 Door eerst met instemming van T. J. de woning binnen te gaan vooraleer de vraag tot huiszoeking te formuleren en die op regelmatige wijze te bekomen vooraleer tot zoeking over te gaan, heeft de politie alleszins geen opzettelijke onrechtmatigheid begaan, die de ernst van de ten laste gelegde feiten overtreft. Deze voorgehouden onrechtmatigheid is niet bepaald op straffe van nietigheid, heeft de betrouwbaarheid van het bewijs niet aangetast en staat een eerlijk proces niet in de weg. Het verzamelde bewijsmateriaal zal op zijn bewijswaarde en na tegenspraak kunnen worden beoordeeld bij gelegenheid van de regeling van de rechtspleging of eventueel voor de feitenrechter.
3.7 Er zijn geen gronden om de bewijsgaring en hetgeen eruit voortspruit nietig te verklaren of als bewijs uit te sluiten.
(...)