Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 11 Februari 1993 (België). RG 364
Summary :
Het Hof, vernietigt littera g) in het derde lid van artikel 90 van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en harmonisering van de controle en de werkingsvoorwaarden van de kredietinstellingen; handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de vaststelling, door de bevoegde overheden, van de modaliteiten van de afstand van erkenning en uiterlijk tot 31 december 1993; verwerpt het beroep voor het overige. (... B.3. De verzoekende partij vraagt de vernietiging van artikel 90 van de wet van 17 juni 1991, evenals van de daarmee onlosmakelijk verbonden bepalingen, inzonderheid artikel 76, tiende lid. Die bepalingen zouden de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet schenden doordat zij de door de Nationale Kas voor Beroepskrediet overeenkomstig artikel 90 erkende kredietverenigingen discrimineren ten aanzien van zowel de in de bestreden wet beoogde openbare kredietinstellingen als de privaatrechtelijke kredietinstellingen en, in het bijzonder, de banken die buiten de vereisten van artikel 90 om door de N.K.B.K. erkend worden. De verzoekende partij klaagt aan dat de specifieke vereisten ten aanzien van de in artikel 90 van de wet van 17 juni 1991 bedoelde kredietverenigingen in verscheidene opzichten verder gaan dan nodig was om de doelstellingen te verwezenlijken. B.8.5. Naar luid van artikel 90, derde lid, littera g), moet in het erkennings- en controlereglement worden bepaald dat de erkende kredietverenigingen "niet rechtstreeks noch onrechtstreeks afstand (mogen) doen van hun erkenning". De verzoekende partij wijst erop dat die bepaling werd ingevoerd bij besluitwet van 23 december 1946, terwijl zij reeds als vereniging voor beroepskrediet actief was zelfs vooraleer de wet van 11 mei 1929 "tot inrichting van eene Hoofdkas voor het klein beroepskrediet" het beginsel van de samenwerking tussen de hoofdkas en de door haar toegelaten kredietverenigingen vastlegde. Die bepaling werd in het Verslag aan de Regent verantwoord "door het feit dat deze vereenigingen een functie van openbaar belang uitoefenen en dat zij uit dien hoofde baat halen uit den financieelen en technischen steun van het hoofdorganisme dat zelf rechtstreeksche en onrechtstreeksche tussenkomst van den Staat en fiscale voordeelen geniet". Het Hof stelt vast dat de artikelen 213 en 249 van de wet van 17 juni 1991 sommige van de wezenlijke voordelen die voor de erkende kredietverenigingen aan de erkenning waren verbonden, afschaffen of geleidelijk afbouwen, met name het bijzondere fiscaal stelsel van artikel 127, 2°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (artikel 216, W.I.B. 1992) en de Staatswaarborg. De bestreden bepaling van artikel 90, derde lid, littera g), neemt het absolute en algemene verbod om afstand te doen van de erkenning dus over, maar als enige verantwoording blijft alleen de vaststelling dat de erkende kredietverenigingen "een functie van openbaar belang uitoefenen". Kan de wetgever geldig oordelen dat de door de erkende kredietverenigingen uitgeoefende "functie van openbaar belang" vergt dat de afstand van de erkenning het verlies van de uit die erkenning voortvloeiende voordelen ten gevolge heeft en, met name in een bekommernis van stabiliteit en bestendigheid, aan bepaalde voorwaarden wordt onderworpen - zoals bijvoorbeeld, in verband met de stemrechtverlenende aandelen en effecten in het maatschappelijk kapitaal van de N.K.B.K. die een erkende kredietvereniging zou bezitten -, toch houdt de bepaling van artikel 90, derde lid, littera g), zoals ze is geformuleerd, een absoluut en algemeen verbod in voor de bedoelde erkende kredietverenigingen om rechtstreeks of onrechtstreeks afstand te doen van hun erkenning. Artikel 90, derde lid, littera g), tast op buitensporige wijze de vrijheid aan van de bedoelde erkende kredietverenigingen wegens het absolute karakter van het verbod dat hun is opgesteld, terwijl niet is aangetoond dat dit absolute verbod nodig is om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken. Het verschil in behandeling dat aldus onder kredietinstellingen tot stand is gebracht, staat niet in een redelijk verband van evenredigheid met het door de wetgever beoogde doel. Artikel 90, derde lid, littera g), schendt derhalve de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre het aan de door de N.K.B.K. erkende kredietverenigingen een absoluut en algemeen verbod oplegt om van de erkenning afstand te doen. B.10.4. Het staat niet aan het Hof te oordelen over de manier waarop de erkenningen in het verleden zijn geschied, noch vooruit te lopen op de wijze waarop artikel 91 uitgevoerd zal worden. De wetsbepaling kan evenwel niet zo worden gelezen dat zij bij de uitvoering ervan een behandeling van erkende of erkenning aanvragende instellingen mogelijk zou maken die in strijd is met de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Het staat aan de administratieve rechter desgevraagd het reglement betreffende de voorwaarden en de procedure voor erkenning te vernietigen indien het de voormelde beginselen zou miskennen. B.11. Uit het voorgaande volgt dat het middel gericht tegen artikel 90 van de wet van 17 juni 1991 slechts gegrond is in zoverre het betrekking heeft op het derde lid, littera g). Er is geen aanleiding tot vernietiging van andere bepalingen bij wege van gevolgtrekking. ...)
Arrêt :
The full and consolidated version of this text is not available.