Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 20 Mei 1999 (België). RG 98201/770

Date :
20-05-1999
Language :
Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19990520-6
Role number :
98201/770

Summary :

Samenvatting 1

Decision :

Add the document to a folder () to start annotating it.
(...)
Uit de stukken blijkt dat Mevrouw ...X... V. , zuster van verzoekster, op 1 oktober 1993 door ...Z... werd gedood met 27 messteken. Vervolgens heeft de dader meermaals met zijn wagen over het stoffelijk overschot van Mevrouw ...X... V. gereden om haar daarna te dumpen in de struiken aan de verhoogde berm naast de autostrade.
De dader werd bij arrest van het Hof van Assisen te ... van ... 1995 veroordeeld tot levenslange dwangarbeid. Bij arrest dd. ...
1995 werd ...Z... veroordeeld tot betaling van 180.000 frank aan verzoekster en tot betaling van 400.000 frank aan haar en de Heer ...X... E. als wettige erfgenamen van Mevrouw ...Y.... .
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. De kansen op verhaal tegenover de dader zijn quasi onbestaande.
Artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt onder welke voorwaarden een hulp van de Staat kan worden gevraagd door rechtstreekse en door onrechtstreekse slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
De verzoekster verklaart niet alleen in eigen naam op te treden doch eveneens als gedinghervattende partij namens haar overleden moeder. Waar vastgesteld wordt dat laatstgenoemde geen geding voor deze Commissie had ingesteld, kan de verzoekster geen gedinghernemende partij zijn.
In zijn arrest van ... 1995 heeft het Hof van Assisen van ... vastgesteld dat het niet vaststond dat het overlijden van Mevrouw ...Y... het rechtstreeks gevolg was van het overlijden van haar dochter.
De parlementaire bescheiden wijzen uit dat de formule van indeplaatsstelling van de Staat ingegeven was door een streven naar billijkheid, een aanvullend karakter had en in feite een solidariteitsgebaar was maar geenszins in hoofde van de aanvragers een "recht" inhield (Parlementaire Handelingen Kamer van Volsvertegenwoordigers, zitting van 23 juli 1985, blz. 3480). De Minister van zijn kant heeft verklaard dat het niet de bedoeling was een recht in het leven te roepen doch dat de door het ontwerp voorziene tussenkomst, mutatis mutandis, kan worden vergeleken met de wet op de rechtshulp en dus eerder afgestemd is op de idee van een waarborgfonds met het doel het lijden van de slachtoffers te verlichten waarbij niettemin rekening wordt gehouden met de beschikbare financiële middelen (verslag in naam van de Senaatscommissie van Justitie door de Heer VAN ROMPAEY - Documenten Senaat 1964-65, blz. 873).
Uit wat voorafgaat kan worden afgeleid dat de wet geen burgerlijk recht tot schadeloosstelling heeft toegekend en dat de erfgenamen van de moeder van de verzoekster geen titularis zijn van een overdraagbaar recht zodat de vraag van verzoekster een hulp te bekomen voor de door haar moeder geleden morele schade niet kan ingewilligd worden.
Het slachtoffer was de vriendin van de dader die zich sinds geruime tijd agressief tegen haar gedroeg. De feiten zelf waren gruwelijk en de psychische gevolgen voor de nabestaanden belangrijk. Alle omstandigheden in acht genomen en rekening houdend met de eigen familiale en financiële situatie van de verzoekster, is een hulp voor morele schade van 180.000 frank gerechtvaardigd.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985,zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart de vraag van verzoekster in eigen naam ontvankelijk en kent haar een hulp toe van 180.000 frank.
Wijst het meer gevorderde af.