Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 26 Februari 2002 (België). RG M1031/1785
- Section :
- Case law
- Source :
- Justel N-20020226-3
- Role number :
- M1031/1785
Summary :
Samenvatting 1
Decision :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
(...)
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat de verzoekster op 28 juli 1991 het slachtoffer werd van een verkrachting.
II. Vervolging
Bij beschikking van de Raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te ... d.d.20 december 1991 werd de dader, V. Sven, geïnterneerd. Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld om aan de burgerlijke partij een som van 1 frank provisioneel te betalen. Bovendien werd aan de burgerlijke partij voorbehoud verleend voor de toekomst. Diezelfde dag werd de beschikking betekend aan V. .
Tegen voormelde beschikking werd door de dader beroep aangetekend, doch bij arrest dd. 31 januari 1992 verklaarde de Kamer van Inbeschuldigingstelling het beroep ongegrond en bevestigde de bestreden beschikking. De zaak werd teruggewezen naar de eerste rechter voor verdere afhandeling op civielrechtelijk gebied. Tegen dit arrest werd geen rechtsmiddel meer aangewend, zodat het in kracht van gewijsde is getreden.
Op burgerlijk gebied werd op 15 februari 1999, bij beschikking van de Raadkamer te ... , Sven V. veroordeeld om te betalen, als morele schadevergoeding aan verzoekster, ex aequo et bono, de som van 75.000 Bef, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 28 juli 1991 tot 15 februari 1999 en vanaf 15 februari 1999 met de gerechtelijke intrest tot op de dag van de algehele afbetaling. Tegen de beschikking werd geen hoger beroep ingesteld, zodat deze in kracht van gewijsde is getreden.
III. Medische gevolgen
Volgens een verslag dd. 18 januari 1999 van Dr. De C. , psychiater, is er een duidelijke post-traumatische stress-stoornis aanwezig.
IV. Begroting van de schade door de verzoekster
- hoofdsom: 75.000 Bef
- vergoedende intresten: 43.510 Bef
- gerechtelijke intresten: 10.126 Bef
TOTAAL: 128.636 Bef
V. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de daders zijn quasi onbestaande.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
In de begroting van verzoekster komen ook intresten voor. Het behoort tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Rekening houdend met de ernst van de feiten en de schade zoals zij blijkt uit het dossier, meent de Commissie in billijkheid een hulp te kunnen toekennen.
VI. Begroting van de hulp door de Commissie
De hulp kan in billijkheid begroot worden op EUR 3.175.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk,
Kent de verzoekster een hulp toe van EUR 3.175.
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat de verzoekster op 28 juli 1991 het slachtoffer werd van een verkrachting.
II. Vervolging
Bij beschikking van de Raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te ... d.d.20 december 1991 werd de dader, V. Sven, geïnterneerd. Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld om aan de burgerlijke partij een som van 1 frank provisioneel te betalen. Bovendien werd aan de burgerlijke partij voorbehoud verleend voor de toekomst. Diezelfde dag werd de beschikking betekend aan V. .
Tegen voormelde beschikking werd door de dader beroep aangetekend, doch bij arrest dd. 31 januari 1992 verklaarde de Kamer van Inbeschuldigingstelling het beroep ongegrond en bevestigde de bestreden beschikking. De zaak werd teruggewezen naar de eerste rechter voor verdere afhandeling op civielrechtelijk gebied. Tegen dit arrest werd geen rechtsmiddel meer aangewend, zodat het in kracht van gewijsde is getreden.
Op burgerlijk gebied werd op 15 februari 1999, bij beschikking van de Raadkamer te ... , Sven V. veroordeeld om te betalen, als morele schadevergoeding aan verzoekster, ex aequo et bono, de som van 75.000 Bef, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 28 juli 1991 tot 15 februari 1999 en vanaf 15 februari 1999 met de gerechtelijke intrest tot op de dag van de algehele afbetaling. Tegen de beschikking werd geen hoger beroep ingesteld, zodat deze in kracht van gewijsde is getreden.
III. Medische gevolgen
Volgens een verslag dd. 18 januari 1999 van Dr. De C. , psychiater, is er een duidelijke post-traumatische stress-stoornis aanwezig.
IV. Begroting van de schade door de verzoekster
- hoofdsom: 75.000 Bef
- vergoedende intresten: 43.510 Bef
- gerechtelijke intresten: 10.126 Bef
TOTAAL: 128.636 Bef
V. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de daders zijn quasi onbestaande.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
In de begroting van verzoekster komen ook intresten voor. Het behoort tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Rekening houdend met de ernst van de feiten en de schade zoals zij blijkt uit het dossier, meent de Commissie in billijkheid een hulp te kunnen toekennen.
VI. Begroting van de hulp door de Commissie
De hulp kan in billijkheid begroot worden op EUR 3.175.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk,
Kent de verzoekster een hulp toe van EUR 3.175.