Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 26 Februari 2002 (België). RG MM613/1722

Date :
26-02-2002
Language :
Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-20020226-7
Role number :
MM613/1722

Summary :

Samenvatting 1

Decision :

Add the document to a folder () to start annotating it.
(...)
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat de verzoeker op 18 augustus 1997 in de shoarama 'F...' (pittabar) te ...l geslagen werd.
II. Vervolging
De verzoeker diende een klacht in, doch deze werd zonder gevolg geklasseerd.
Verzoeker stelde een burgerlijke procedure in en daagde de dader, de heer Franciscus J., van Nederlandse nationaliteit, voor de burgerlijke rechtbank. Bij vonnis d.d. 5 oktober 1998 van de Rechtbank van eerste aanleg te ..., werd J. bij verstek veroordeeld tot de betaling van een provisie van 50.000 frank en werd er een deskundige aangesteld. Bij vonnis d.d. 29 juni 2000 van dezelfde rechtbank werd hij, wederom bij verstek, veroordeeld om aan de verzoeker 66.377 frank te betalen meer de interesten, onder aftrok van de provisie van 50.000 frank.
III. Medische gevolgen
De aangestelde deskundige, Dr De M., kwam op 24 januari 2000 tot de volgende bevindingen:
tijdelijke ongeschiktheid
- van 18.08.1997 tot 31.08.1997: 100%
- van 01.09.1997 tot 14.09.1997: 10%
- van 15.09.1997 tot 31.10.1997: 5%
consolidatie op 1 november 1997
blijvende invaliditeit: geen
esthetische schade: zeer licht 2/7
IV. Begroting van de schade door de verzoeker
De kosten worden door de verzoeker als volgt begroot:
- morele schade: 14.160 frank
- esthetische schade: 60.000 frank
- medische kosten: 17.577 frank
- inkomstenverlies: 14.640 frank
- kosten van burgerlijke partijstelling/procedurekosten: 82.838 frank
- materiële kosten: 10.000 frank
totaal: 199.215 frank
meer de interesten
V. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de dader zijn onbestaande.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 32 en 33 van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
Luidens de bepalingen van artikel 36 van de wet van 1 augustus 1985 kan het slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad aan de Commissie een noodhulp vragen wanneer elke vertraging bij de hulpverlening dit slachtoffer een aanzienlijk nadeel kan berokkenen. Uit de gegevens van de uitgevoerde onderzoeksverrichtingen is niet gebleken dat aan deze voorwaarde is voldaan: uit de stukken blijkt niet dat verzoeker een laag inkomen heeft, noch dat hij hoge kosten heeft gemaakt en nog steeds maakt als gevolg van de feiten. Zij meent dan ook dat de hoogdringendheid van de verzoeken onvoldoende aangetoond werd. Het verzoek dient bijgevolg als ongegrond afgewezen te worden.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 17 en 18 februari 1997 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk, maar ongegrond.