Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 19 Oktober 2017 (België). RG 121/2017

Date :
19-10-2017
Language :
German French Dutch
Size :
7 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20171019-2
Role number :
121/2017

Summary :

Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 9, 46, 1°, en 47 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport schenden artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wanneer artikel 47 in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 46, 1°, van dat decreet, maar ook voor het bezit van verboden stoffen strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. - De artikelen 9, 46, 1°, en 47 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport schenden artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, wanneer artikel 47 in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in artikel 46, 1°, van dat decreet omschreven misdrijven, en dus niet voor het bezit van verboden stoffen strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters A. Alen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 19 oktober 2016 in zake het openbaar ministerie tegen S.M. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 oktober 2016, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 9 (de verboden lijst zoals opgenomen in het ministerieel besluit van 27 november 2013 houdende vaststelling van de verboden lijst, BS 9 december 2013, 97492 (verboden lijst ogenblik van de feiten)) juncto 46 en 47 van het decreet van 13 juli 2007 inzake medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door deze artikelen een sporter die tuchtrechtelijk vervolgd wordt en definitief veroordeeld wordt voor substanties die zowel verboden zijn ingevolge de verboden lijst, als bedoeld in artikel 9 van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012 (bepaald in het ministerieel besluit van 27 november 2013 houdende vaststelling van de verboden lijst, BS 9 december 2013, 97492 (verboden lijst ogenblik van de feiten)) [...] als verboden zijn ingevolge de drugwet, niet langer strafrechtelijk vervolgd kan worden door het Openbaar Ministerie en gestraft kan worden door de rechtbanken op basis van de drugwet en het KB 1974, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, in zoverre de toepassing ervan de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever in het gedrang brengt ? »;

2. « Schendt artikel 9 (de verboden lijst zoals opgenomen in het ministerieel besluit van 27 november 2013 houdende vaststelling van de verboden lijst, BS 9 december 2013, 97492 (verboden lijst ogenblik van de feiten)) juncto 46 en 47 van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012, geïnterpreteerd in die zin dat door deze artikelen een sporter die tuchtrechtelijk vervolgd wordt en definitief veroordeeld wordt voor substanties die zowel verboden zijn ingevolge de verboden lijst, als bedoeld in artikel 9 van voormeld decreet (opgenomen in het ministerieel besluit van 27 november 2013 houdende vaststelling van de verboden lijst, BS 9 december 2013, 97492 (verboden lijst ogenblik van de feiten)) [...] als verboden zijn ingevolge de drugwet, niet langer strafrechtelijk vervolgd kan worden door het Openbaar Ministerie en gestraft kan worden door de rechtbanken op basis van de drugwet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet terwijl rechtsonderhorigen die niet aan een tuchtregime onderworpen zijn wel strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor hetzelfde misdrijf ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1. De eerste prejudiciële vraag verwijst naar de artikelen 9, 46 en 47 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 2007 inzake de medisch en ethisch verantwoorde sportbeoefening. Uit de inhoud van beide prejudiciële vragen en uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat het om een materiële vergissing gaat en dat de verwijzende rechter, net zoals in de tweede prejudiciële vraag, de artikelen 9, 46 en 47 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport (hierna : Antidopingdecreet) bedoelt. Die materiële vergissing verantwoordt niet dat de eerste prejudiciële vraag onontvankelijk zou worden verklaard zoals de Ministerraad in hoofdorde vraagt. Zijn argumentatie in ondergeschikte orde toont immers aan dat hij op pertinente wijze zijn argumenten heeft kunnen ontwikkelen.

B.2.1. Artikel 9 van het Antidopingdecreet bepaalt :

« De regering stelt de verboden lijst vast ».

Die lijst van verboden stoffen was op het ogenblik van de in het geding zijnde feiten, die plaatsvonden in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 mei 2014, opgenomen in het ministerieel besluit van 27 november 2013 houdende vaststelling van de verboden lijst.

B.2.2. Artikel 46 van het Antidopingdecreet, vóór de wijziging ervan bij artikel 29 van het decreet van 4 december 2015 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de integratie van de beleidsondersteunende opdracht inzake sport in het agentschap Sport Vlaanderen, en tot wijziging van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012 » en bij artikel 54 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 december 2014 « houdende aanpassing van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012 aan de Code 2015 », bepaalde :

« De volgende personen worden gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met een geldboete van 200 tot 2000 euro of met een van die straffen alleen :

1° degene die zich schuldig maakt aan een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°;

2° degene die zich schuldig maakt aan een dopingpraktijk als vermeld in artikel 3, 7° en 8°;

3° de sporter die zich schuldig maakt aan het niet-naleven van de uitsluiting als vermeld in artikel 41, § 1, 1°;

4° degene die zich schuldig maakt aan het niet doen naleven door een sporter van een uitsluiting als vermeld in artikel 41, § 1, 1° ».

B.2.3. Artikel 47 van het Antidopingdecreet bepaalt :

« Als de strafbaar gestelde feiten, vermeld in artikel 46, 1°, gepleegd worden door sporters ter gelegenheid van hun voorbereiding op of hun deelname aan een sportactiviteit, geven ze alleen aanleiding tot disciplinaire sancties.

Iedere andere persoon die deelneemt aan die strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft alsof de bepaling in het vorige lid niet bestaat ».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3. De verwijzende rechter wenst met de eerste prejudiciële vraag te vernemen of de artikelen 9, 46 en 47 van het Antidopingdecreet bestaanbaar zijn met de bevoegdheidverdelende regels, wanneer die bepalingen aldus worden begrepen dat een sporter die tuchtrechtelijk definitief veroordeeld werd voor het bezit van verboden stoffen op basis van het antidopingdecreet, niet langer strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld kan worden op basis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna : Drugswet).

B.4. Uit artikel 47 van het Antidopingdecreet volgt dat een sporter die ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportactiviteit een strafbaar gesteld feit vermeld in artikel 46, 1°, heeft gepleegd, dit alleen aanleiding kan geven tot disciplinaire sancties.

Artikel 46, 1°, van het Antidopingdecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van de in het geding zijnde feiten, verwees naar de dopingpraktijken vermeld in artikel 3, 1°, 2°, 3°, 4°, 5° en 6°. Het bodemgeschil heeft betrekking op het bezit van verboden stoffen vermeld in artikel 3, 6°. Volgens artikel 9 van het Antidopingdecreet wordt de lijst van verboden stoffen door de Vlaamse Regering opgesteld.

B.5. De Drugswet regelt in het belang van de openbare gezondheid, enerzijds, het vervoer, de invoer, de uitvoer, het bezit, de verkoop, het te koop stellen, het afleveren en het aanschaffen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica en, anderzijds, de uitoefening van de geneeskunde met betrekking tot die stoffen.

Artikel 2, 2°, van de Drugswet stelt het bezit van verboden stoffen strafbaar.

B.6. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over artikel 47 van het Antidopingdecreet, geïnterpreteerd in die zin dat het een strafuitsluitende verschoningsgrond creëert die niet enkel geldt voor de door het Antidopingdecreet strafbaar gestelde bezit van verboden stoffen, maar ook voor het door de Drugswet strafbaar gestelde bezit van verboden stoffen, indien de gepleegde feiten onder de beide kwalificaties vallen.

B.7. Het Hof heeft bij zijn arresten nrs. 62/2008, 112/2008 en 187/2008 reeds geantwoord op soortgelijke prejudiciële vragen, die betrekking hadden op een soortgelijke strafuitsluitende verschoningsgrond opgenomen in het toenmalige artikel 44 van decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening.

B.8. Bij zijn arrest nr. 62/2008 van 10 april 2008 heeft het Hof geoordeeld :

« B.8.1. Artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt sinds de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 :

' Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld.

Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet.

[...] '.

B.8.2. De bij artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de decreetgever toegewezen bevoegdheid omvat niet alleen de bevoegdheid om de inbreuken op de door hem uitgevaardigde bepalingen strafbaar te stellen, maar ook de bevoegdheid om met betrekking tot die strafbaarstellingen strafuitsluitende verschoningsgronden te bepalen.

B.9. De decreetgever kan de niet-naleving van de door hem uitgevaardigde bepalingen evenwel slechts strafbaar stellen ' binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten '. Dit brengt met zich mee dat hij slechts een strafuitsluitende verschoningsgrond kan invoeren, in zoverre die betrekking heeft op de door hem, in overeenstemming met artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ingevoerde strafbaarstellingen.

B.10. Naar luid van artikel 128, § 1, van de Grondwet regelen de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, elk voor zich, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden.

Volgens artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen omvatten de in artikel 128, § 1, van de Grondwet bedoelde persoonsgebonden aangelegenheden onder meer, wat het gezondheidsbeleid betreft, ' de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van nationale maatregelen inzake profylaxies '.

Uit de parlementaire voorbereiding van dat artikel 5, § 1, I, 2°, blijkt dat inzake activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, de gemeenschappen onder meer bevoegd zijn voor ' de medische sportcontrole, die verplicht wordt gesteld door de reglementering betreffende de uitoefening van bepaalde sporttakken (boksen, wielrennen), en de facultatieve controle ' (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/2, pp. 124-125).

B.11. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen.

B.12. Uit het voorgaande volgt dat artikel 128, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, onder voorbehoud van de hierin vermelde uitzondering, het geheel van de gezondheidsopvoeding alsook van de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg aan de gemeenschappen heeft overgedragen.

B.13.1. De in het dopingdecreet vervatte bepalingen betreffende de dopingpraktijken moeten worden beschouwd als regels betreffende de medisch verantwoorde sportbeoefening, die tot de preventieve gezondheidszorg behoren.

De decreetgever heeft door die bepalingen aan te nemen aldus een aspect van de preventieve gezondheidszorg geregeld dat specifiek is voor de medische bescherming van sportbeoefenaars.

B.13.2. Vermits de aangelegenheid van de medisch verantwoorde sportbeoefening binnen de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap valt, moet de Vlaamse decreetgever eveneens bevoegd worden geacht om de niet-naleving van de door hem op dat vlak uitgevaardigde regels strafbaar te stellen en ter zake te voorzien in strafuitsluitende verschoningsgronden.

B.14.1. De bevoegdheid van de gemeenschappen op het vlak van de preventieve gezondheidszorg houdt echter niet de bevoegdheid in om op een veralgemeende wijze reglementering aan te nemen betreffende de geneesmiddelen en de levensmiddelen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 7; Senaat, 1979-1980, nr. 434/2, pp. 124-125; Kamer, 1979-1980, nr. 627-10, p. 52) volgt immers dat de bijzondere wetgever de levensmiddelen- en geneesmiddelenreglementering heeft uitgesloten van de aan de gemeenschappen overgedragen bevoegdheid betreffende de preventieve gezondheidszorg. Die aangelegenheden behoren bijgevolg tot de residuaire bevoegdheid van de federale Staat.

B.14.2. Doordat zij voorziet in een reglementering van het vervoer, de invoer, de uitvoer, het bezit, de verkoop, het te koop stellen, het afleveren en het aanschaffen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica, moet de federale drugswet, in het kader van de bevoegdheidverdelende regels, worden beschouwd als een reglementering van geneesmiddelen en levensmiddelen, die behoort tot de bevoegdheid van de federale Staat.

Daaruit volgt ook dat het enkel toekomt aan de federale wetgever om de niet-naleving van die bepalingen strafbaar te stellen en, indien hij dit aangewezen acht, ter zake te voorzien in strafuitsluitende verschoningsgronden.

B.15. In zoverre de in het geding zijnde bepaling wordt geïnterpreteerd in die zin dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 van het dopingdecreet, maar ook voor het louter bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld door de federale drugswet, is de in het geding zijnde bepaling strijdig met artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.16. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.17. Het Hof stelt echter vast dat zowel de Vlaamse Regering als de Ministerraad doen gelden dat de in het geding zijnde bepaling ook anders kan worden geïnterpreteerd. De Vlaamse Regering verzoekt het Hof in het dictum van zijn arrest de door haar gesuggereerde interpretatie te vermelden, die volgens haar aan de vaststelling van ongrondwettigheid weerstaat.

Rekening houdend met het feit dat die bepaling verwijst naar ' de in artikel 43 [van het dopingdecreet] strafbaar gestelde feiten ', kan ze ook worden geïnterpreteerd in die zin dat de erin bedoelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in dat artikel 43 van het dopingdecreet omschreven misdrijven, en niet voor misdrijven die in andere wettelijke normen zijn omschreven.

In die interpretatie komt de in het geding zijnde bepaling weliswaar niet volledig tegemoet aan het door de decreetgever nagestreefde doel inzake ' depenalisering van de dopingbestrijding voor sportbeoefenaars ' (Parl. St., Vlaams Parlement, 1990-1991, nr. 448/1, pp. 17 en volgende) maar is zij niet strijdig met de bevoegdheidverdelende regels.

B.18. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord ».

B.9. Om dezelfde redenen als aangegeven in het voormelde arrest dient te worden vastgesteld dat indien artikel 47 van het Antidopingdecreet in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 46, 1°, van het Antidopingdecreet, maar ook voor het bezit van verboden stoffen strafbaar gesteld door de federale Drugswet, de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar zijn met artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.10. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.11.1. Het Hof stelt echter vast dat de in het geding zijnde bepalingen ook anders kunnen worden geïnterpreteerd. Rekening houdend met het feit dat artikel 47 van het antidopingdecreet verwijst naar « de strafbaar gestelde feiten, vermeld in artikel 46, 1° », kan de bepaling ook worden geïnterpreteerd in die zin dat de erin bedoelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in dat artikel 46, 1°, van het Antidopingdecreet omschreven misdrijven, en niet voor misdrijven die in andere wettelijke normen zijn omschreven.

B.11.2. Die interpretatie wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd in de parlementaire voorbereiding van het Antidopingdecreet :

« Een aantal interpretatievragen rijzen in verband met de relatie tussen het decreet enerzijds en de federale strafwetgeving, meer bepaald de Drugwet van 24 februari 1921 en de uitvoerbesluiten ervan, anderzijds. Zo is er de vraag of de strafuitsluitende verschoningsgrond ook zou kunnen doorwerken ten aanzien van de federale strafbepalingen, zeker in het geval er samenloop is tussen inbreuken op het decreet inzake medisch verantwoorde sportbeoefening en de federale Drugwet. De decreetgever is alleszins het standpunt toegedaan dat dit niet het geval is.

Het is geenszins de bedoeling van de decreetgever om afbreuk te doen aan de federale Drugwet van 24 februari 1921. Het gaat om een decretale depenalisering. De decreetgever bevestigt daarbij de zeer waardevolle bijdrage die het gerecht via een strafrechtelijke aanpak kan leveren in het bestrijden van de dopingproblematiek, onder meer door het aanpakken van het drugprobleem en de georganiseerde handel in verdovende middelen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1554/1, pp. 21-22).

B.12. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.13. De verwijzende rechter wenst met de tweede prejudiciële vraag te vernemen of de artikelen 9, 46 en 47 van het Antidopingdecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer die bepalingen aldus worden begrepen dat een sporter die tuchtrechtelijk definitief veroordeeld werd voor het bezit van verboden stoffen op basis van het Antidopingdecreet, niet langer strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld kan worden op basis van de Drugswet, terwijl rechtsonderhorigen die niet aan een tuchtregeling onderworpen zijn, wel strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor hetzelfde misdrijf.

B.14. Zoals vermeld in B.11.1, dient artikel 47 van het Antidopingdecreet, teneinde in overeenstemming te zijn met de bevoegdheidverdelende regels, in die zin te worden geïnterpreteerd dat de erin bedoelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in artikel 46, 1°, van het Antidopingdecreet omschreven misdrijven, en niet voor misdrijven die in andere wettelijke normen, zoals de Drugswet, zijn omschreven. In die interpretatie bestaat het aangevoerde verschil in behandeling niet en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.15. Overigens blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het Antidopingdecreet dat de in het geding zijnde bepalingen niet beogen te verhinderen dat een sporter die disciplinair bestraft werd, ook strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld zou kunnen worden, voor zover het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem hier niet aan in de weg staat (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1554/1, p. 22). Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem op de in het geding zijnde disciplinaire sancties van toepassing kan zijn, dient de bevoegde rechter na te gaan of de in het geding zijnde disciplinaire sancties van strafrechtelijke aard zijn (zie EHRM, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, § § 101-134; 31 mei 2011, Kurdov en Ivanov t. Bulgarije, § § 35-46, grote kamer, 10 februari 2009, Sergey Zolotukhin t. Rusland, § § 52-57, 70-84).

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- De artikelen 9, 46, 1°, en 47 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport schenden artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wanneer artikel 47 in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet enkel geldt voor feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 46, 1°, van dat decreet, maar ook voor het bezit van verboden stoffen strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.

- De artikelen 9, 46, 1°, en 47 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 2012 betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport schenden artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, wanneer artikel 47 in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde strafuitsluitende verschoningsgrond enkel geldt voor de in artikel 46, 1°, van dat decreet omschreven misdrijven, en dus niet voor het bezit van verboden stoffen strafbaar gesteld bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 oktober 2017.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot