Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 11 Mai 2016 (België). RG 64/2016

Date :
11-05-2016
Language :
German French Dutch
Size :
5 pages
Section :
Case law
Source :
Justel D-20160511-2
Role number :
64/2016

Summary :

Het Hof zegt voor recht : - Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat bij de verdeling van de schadevergoeding in gelijke delen tussen de verzekeraars bedoeld in die bepaling ook de niet-bekende verzekeraars van niet-geïdentificeerde voertuigen in aanmerking worden genomen en die verdeling aan de benadeelde persoon tegenstelbaar is. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie dat bij de verdeling van de schadevergoeding bedoeld in die bepaling enkel de verzekeraars van de geïdentificeerde voertuigen in aanmerking worden genomen.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 6 mei 2015 in zake A.-S. G. tegen de nv « Axa Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 mei 2015, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 19bis-11 § 2 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002 - op die manier geïnterpreteerd dat de gelijkmatige (' in gelijke mate ') verdeling van de schadelast onder de verzekeraars tegenstelbaar is ten aanzien van de bestuurders of eigenaars van een voertuig die schade hebben geleden bij een ongeval waarbij het niet mogelijk is om vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen dat niet op een objectief criterium berust en niet redelijk verantwoord is en meer bepaald tussen enerzijds de bestuurders of eigenaars van een voertuig die schade hebben geleden bij een ongeval waarbij het niet mogelijk is om vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt en waarbij alle bij het ongeval betrokken voertuigen zijn geïdentificeerd en anderzijds de bestuurders of eigenaars van een voertuig die schade hebben geleden bij een ongeval waarbij het niet mogelijk is om vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt en waarbij één of meerdere bij het ongeval betrokken voertuigen niet zijn geïdentificeerd, terwijl van die laatste voertuigen niet kan worden gezegd dat hun aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1. Artikel 19bis-11 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt :

« § 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt :

1°) wanneer de verzekeringsonderneming failliet verklaard is;

2°) wanneer de vergoedingen verschuldigd zijn door een verzekeringsonderneming, die na afstand of intrekking van de toelating in België of na het, met toepassing van artikel 71, § § 1, derde lid, en 2, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, opgelegde verbod van activiteit, haar verplichtingen niet nakomt;

3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;

4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting;

5°) indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt;

6°) indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om een schaderegelaar aan te wijzen;

7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;

8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden.

§ 2. In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt ».

B.2.1. Artikel 19bis-11 werd in de wet van 21 november 1989 ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002. De bedoeling van de wetgever was om in die bepaling over te nemen wat reeds eerder was bepaald in artikel 80, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, evenwel met de wijzigingen die noodzakelijk waren ten gevolge van de Europese regelgeving en van de rechtspraak van het Hof.

B.2.2. Bij zijn arrest nr. 96/2000 van 20 september 2000 heeft het Hof immers vastgesteld dat artikel 80, § 1, van de wet van 9 juli 1975 een discriminatie inhield tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval waarbij verschillende voertuigen zijn betrokken en waarbij niet kan worden bepaald wie van de bestuurders voor de schade aansprakelijk is, en, anderzijds, onder meer de personen die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd motorvoertuig. Terwijl de tweede categorie op grond van het voormelde artikel 80, § 1, kon worden vergoed ten laste van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds voor lichamelijke schade, kon de eerste categorie geen beroep doen op de tegemoetkoming van dat Fonds. Met de invoeging van artikel 19bis-11 in de wet van 21 november 1989 heeft de wetgever gevolg gegeven aan dat arrest.

B.2.3. Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds treedt in de in artikel 19bis-11, § 1, 7°, van de wet van 21 november 1989 beoogde hypothese op wanneer het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is geïdentificeerd. In dat geval treedt het Fonds in de plaats van de aansprakelijke, waarbij de vergoeding in beginsel wordt beperkt tot de vergoeding van de schade die voortvloeit uit de lichamelijke letsels.

B.2.4. Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 regelt sindsdien de schadevergoeding van de benadeelde persoon, indien verscheidene voertuigen bij een verkeersongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt. In dat geval wordt de schadevergoeding in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van die voertuigen dekken, met uitzondering van diegenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt.

Ten gronde

B.3.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de verdeling van de schadevergoeding « in gelijke delen » onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken tegenstelbaar is aan de bestuurders of de eigenaars van een voertuig die schade hebben geleden bij een ongeval waarbij verscheidene voertuigen zijn betrokken, doch waarbij het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt.

B.3.2. In die interpretatie zou een verschil in behandeling worden ingevoerd tussen, enerzijds, de bestuurders of de eigenaars van een voertuig die schade hebben geleden bij zulk een ongeval waarbij alle bij het ongeval betrokken voertuigen zijn geïdentificeerd en, anderzijds, de bestuurders of de eigenaars van een voertuig die schade hebben geleden bij zulk een ongeval waarbij één of meerdere bij het ongeval betrokken voertuigen niet zijn geïdentificeerd, terwijl van die laatste voertuigen niet kan worden gezegd dat hun aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt. In het eerste geval zou de benadeelde persoon volledig kunnen worden vergoed, doch in het tweede geval zou hij niet worden vergoed voor het aandeel van de verzekeraar van het niet-geïdentificeerde voertuig.

B.4.1. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, door de verwijzende rechter in verband wordt gebracht met de vraag of de verdeling in gelijke delen tussen de verzekeraars waarvan sprake is in die bepaling, al dan niet tegenstelbaar is aan de benadeelde persoon. In de interpretatie waarover de verwijzende rechter het Hof ondervraagt, is die verdeling tegenstelbaar aan de benadeelde en dient hij derhalve elke bij de verdeling betrokken verzekeraar afzonderlijk aan te spreken voor zijn deel in de vergoeding.

Op zich heeft de tegenstelbaarheid van de verdeling van de schadevergoeding tussen de verzekeraars aan de benadeelde persoon niet noodzakelijk invloed op de volledigheid van de schadevergoeding die deze laatste kan verkrijgen. Weliswaar is dit gegeven van groot praktisch belang in zoverre, wanneer die verdeling aan de benadeelde persoon tegenstelbaar is, het aanspreken van alle betrokken verzekeraars voor hem bijzonder ingewikkeld en tijdrovend kan zijn, maar het zou niet noodzakelijk invloed hebben op de omvang van zijn schadevergoeding, die ook in dat geval in beginsel integraal moet zijn.

B.4.2. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling hangt evenwel ook samen met de interpretatie die de verwijzende rechter geeft aan een ander element van artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989.

In die interpretatie worden bij de verdeling van de schadevergoeding in gelijke delen niet enkel de verzekeraars van de geïdentificeerde voertuigen betrokken, maar ook de niet-bekende verzekeraars van de niet-geïdentificeerde voertuigen.

B.4.3. Slechts in die interpretatie is voor de benadeelde persoon het al dan niet tegenstelbare karakter van de onderlinge verdeling tussen de verzekeraars bepalend om een volledige schadevergoeding te verkrijgen. Bijgevolg dient het Hof bij de beantwoording van de prejudiciële vraag ook de onder B.4.2 vermelde interpretatie in zijn toetsing te betrekken.

B.5.1. Uit de totstandkoming van de in het geding zijnde vergoedingsregeling blijkt dat de wetgever beoogt de benadeelde te beschermen wanneer die niet volgens de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregels kan worden vergoed, hetgeen het geval is wanneer niet kan worden vastgesteld wie van de bestuurders van de betrokken voertuigen een fout heeft begaan die aan de basis van het verkeersongeval ligt.

B.5.2. Die situatie beoogt de wetgever te verhelpen door in het in het geding zijnde artikel 19bis-11, § 2, te voorzien in een regeling voor automatische vergoeding van de benadeelde persoon ten laste van de verzekeraars van de bestuurders van de betrokken voertuigen; die vergoedingsregeling staat los van een stelsel dat op de aansprakelijkheid en de aansprakelijkheidsverzekeringen is gebaseerd.

B.6.1. Volgens de verwijzende rechter komen bij de verdeling van de schadevergoeding tussen de verzekeraars bedoeld in artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 ook de niet-bekende verzekeraars van niet-geïdentificeerde voertuigen in aanmerking, wanneer van deze laatsten niet kan worden gezegd dat hun aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding is.

In de interpretatie dat die verdeling tussen de verzekeraars tegenstelbaar is aan de benadeelde bestaat een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling tussen, enerzijds, de benadeelde die in een dergelijk geval niet volledig kan worden vergoed vermits hij een niet-bekende verzekeraar onmogelijk kan aanspreken en, anderzijds, de benadeelde van een verkeersongeval waarbij alleen geïdentificeerde voertuigen zijn betrokken die steeds volledig kan worden vergoed. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling kan het recht op een volledige schadeloosstelling van het slachtoffer immers niet afhangen van de omstandigheid of bij het ongeval ook één of meer niet-bekende verzekeraars van niet-geïdentificeerde voertuigen zijn betrokken, nu die situatie in geen enkel opzicht aan de benadeelde kan worden verweten.

B.6.2. Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen is derhalve niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat bij de verdeling van de schadevergoeding in gelijke delen tussen de verzekeraars bedoeld in die bepaling, ook de niet-bekende verzekeraars van niet-geïdentificeerde voertuigen in aanmerking worden genomen en die verdeling aan de benadeelde tegenstelbaar is.

B.6.3. Het Hof stelt evenwel vast dat de in het geding zijnde bepaling ook anders kan worden geïnterpreteerd. Volgens de bewoordingen van die bepaling « wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders [...] dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt », wat veronderstelt dat die verzekeraars bekend zijn, vermits het aandeel dat door een niet-bekende verzekeraar zou moeten worden gedragen nooit zal worden betaald, wat niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

B.6.4. Er blijkt voorts niet dat de wetgever, voor wat een niet-geïdentificeerd voertuig betreft, het Gemeenschappelijk Waarborgfonds als « verzekeraar » in de zin van de in het geding zijnde bepaling heeft beschouwd. De wetgever heeft integendeel een duidelijke scheiding gemaakt tussen, enerzijds, artikel 19bis-11, § 1, van de wet van 21 november 1989, waar de gevallen worden opgesomd waarin dat Fonds dient op te treden, waaronder het geval waarin het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt niet geïdentificeerd is, en, anderzijds, artikel 19bis-11, § 2, waarin een vergoedingsplicht wordt opgelegd aan de verzekeraars bij een ongeval waarbij meerdere voertuigen zijn betrokken en niet kan worden vastgesteld wie het ongeval heeft veroorzaakt. Overigens verschilt ook de omvang van de schadevergoedingsplicht in beide situaties, nu het Fonds in beginsel slechts de lichamelijke schade dient te vergoeden terwijl de verzekeraars bedoeld in paragraaf 2 zowel de materiële als lichamelijke schade dienen te vergoeden.

B.7.1. Rekening houdend met het bovenstaande kan de in het geding zijnde bepaling zo worden begrepen dat de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen wordt verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken van de bestuurders van de betrokken voertuigen die konden worden geïdentificeerd, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt.

B.7.2. In die interpretatie bestaat er geen verschil in behandeling tussen de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen wat betreft de omvang van hun schadevergoeding.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat bij de verdeling van de schadevergoeding in gelijke delen tussen de verzekeraars bedoeld in die bepaling ook de niet-bekende verzekeraars van niet-geïdentificeerde voertuigen in aanmerking worden genomen en die verdeling aan de benadeelde persoon tegenstelbaar is.

- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie dat bij de verdeling van de schadevergoeding bedoeld in die bepaling enkel de verzekeraars van de geïdentificeerde voertuigen in aanmerking worden genomen.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 mei 2016.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

E. De Groot