Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer: Advies van 20 Juni 1994 (België). RG 20/94

Date :
20-06-1994
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19940620-3
Role number :
20/94

Summary :

Samenvatting 1

Avis :

Add the document to a folder () to start annotating it.
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29;
Gelet op de brief van de Vice-Eerste Minister, Minister van Justitie en Economische Zaken, dd. 30 november 1993, door de Commissie ontvangen op 2 december 1993, en de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken, dd. 18 februari 1994, door de Commissie ontvangen op 21 februari 1994;
Gelet op het verslag van de Heer ...Z...;
Gelet op de verklaringen van de Heer Y., Burgemeester van de gemeente X;
Brengt op 20 juni 1994 het volgende advies uit :
I. VOORWERP VAN DE AANVRAAG :
1. Uit de stukken van het dossier blijkt dat dhr. Y., Burgemeester van de gemeente X op 6 oktober 1993 aan alle dienstplichtigen van de lichting 1994 een uitnodiging heeft verstuurd voor "de Nacht van de Vrienden van Minister Leo Delcroix", die plaatsvond op 16 oktober 1993 in de Grenslandhallen te Hasselt.
Voor het versturen van deze uitnodigingen, meer specifiek voor het bekomen van de adressen, werd gebruik gemaakt van de militielijsten van de lichting van het jaar 1994.
2. Door mevr. ... en de heren ... en ..., gemeenteraadsleden in de gemeente X werd, bij brief dd. 17 november 1993 klacht ingediend bij de Minister van Binnenlandse zaken en Ambtenarenzaken, en dit wegens:
- afstempeling van de briefomslagen op de afstempelingsmachine van het gemeentehuis, alsmede gebruikmaking van briefomslagen en briefpapier met officiële hoofding van de gemeente X ;
- misbruik van zijn functie om de adressen van de lichting 1994 te misbruiken voor persoonlijke electorale doelstellingen.
3. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd op de hoogte gebracht van de klacht van voornoemde gemeenteraadsleden, door een schrijven van de Vice-Eerste Minister, Minister van Justitie en Economische Zaken, dd. 30 november 1993, alsmede een schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken, dd. 18 februari 1994.
II. ONDERZOEK VAN DE AANVRAAG :
A. Het begrip " klacht ".
4. Artikel 31, paragraaf 1 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna : de wet van 8 december 1992) bepaalt dat " de Commissie de getekende en gedateerde klachten, die haar worden toegestuurd", onderzoekt.
De Commissie is van oordeel dat uit de tekst van de wet van 8 december 1992 blijkt dat een klacht, door de opstellers van de klacht aan de Commissie dient gericht te worden. Het artikel 31 paragraaf 2 bepaalt dat het reglement van orde in de uitoefening van een recht van verdediging moet voorzien. Paragraaf 3 stelt dat de Commissie ten aanzien van ontvankelijke klachten elke bemiddelingstaak vervult die zij nuttig oordeelt.
Paragraaf 5 bepaalt dat de beslissing, het advies of de aanbeveling worden medegedeeld aan de klager, de houder van het bestand en alle andere in de RECHTSPLEGING betrokken partijen.
Al deze beschikkingen doen de Commissie aannemen dat er een rechtstreekse band bestaat tussen de Commissie en de klager. Aanvaarden dat een klacht, geadresseerd aan de Minister, kan omgevormd worden in een klacht aan de Commissie gaat in tegen de wet van 8 december 1992. Zulks strookt ook (niet steeds) met de bedoeling van de klager: met het indienen van een klacht bij de verantwoordelijke Minister, kan de klager het treffen van een disciplinaire maatregel beogen, zonder evenwel de bedoeling te hebben om de procedure voorzien in artikel 31, paragraaf 3 op gang te brengen.
Uit de brief van de klagers gericht aan de bevoegde Minister kan niet worden afgeleid dat de klagers iets anders hebben gewild dan een disciplinair optreden van de Minister tegen de Burgemeester van de gemeente X.
5. Niettemin is de Commissie van oordeel dat zij een advies kan verstrekken aan de Minister van Binnenlandse zaken en Ambtenarenzaken, betreffende de toepassing van de wet van 8 december 1992.
B. De eventuele schending van artikel 5 van de wet van 8 december 1992
6. Artikel 5 luidt als volgt: " Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt voor duidelijk omschreven en wettige doeleinden en mogen niet worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden... "
Het artikel 1 van het K.B. van 30 juli 1987 tot uitvoering van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, legt aan het College van Burgemeester en Schepenen de verplichting op om, per jaar, nl. tussen 1 en 31 oktober, militielijsten op te stellen, dit zijn de lijsten bevattende de Belgische burgers, die tijdens dat lopende jaar, de volle leeftijd van 16 jaar bereiken en op 1 oktober van dat jaar in de bevolkingsregisters ingeschreven zijn.
7. Door gebruik te maken van deze militielijsten voor het versturen aan jongeren van uitnodigingen om aanwezig te zijn op een feest van Minister ..., werden de militielijsten gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden van die lijsten. In die zin wordt geraakt aan de essentie van artikel 5 van de wet van 8 december 1992.
Ter zijner verdediging heeft dhr. Y. ingeroepen dat het burgemeesterschap in een gemeente met slechts 23.000 inwoners geen full-time bezigheid is en noodzakerlijkerwijze dient gecombineerd te worden met gewone dagtaken. Hij beriep zich op onwetendheid in verband met artikel 5 van de wet van 8 december 1992 en verklaarde in de toekomst voorzichtiger te zullen zijn.
8. De Commissie wijst er evenwel op dat geen der betrokken dienstplichtigen van de lichting van het jaar 1994 van de gemeente X., erover heeft geklaagd dat door het versturen van de uitnodiging voor het bal van Minister ... aan zijn persoonlijke levenssfeer schade zou zijn toegebracht.
OM DEZE REDENEN
geeft de Commissie het volgende advies :
- dat de feiten doen blijken van een miskenning van het finaliteitsbeginsel bedoeld in artikel 5 van de wet van 8 december 1992,
- dat bij de beoordeling van het gedrag van de Burgemeester van X. rekening gehouden moet worden met de omstandigheden vermeld sub 8 van het voorliggend advies.