Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 21 September 1989 (België). RG 5823
- Section :
- Case law
- Source :
- Justel N-19890921-1
- Role number :
- 5823
Summary :
DE COMMISSIE, VERKLAART HET VERZOEK NIET ONTVANKELIJK (Uit de gegevens van het opgevraagde strafdossier blijkt dat de verzoeker op 29 september 1986 te Antwerpen het slachtoffer werd van een schietpartij en hij een schotwonde heeft opgelopen. Er volgde een heelkundige ingreep en de verzoeker bleef gehospitaliseerd tot einde oktober 1986. Uit diezelfde stukken blijkt verder dat de dader, de genaamde D, enkele uren later overleden is. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank te Antwerpen van 15 juni 1987 werd vastgesteld dat de strafvordering lastens de dader vervallen was door diens overlijden en dat er geen gronden waren om een vriend van de dader, die hem de nacht van de feiten vergezelde, wegens moordpoging op de persoon van de verzoeker te vervolgen. De artikelen 31 alinéa 1, derde lid, en 36, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 stellen als voorwaarde van een aanvraag tot hulp of tot bekomen van een voorschot, dat "het slachtoffer zich burgerlijke partij moet gesteld hebben uit hoofde van de bestanddelen van de het strafbaar feit van de opzettelijke gewelddaden". De verzoeker heeft zich geen burgerlijke partij gesteld. Uit de voormelde gegevens blijkt nochtans dat de verzoeker, gelet op het overlijden van de dader enkele uren na de feiten, zich terloops het strafonderzoek geen burgerlijke partij kon stellen tegen de dader. Er mag in die omstandigheden aanvaard worden dat hij "door OVERMACHT" in de onmogelijkheid verkeerde te voldoen aan de door de wet gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarde. Luidens de bepalingen van artikel 34 alinéa 3 van de wet van 1 augustus 1985 moet een verzoek tot hulp "op straf van verval" ingediend worden binnen één jaar te rekenen, naar gelang het geval, ofwel vanaf de dag waarop bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, ofwel vanaf de beslissing van het onderzoeksgerecht. Nu de beschikking van de raadkamer te Antwerpen dagtekent van 15 juni 1987, is het verzoek aan de Commissie van 27 september 1988 laattijdig en dienvolgens niet ontvankelijk. Uit de stukken blijkt dat de verzoeker bij brief van 5 februari 1987 navraag deed op het parket omtrent de stand van de zaak en dat hem op 12 maart 1987 geantwoord werd dat die zaak nog in onderzoek was. Indien het juist is dat het parket hem geen verdere berichten toestuurde, wat mede gelet op de vervallenverklaring van de publieke vordering geen verplichting was, dan dient er vastgesteld te worden dat de verzoeker slechts op 22 juli 1988 door tussenkomst van zijn raadsman verdere inlichtingen heeft ingewonnen. Nu de verzoeker zelf GEDURENDE MEER DAN ZESTIEN MAANDEN GEEN ENKEL INITIATIEF HEEFT GENOMEN en GEEN BELANGSTELLING VOOR DE AFHANDELING VAN ZIJN ZAAK HEEFT BETOOND, kan hij zich thans niet op overmacht beroepen om de vervaltermijn te zien opheffen.)
Decision :
The full and consolidated version of this text is not available.