Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 22 Juni 2017 (België). RG 83/2017

Date :
22-06-2017
Language :
German French Dutch
Size :
15 pages
Section :
Case law
Source :
Justel D-20170622-2
Role number :
83/2017

Summary :

Der Gerichtshof - erklärt die Artikel 129 bis 134 und Artikel 135 Nr. 18 des flämischen Dekrets vom 18. Dezember 2015 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 2016 sowie das Dekret der Flämischen Region vom 3. Februar 2017 zur Abänderung von Artikel 14.1.2 und 14.2.3 des Energiedekrets vom 8. Mai 2009 für nichtig; - erhält die Folgen der für nichtig erklärten Bestimmungen für die Abgabejahre 2016 und 2017 aufrecht.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 februari 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 februari 2016, heeft Ronald De Wilde beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 128 tot 134 en van artikel 135, 18°, van het Vlaamse decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2015).

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 februari 2016 ter post afgegeven brief en ter griffie is ingekomen op 23 februari 2016, heeft Jef Hendriks beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 128 tot 130 van hetzelfde Vlaamse decreet.

c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 februari 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 februari 2016, heeft Antoine Buedts beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 128 tot 134 en van artikel 135, 18°, van hetzelfde Vlaamse decreet.

De vordering tot schorsing van dezelfde decreetsbepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 70/2016 van 11 mei 2016, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 2016.

d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 april 2016 ter post afgegeven brief en ter griffie is ingekomen op 20 april 2016, heeft Jan Gossé beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 128 tot 134 en van artikel 135, 18°, van hetzelfde Vlaamse decreet.

De vordering tot schorsing van dezelfde decreetsbepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 106/2016 van 30 juni 2016, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 augustus 2016.

e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 april 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 april 2016, heeft de vzw « Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Peeters en Mr. J. Vanhoenacker, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van hoofdstuk 11 en van artikel 135, 18°, van hetzelfde Vlaamse decreet.

f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 mei 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 mei 2016 is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 128 tot 134 van hetzelfde Vlaamse decreet door Peter Mertens en Tom De Meester, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Van den Broeck, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. R. Jeeninga, advocaat bij de balie te Antwerpen.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6353, 6366, 6369, 6410, 6419 en 6426 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen en hun context

B.1. De beroepen tot vernietiging hebben betrekking op de artikelen 128 tot 134 en artikel 135, 18°, van het Vlaamse decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 (hierna : decreet van 18 december 2015).

Die artikelen bepalen :

« HOOFDSTUK 11. - Energie

Art. 128. Aan artikel 3.2.1, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende woorden toegevoegd :

' alsmede voor de financiering van energiegerelateerde kosten van de Vlaamse overheid '.

Art. 129. In artikel 14.1.1 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in paragraaf 1 worden de woorden ' vanaf heffingsjaar 2015 een maandelijkse ' vervangen door de woorden ' vanaf 1 maart 2016 een jaarlijkse ';

2° aan paragraaf 1, 3°, worden de woorden ' vermeld in artikel 4.6.1, artikel 15.3.5/1 en artikel 15.3.5/2, 3°; ' toegevoegd;

3° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

' Het geheel van afnamepunten van een gesloten distributienet, vermeld in paragraaf 1, 3°, dat voldoet aan artikel 1.1.3, 56°/2, wordt echter als één afnamepunt beschouwd. De heffing is in dat geval verschuldigd door de afnemer die volgens het toegangsregister titularis was van het afnamepunt op het transmissienet, het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, het elektriciteitsdistributienet. '.

Art. 130. Artikel 14.1.2 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt vervangen door wat volgt :

' Art. 14.1.2. De tarieven worden per afnamepunt, waarop de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op één van de netten vermeld in artikel 14.1.1, als volgt bepaald :

1° Categorie B : 100 euro;

2° Categorie C : 130 euro;

3° Categorie D : 290 euro;

4° Categorie E : 770 euro;

5° Categorie F : 1.300 euro;

6° Categorie G : 1.850 euro;

7° Categorie H : 2.600 euro;

8° Categorie I : 6.500 euro;

9° Categorie J : 16.000 euro;

10° Categorie K : 30.000 euro;

11° Categorie L : 75.000 euro;

12° Categorie M : 100.000 euro;

13° Categorie N : 120.000 euro.

Waarbij

Categorie B staat voor een schijf tot 5 MWh;

Categorie C staat voor een schijf van 5 MWh tot 10 MWh;

Categorie D staat voor een schijf van 10 MWh tot 20 MWh;

Categorie E staat voor een schijf van 20 MWh tot 50 MWh;

Categorie F staat voor een schijf van 50 MWh tot 100 MWh;

Categorie G staat voor een schijf van 100 MWh tot 500 MWh;

Categorie H staat voor een schijf van 500 MWh tot 1 GWh;

Categorie I staat voor een schijf van 1 GWh tot 5 GWh;

Categorie J staat voor een schijf van 5 GWh tot 20 GWh;

Categorie K staat voor een schijf van 20 GWh tot 50 GWh;

Categorie L staat voor een schijf van 50 GWh tot 100 GWh;

Categorie M staat voor een schijf van 100 GWh tot 250 GWh en

Categorie N staat voor een schijf vanaf 250 GWh. '.

Art. 131. In hoofdstuk I, titel XIV, van hetzelfde decreet wordt een artikel 14.1.3/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :

' Art. 14.1.3/1. Indien de afnemer, vermeld in artikel 14.1.1, § 2, een beschermde afnemer is, als bedoeld in artikel 1.1.1, § 2, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, of indien op het afnamepunt, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, een actieve budgetmeter voor elektriciteit aanwezig is, of indien op het afnamepunt, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, een actieve stroombegrenzer aanwezig is, wordt het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, verminderd tot 25 euro. Deze vermindering wordt toegepast pro rata temporis voor de periode dat men tot de voormelde categorieën behoort. Deze afnemer behoort tot categorie A. '.

Art. 132. In artikel 14.1.3 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het jaartal ' 2016 ' wordt vervangen door het jaartal ' 2017 ';

2° na de woorden ' in artikel 14.1.2 ' en voor de woorden ' te vermenigvuldigen ' worden de woorden ' en artikel 14.1.3/1 ' ingevoegd.

Art. 133. In artikel 14.2.2 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden ' bepaalde kalendermaand ' vervangen door de woorden ' bepaald kalenderjaar ';

2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden ' voor die maand ' opgeheven;

3° aan paragraaf 1 worden een vierde, vijfde en zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt :

' Het jaarverbruik, vermeld in artikel 14.1.2, wordt berekend op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen.

Wanneer de facturatie van de elektriciteitsafnamen voor een afnamepunt op maandelijkse basis gebeurt, wordt de heffing voor elke maandfactuur pro rata temporis berekend op basis van de afnamegegevens van de laatste twaalf maanden; indien de gegevens van deze periode niet volledig beschikbaar zijn, wordt een lineaire extrapolatie toegepast op basis van de meest recente gegevens over een periode van twaalf maanden.

Wanneer de facturatie van de elektriciteitsafnamen voor een afnamepunt gebeurt met een jaarlijkse factuur, wordt de heffing berekend op basis, eventueel geëxtrapoleerd pro rata temporis, van de verbruiksgegevens over de twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft. Indien de verbruiksgegevens waarop de factuur betrekking heeft niet overeenstemmen met een periode van twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft, dan worden de verbruiksgegevens waarop de factuur betrekking heeft geëxtrapoleerd aan de hand van in de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofielen. '.

Art. 134. In artikel 14.2.3 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :

' § 2. In afwijking van artikel 14.2.2, § 2, dienen de eerste stortingen door de toegangshouders op de rekening van het Vlaamse Gewest van alle door hen conform artikel 14.2.2, § 1, voor het heffingsjaar 2016 reeds geïnde heffingen pas tegen uiterlijk 30 juli 2016 te geschieden '.

Hoofdstuk 12. - Inwerkingtreding

Art. 135. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2016, met uitzondering van :

[...]

18° artikel 128 tot en met 134, die in werking treden op 1 maart 2016 ».

B.2.1. Zoals zij door de bestreden artikelen 129 tot 134 van het decreet van 18 december 2015 zijn gewijzigd, bepalen de artikelen 14.1.1 tot 14.2.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, ingevoegd bij artikel 100 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 en het decreet van 27 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake energie :

« Titel XIV. - Heffingen

HOOFDSTUK I. - Heffing op de afnamepunten van elektriciteit

Art. 14.1.1. § 1. Er wordt vanaf 1 maart 2016 een jaarlijkse heffing per afnamepunt gelegen in het Vlaamse Gewest vastgesteld :

1° op het elektriciteitsdistributienet;

2° op het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit;

3° op een gesloten distributienet van elektriciteit vermeld in artikel 4.6.1, artikel 15.3.5/1 en artikel 15.3.5/2, 3°.

§ 2. De heffing is verschuldigd door elke afnemer die in de loop van het heffingsjaar volgens het toegangsregister titularis was van een afnamepunt, vermeld in § 1.

Het geheel van afnamepunten van een gesloten distributienet, vermeld in paragraaf 1, 3°, dat voldoet aan artikel 1.1.3, 56°/2, wordt echter als één afnamepunt beschouwd. De heffing is in dat geval verschuldigd door de afnemer die volgens het toegangsregister titularis was van het afnamepunt op het transmissienet, het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, het elektriciteitsdistributienet.

Art. 14.1.2. De tarieven worden per afnamepunt, waarop de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op één van de netten vermeld in artikel 14.1.1, als volgt bepaald :

1° Categorie B : 100 euro;

2° Categorie C : 130 euro;

3° Categorie D : 290 euro;

4° Categorie E : 770 euro;

5° Categorie F : 1.300 euro;

6° Categorie G : 1.850 euro;

7° Categorie H : 2.600 euro;

8° Categorie I : 6.500 euro;

9° Categorie J : 16.000 euro;

10° Categorie K : 30.000 euro;

11° Categorie L : 75.000 euro;

12° Categorie M : 100.000 euro;

13° Categorie N : 120.000 euro.

Waarbij

Categorie B staat voor een schijf tot 5 MWh;

Categorie C staat voor een schijf van 5 MWh tot 10 MWh;

Categorie D staat voor een schijf van 10 MWh tot 20 MWh;

Categorie E staat voor een schijf van 20 MWh tot 50 MWh;

Categorie F staat voor een schijf van 50 MWh tot 100 MWh;

Categorie G staat voor een schijf van 100 MWh tot 500 MWh;

Categorie H staat voor een schijf van 500 MWh tot 1 GWh;

Categorie I staat voor een schijf van 1 GWh tot 5 GWh;

Categorie J staat voor een schijf van 5 GWh tot 20 GWh;

Categorie K staat voor een schijf van 20 GWh tot 50 GWh;

Categorie L staat voor een schijf van 50 GWh tot 100 GWh;

Categorie M staat voor een schijf van 100 GWh tot 250 GWh en

Categorie N staat voor een schijf vanaf 250 GWh.

Art. 14.1.3. De heffing wordt van rechtswege met ingang van heffingsjaar 2017 jaarlijks op 1 januari geïndexeerd door het tarief in artikel 14.1.2 en in artikel 14.3.1/1 te vermenigvuldigen met het indexcijfer van de consumptieprijzen, vastgesteld voor de maand oktober van het vorige heffingsjaar, en te delen door het indexcijfer van de consumptieprijzen, vastgesteld voor de maand december van het jaar 2014.

Art. 14.1.3/1. Indien de afnemer, vermeld in artikel 14.1.1, § 2, een beschermde afnemer is, als bedoeld in artikel 1.1.1, § 2, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, of indien op het afnamepunt, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, een actieve budgetmeter voor elektriciteit aanwezig is, of indien op het afnamepunt, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, een actieve stroombegrenzer aanwezig is, wordt het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, verminderd tot 25 euro. Deze vermindering wordt toegepast pro rata temporis voor de periode dat men tot de voormelde categorieën behoort. Deze afnemer behoort tot categorie A.

HOOFDSTUK II. - Vestiging van de aanslag, controle, beroep [,] ambtshalve uitvoering en verjaring

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 14.2.1. De inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de heffingen, vermeld in deze titel, worden rechtstreeks toegewezen aan het Energiefonds, vermeld in artikel 3.2.1.

Afdeling II. - Inning van de heffing op de afnamepunten van elektriciteit door de toegangshouders

Art. 14.2.2. § 1. De heffing, vermeld in hoofdstuk I, wordt voor rekening van het Vlaamse Gewest geïnd door de toegangshouder van het afnamepunt via diens afrekeningsfacturen en slotfacturen.

Indien er gedurende een bepaald kalenderjaar voor een afnamepunt echter meerdere achtereenvolgende toegangshouders in het toegangsregister zijn opgenomen, dan wordt de heffing pro rata temporis door elk van die toegangshouders aangerekend en geïnd.

De factuur die naar de afnemer wordt verstuurd, vermeldt de precieze vergoeding die de afnemer verschuldigd is en geldt als verzoek tot betaling van de verschuldigde heffing. De betalingstermijn bedraagt ten minste vijftien dagen en begint te lopen op de verzendingsdatum van het verzoek tot betaling.

Het jaarverbruik, vermeld in artikel 14.1.2, wordt berekend op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen.

Wanneer de facturatie van de elektriciteitsafnamen voor een afnamepunt op maandelijkse basis gebeurt, wordt de heffing voor elke maandfactuur pro rata temporis berekend op basis van de afnamegegevens van de laatste twaalf maanden; indien de gegevens van deze periode niet volledig beschikbaar zijn, wordt een lineaire extrapolatie toegepast op basis van de meest recente gegevens over een periode van twaalf maanden.

Wanneer de facturatie van de elektriciteitsafnamen voor een afnamepunt gebeurt met een jaarlijkse factuur, wordt de heffing berekend op basis, eventueel geëxtrapoleerd pro rata temporis, van de verbruiksgegevens over de twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft. Indien de verbruiksgegevens waarop de factuur betrekking heeft niet overeenstemmen met een periode van twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft, dan worden de verbruiksgegevens waarop de factuur betrekking heeft geëxtrapoleerd aan de hand van in de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofielen.

§ 2. Elke toegangshouder bezorgt uiterlijk de twintigste dag van elke trimester aan de Vlaamse Belastingdienst een overzicht van de ten laste van de afnemers aangerekende heffingen die hij in de loop van de vorige trimester heeft geboekt.

Het model en de wijze van indienen van dit overzicht wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld maar bevat minstens :

1° de benaming van de toegangshouder;

2° zijn maatschappelijke zetel en exploitatiezetel;

3° de personalia van de persoon die instaat voor de inning en de storting van de heffing.

De toegangshouder stort uiterlijk de dertigste dag van elke trimester de in de vorige trimester geïnde heffingen ten gunste van het Energiefonds op de rekening van de Vlaamse Belastingdienst.

§ 3. Om rekening te houden met de heffingen die hem niet volledig gestort zouden worden door afnemers, mag elke toegangshouder een forfait van 0,5 procent afhouden van de heffingen die in rekening worden gebracht op de afrekeningsfacturen en slotfacturen.

Bij de jaarlijkse afsluiting van de rekeningen, uiterlijk op 1 juli, deelt de toegangshouder aan de Vlaamse Belastingdienst het bedrag van de boekhoudkundig geregistreerde niet-invorderbare schuldvorderingen van de heffing mee dat betrekking heeft op de leveringen onderworpen aan deze heffing.

Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen hoger is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen lager is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder opgeteld bij het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

Art. 14.2.3. § 1. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de procedure en de modaliteiten voor de vordering van de heffing door de toegangshouder, de betaling van de geïnde bedragen aan het Energiefonds en de invordering. Ze bepaalt welke informatie aan de Vlaamse Belastingdienst moet worden meegedeeld en de inlichtingen die nodig zijn voor de controle en de invordering van de heffing.

§ 2. In afwijking van artikel 14.2.2, § 2, dienen de eerste stortingen door de toegangshouders op de rekening van het Vlaamse Gewest van alle door hen conform artikel 14.2.2, § 1, voor het heffingsjaar 2016 reeds geïnde heffingen pas tegen uiterlijk 30 juli 2016 te geschieden ».

B.2.2. Bij decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 zijn nog volgende wijzigingen aangebracht in artikel 14 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 :

" HOOFDSTUK 9. - Leefmilieu, Natuur en Energie

Afdeling 1. - Wijziging van artikel 14 van het Energiedecreet van 8 mei 2009

Art. 29. Aan artikel 14.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, vervangen door het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :

' Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de hogere eurocent. '.

Art. 30. In artikel 14.2.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, vervangen door het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd door de decreten van 3 juli 2015 en 18 december 2015, wordt het woord ' trimester ' telkens vervangen door het woord ' maand '.

Afdeling 2. - Wijziging van titel XIV van het Energiedecreet van 8 mei 2009

Art. 31. Aan titel XIV, hoofdstuk I, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 wordt een artikel 14.1.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :

' Art. 14.1.4. Internationale organisaties en Europese instellingen die op basis van een zetelakkoord of een verdrag in België van belastingen op hun officieel gebruik zijn vrijgesteld, en die in de loop van het heffingsjaar volgens het toegangsregister titularis waren van een afnamepunt als vermeld in artikel 14.1.1, worden vrijgesteld van de heffing, vermeld in deze titel.

De organisaties en instellingen, vermeld in het eerste lid, kunnen bij de toegangshouder van het afnamepunt de terugbetaling vragen van de bij hen, conform artikel 14.2.2, § 1, door de toegangshouder van het afnamepunt geïnde bedragen. Indien die toegangshouder dat bedrag op basis van de procedure, vermeld in artikel 14.2.2, § 2, al ten gunste van het Energiefonds heeft doorgestort, dan wordt het verschil door hem in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure voor de teruggave of verrekening, vermeld in het tweede lid. ' ».

Het decreet van 3 februari 2017 houdende wijziging van artikel 14.1.2 en artikel 14.2.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bepaalt :

« Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2. In artikel 14.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, vervangen bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de zinsnede ' 0 MWh tot 20 MWh ' wordt vervangen door de zinsnede ' 10 MWh tot 25 MWh ';

2° de zinsnede ' 20 MWh tot 50 MWh ' wordt vervangen door de zinsnede ' 25 MWh tot 50 MWh '.

Art. 3. In artikel 14.2.3 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt:

' § 1/1. De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit stellen aan elke toegangshouder voor elk van diens afnamepunten de verbruikshistoriek van de voorbije twaalf maanden op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen ter beschikking.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop deze gegevens ter beschikking worden gesteld. '.

Art. 4. Artikel 14.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van artikel 2, blijft van toepassing op de voor het heffingsjaar 2016 verschuldigde bedragen.

Art. 5. Dit decreet treedt in werking op datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad behoudens artikel 2 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2017 ».

Noch de wijzigingen bij de artikelen 29, 30 en 31 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 noch de bepalingen van het decreet van 3 februari 2017 houdende wijziging van artikel 14.1.2 en artikel 14.2.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 hebben een weerslag op de thans aanhangig zijnde beroepen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.3.1. De Vlaamse Regering werpt op dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6353, 6366, 6369, 6419 en 6426 niet doen blijken van enig belang bij de vernietiging van artikel 128 van het decreet van 18 december 2015.

B.3.2. Artikel 3.2.1, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, waaraan de woorden « alsmede voor de financiering van energiegerelateerde kosten van de Vlaamse overheid » zijn toegevoegd bij het bestreden artikel 128 van het decreet van 18 december 2015, bepaalt :

« De Vlaamse Regering beschikt over de kredieten van het Energiefonds, inclusief de machtiging om hiermee subsidies toe te kennen, voor de uitvoering van haar energiebeleid, in het bijzonder voor de financiering van de VREG, van de openbaredienstverplichtingen inzake energie, voor haar sociaal energiebeleid, haar beleid inzake het rationeel energiegebruik, haar beleid inzake warmte-krachtkoppeling, haar beleid inzake de hernieuwbare energiebronnen alsmede voor de financiering van energiegerelateerde kosten van de Vlaamse overheid ».

B.3.3. Er blijkt niet hoe de verzoekende partijen, in de door hen aangevoerde hoedanigheden van aan de bestreden bepalingen onderworpen belastingplichtigen (zaken nrs. 6353, 6366, 6369, 6410 en 6426) of van een vereniging die de belangen van consumenten behartigt (zaak nr. 6419), een belang zouden hebben bij de vernietiging van een bepaling die de doeleinden waarvoor de kredieten van het Energiefonds door de Vlaamse Regering kunnen worden aangewend, aanvult.

B.3.4. In zoverre de beroepen gericht zijn tegen artikel 128 van het decreet van 18 december 2015, zijn zij niet ontvankelijk.

Ten gronde

Wat de bevoegdheidverdelende regels betreft

B.4.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6366 betoogt dat er al een federale bijdrage bestaat op het elektriciteitsverbruik, en dat het Vlaamse Gewest op dat verbruik geen nieuwe belasting mag heffen.

B.4.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 6419 leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 170, § 2, van de Grondwet en van artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 betreffende de in artikel 110, §§ 1 en 2, (thans : artikel 170, §§ 1 en 2,) van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid.

De voormelde normen zouden zijn geschonden doordat de bestreden bepalingen een belasting heffen op het elektriciteitsverbruik, dat al is onderworpen aan de federale belasting die werd ingevoerd bij de artikelen 21bis en volgende van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, terwijl de gewesten niet bevoegd zijn om belastingen te heffen in aangelegenheden die reeds door de Staat worden belast.

B.4.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6426 leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 170, § 2, van de Grondwet en van de artikelen 1ter en 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : Bijzondere Financieringswet).

Zij zijn van mening dat de Vlaamse heffing per afnamepunt op grond van het Energiedecreet van 8 mei 2009 zodanig is uitgebreid en gewijzigd dat het niet langer gaat om een belasting per afnamepunt, maar om een belasting op elektriciteitsverbruik.

B.4.4. Die middelen hebben een soortgelijke draagwijdte en kunnen derhalve samen worden onderzocht.

B.5.1. Artikel 170, § 2, van de Grondwet bepaalt :

« Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel.

De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ».

Krachtens die bepaling beschikken de gemeenschappen en de gewesten over een eigen fiscale bevoegdheid. Artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet kent aan de federale wetgever evenwel de bevoegdheid toe om, wat de fiscale bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten betreft, de uitzonderingen te bepalen « waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». De federale wetgever kan derhalve bepalen welke belastingen niet door de gemeenschappen en de gewesten mogen worden geheven.

B.5.2. Artikel 1ter van Bijzondere Financieringswet bepaalt :

« De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in deze wet gebeurt met naleving van de in artikel 143 van de Grondwet bedoelde federale loyauteit en het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, alsmede van de volgende principes :

1° de uitsluiting van elke deloyale fiscale concurrentie;

2° de vermijding van dubbele belasting;

3° het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.

Bij een door een overheid gegrond geacht verzoek van een belastingplichtige houdende vermijding van dubbele belasting treedt die overheid in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid, 2°, vermelde principe ongedaan te maken.

In het raam van het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid en over de in het eerste lid bedoelde principes ».

Die bepaling geldt enkel voor de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in de Bijzondere Financieringswet. Zij geldt dus niet voor de uitoefening van hun eigen fiscale bevoegdheid, bedoeld in B.5.1, die rechtstreeks uit de Grondwet voortvloeit.

B.5.3. Artikel 11 van de Bijzondere Financieringswet bepaalt :

« Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven, met uitzondering van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11° bedoelde belastingen ».

De van het verbod op dubbele belastingen uitgezonderde belastingen zijn de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling.

B.5.4. Artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 betreffende de in artikel 110, §§ 1 en 2, (thans artikel 170, §§ 1 en 2,) van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid bepaalt :

« In de gevallen die niet voorzien zijn in artikel 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zijn de Gemeenschaps- en Gewestparlementen niet gemachtigd om belastingen te heffen op de materies die het voorwerp uitmaken van een belasting door de Staat, noch opcentiemen te heffen op belastingen en heffingen ten voordele van de Staat, noch kortingen hierop toe te staan behalve op minerale olie, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations ».

B.5.5. Uit wat voorafgaat blijkt dat de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten een eigen fiscale bevoegdheid heeft toegekend, onder het voorbehoud dat de wet de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt niet heeft bepaald of nadien niet bepaalt, en dat de gemeenschappen en de gewesten in beginsel geen belastingen mogen heffen ten aanzien van materies die het voorwerp zijn van een federale belasting. Zij « kunnen belastingen heffen op de ' maagdelijke ' materies » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 562-2, p. 160).

B.6. Naast de bijdrage die bij de wet van 22 juli 1993 tot instelling van een « bijdrage op de energie » ter vrijwaring van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid werd ingevoerd, is bij artikel 21bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, ingevoegd bij artikel 63 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, een « federale bijdrage » ingevoerd ter financiering van sommige openbaredienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt.

Die federale bijdrage is verschuldigd door de op het Belgische grondgebied gevestigde eindafnemers op elke kilowattuur (kWh) die ze voor eigen gebruik van het net afnemen.

De netbeheerder is belast met de inning van de federale bijdrage. Daartoe factureert hij de toeslag aan de houders van een toegangscontract en aan de distributienetbeheerders.

Er bestond ten tijde van de aanneming van de bestreden bepalingen van het decreet van 18 december 2015 dus een federale belasting, ten laste van alle op het Belgische grondgebied gevestigde eindafnemers naar rato van elke kilowattuur (kWh) die ze voor eigen gebruik van het net afnemen.

B.7.1. Die federale belasting op het verbruik van elektriciteit door de eindafnemer bestond al toen bij de artikelen 14.1.1 tot 14.2.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, ingevoegd bij artikel 100 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, een Vlaamse « heffing op de afnamepunten van elektriciteit », « Bijdrage Energiefonds » genaamd, werd ingevoerd.

Krachtens die bepalingen - voordat ze door de bestreden bepalingen werden gewijzigd - was elke houder van een afnamepunt (dit is het « punt waar elektriciteit of aardgas van het net wordt afgenomen en verbruikt » - zie artikel 1.1.3, 10°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009) in het Vlaamse Gewest op het elektriciteitsdistributienet, op het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit of op een gesloten distributienet van elektriciteit sinds 1 januari 2015 een maandelijkse forfaitaire heffing verschuldigd, die moest worden geïnd door de toegangshouder van het afnamepunt - doorgaans de elektriciteitsleverancier - door middel van de voorschot- en slotfacturen.

De bijdragen dienden te worden doorgestort aan het Energiefonds, waarvan de middelen volgens het voormelde artikel 3.2.1, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bestemd zijn voor de uitvoering van het energiebeleid, in het bijzonder voor de financiering van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) en van de openbaredienstverplichtingen inzake energie, voor het sociaal energiebeleid, het beleid inzake het rationeel energiegebruik, het beleid inzake warmte-krachtkoppeling en het beleid inzake de hernieuwbare energiebronnen en, zoals toegevoegd bij artikel 128 van het decreet van 18 december 2015, eveneens voor de financiering van energiegerelateerde kosten van de Vlaamse overheid.

B.7.2. Het regeringsamendement dat tot die regeling leidde, werd als volgt verantwoord :

« Artikel 123

Artikel 14.1.1

Dit artikel bepaalt de belastbare materie van de heffing, namelijk het beschikken over een afnamepunt van elektriciteit.

Er is momenteel, in tegenstelling tot een heffing op basis van het elektriciteitsverbruik die ten laste wordt gelegd van de eindgebruiker, geen belasting op het louter hebben van afnamepunten dus speelt er hier geen fiscale non bis in idem. De heffing maakt derhalve geen inbreuk op het verbod voor de gewesten om belastingen te heffen op materies die reeds het voorwerp uitmaken van een belasting door de Staat, zoals vervat in artikel 1 van de wet van 23 [januari] 1989 betreffende de in artikel 170, §§ 1 en 2 bedoelde belastingbevoegdheid. Een heffing die specifiek de eindgebruiker treft en waarvan gesteld kan worden dat ze niet geheven wordt op de ' afname van elektriciteit voor eigen gebruik ', is dus een heffing op het loutere feit aangesloten te zijn op het net. Deze belastbare materie verschilt van de belastbare materie van o.a. de federale bijdrage.

Paragraaf 2 duidt de heffingsplichtigen aan, namelijk elke eindafnemer die in de loop van het heffingsjaar over een aansluiting van elektriciteit beschikte. Deze bepalingen zijn voldoende duidelijk om de heffingsplichtige te kunnen identificeren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 132/4, p. 45).

B.7.3. Terwijl de tekst van het oorspronkelijke amendement « elke eindafnemer die in de loop van het heffingsjaar over een aansluiting beschikte » als heffingsplichtige beschouwde, werd uiteindelijk geopteerd voor de bewoordingen « afnemer die [...] titularis was van een afnamepunt », op voorstel van de VREG, die erop had gewezen dat de term « aansluiting » niet gedefinieerd was in het decreet en daardoor mogelijk voer was voor discussie (ibid., p. 57).

B.7.4. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies nr. 56.739/1/3 van 24 oktober 2014 over het voorgestelde amendement opgemerkt :

« De voorliggende regeling betreft eveneens een belasting van de eindafnemers met het oog op de financiering van sommige kosten verbonden aan de regulering en de controle op de elektriciteitsmarkt. Niettemin moet worden vastgesteld dat de belasting verschilt van de federale bijdrage, doordat de nieuwe heffing niet afhangt van de hoeveelheid afgenomen elektriciteit, maar een maandelijkse bijdrage is per afnamepunt.

De federale bijdrage is dus niet van die aard dat ze het Vlaamse Gewest de bevoegdheid ontneemt om een heffing als bepaald in het amendement op te leggen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 132/4, p. 80).

B.8. De bestreden bepalingen hebben de bij artikel 100 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 ingevoerde « Bijdrage Energiefonds » hervormd en verruimd.

De bijdrage blijft ten laste van elke afnemer die in de loop van het heffingsjaar houder was van een afnamepunt in het Vlaamse Gewest, volgens het toegangsregister.

Een afnamepunt wordt in artikel 1.1.3, 10°, van het Energiedecreet gedefinieerd als het punt waar elektriciteit of aardgas van het net wordt afgenomen en verbruikt.

Onder « titularis van een toegangspunt » - afnamepunt of injectiepunt volgens artikel 1.1.3, 122°, van hetzelfde decreet - wordt verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het toegangsregister bekend staat als afnemer of producent op het toegangspunt in kwestie (artikel 1.1.3, 120°, van het Energiedecreet).

Anders dan voorheen wordt de heffing, vanaf 1 maart 2016, geïnd op jaarbasis, en niet langer maandelijks. Het bedrag van de bijdrage verschilt naar rato van het elektriciteitsverbruik, ingedeeld volgens een aantal « schijven » gaande van categorie B (0 tot 5 MWh - 100 euro) tot categorie N (vanaf 250 GWh - 120 000 euro). Voor bepaalde afnemers geldt een « sociaal » tarief van 25 euro (categorie A - artikel 14.1.3/1).

Volgens de gegevens verstrekt door de Vlaamse Regering zijn er in het Vlaamse Gewest ongeveer 3,3 miljoen dergelijke afnamepunten. Ongeveer 283 000 houders behoren tot categorie A, 2 227 000 tot categorie B, 467 500 tot categorie C, en 15 houders behoren tot categorie M (100 GWh tot 250 GWh) en 12 tot categorie N (vanaf 250 GWh).

Zoals blijkt uit artikel 14.2.2, § 1, van het Energiedecreet, zoals gewijzigd bij artikel 133 van het bestreden decreet, wordt het jaarverbruik berekend op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen. Wanneer de facturatie van de afnamen op maandelijkse basis gebeurt, wordt de heffing voor elke maandfactuur pro rata temporis berekend op basis van de afnamegegevens van de laatste twaalf maanden. Wanneer, ten slotte, de facturatie van de afnamen jaarlijks gebeurt, wordt de heffing berekend op basis, eventueel geëxtrapoleerd pro rata temporis, van de verbruiksgegevens over de twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft.

B.9.1. Met betrekking tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest is in de verantwoording bij het regeringsamendement dat leidde tot de bestreden bepalingen gesteld :

« In titel XIV van het Energiedecreet van 8 mei 2009 is met ingang van heffingsjaar 2015 een forfaitaire heffing per afnamepunt (gedefinieerd in artikel 1.1.3, 10°, Energiedecreet) van elektriciteit aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, op het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit of op een gesloten distributienet van elektriciteit opgenomen. In het Vlaamse Gewest zijn er ongeveer 3,3 miljoen dergelijke aansluitingspunten.

[...]

De vernieuwde heffing wordt nog steeds geheven voor het beschikken over een afnamepunt. Wat de algemene verantwoording van de heffingsgrondslag, de belastbare materie, de inningswijze en de relatie van de heffing met de btw betreft, wordt verwezen naar de toelichting bij het programmadecreet van 19 december 2014 (Parl. St. Vl. Parl. 2014-15, nr. 132/4, p. 15-18), die ook hier van toepassing is en wordt onderschreven.

[...]

De federale bijdrage die krachtens artikel 21bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt wordt geheven ter financiering van sommige openbaredienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt betreft een heffing verschuldigd door de op het Belgische grondgebied gevestigde eindafnemers op elke kilowattuur (kWh) die ze voor eigen gebruik van het net afnemen, en die voor rekening van de federale overheid wordt geïnd door de netbeheerders.

De voorliggende regeling betreft eveneens een belasting van de eindafnemers met het oog op de financiering van sommige kosten verbonden aan de regulering en de controle op de elektriciteitsmarkt. In tegenstelling tot wat de Raad van State stelt is de belastbare materie in deze echter niet het eigen verbruik, maar is de belastbare materie het beschikken over een afnamepunt, waardoor deze verschilt van de federale bijdrage. De gewestelijke heffing wordt dan ook gevestigd en berekend per individueel afnamepunt, ongeacht het aantal afnamepunten waarover een houder in situ beschikt, en niet, zoals bij de federale bijdrage het geval is, voor het totaal gegroepeerde verbruik van een welbepaalde eindgebruiker op die site/sites.

De verbruikscategorieën worden in het kader van deze heffing enkel gebruikt om de heffingsgrondslag en tarief te bepalen, wat volgens het Grondwettelijk Hof duidelijk verschilt van de belastbare materie. In casu kan dan ook niet worden gesteld, noch is het de bedoeling, om de eindgebruiker te belasten op zijn eigen reële gebruik, zoals bij de federale bijdrage het geval is (per kWh). Zo worden immers bij deze gewestelijke energieheffing ook nulverbruikers en negatieve verbruikers (prosumenten/zonnepaneeleigenaars, kleinschalige wind) aan de belasting onderworpen, terwijl deze geen ' eigen verbruik ' of meetbare afname hebben, en onder de federale bijdrage overigens volledig niet worden belast en buiten de belastbare materie van die heffing vallen. Omgekeerd zijn er klanten met een verbruik die de heffing niet betalen omdat ze geen afnamepunt hebben op distributienet, plaatselijk vervoernet of gesloten distributienet. Het verbruik is louter een differentiatie in de berekeningswijze, maar geen belastbare materie of grondslag. Dat is immers het afnamepunt zelf, naast de differentiatie naar gelang de typologie van de klant (al dan niet sociaal).

Bovendien kan men niet stellen dat de heffing afhangt van het verbruik, want dan zou de heffing verschillen tussen afnamepunten van een verschillend verbruik hetgeen niet zo is (iemand die 1 megawattuur (MWh) verbruikt, betaalt hetzelfde als iemand die 5 MWh verbruikt) en dan zouden klanten met een gelijkaardig verbruik een gelijkaardig tarief betalen (hetgeen niet zo is : verbruikers met een gelijkaardig verbruik maar een verschillend aantal afnamepunten betalen bijvoorbeeld een andere heffing (het afnamepunt is duidelijk de primaire heffingsgrondslag); gewone klanten en sociale klanten met een gelijkaardig verbruik betalen een verschillende heffing (type klant is differentiatiebasis) en tussen verbruikers op transmissienet en op andere netten (aard van net waarop aangesloten wordt, bepaalt mee). Het is dus geen extra belasting op het verbruik, waar de heffingsbasis de kWh is. Er is een relatie met het verbruik, maar dat is een differentiatiebasis die in principe leidt tot een oneindig aantal verschillende heffingsvoeten per kWh (zie oneindig aantal punten die lijnen in figuur uitmaken). De differentiatie naar verbruik is vanuit billijkheidsoverwegingen te verantwoorden, maar deze differentiatie wordt daarmee niet de belastbare grondslag of materie. Onderstaande figuur toont dat afnamepunten primaire grondslag is.

Hierdoor alleen al verschilt deze heffing qua belastbare materie en grondslag fundamenteel van de federale bijdrage ». (Parl. St., Vlaams Parlement, 2015-2016, nr. 544/5, pp. 6-7).

B.9.2. In haar advies nr. 58.417/3 van 2 december 2015 bij het regeringsamendement wees de afdeling wetgeving van de Raad van State op het volgende :

« 2.1. Behoudens wat de afnemers betreft die de sociale correctie genieten, wordt in het thans voorliggende amendement het bedrag van de heffing echter bepaald door de hoogte van het verbruik op het afnamepunt. In zoverre de ontworpen heffing wel degelijk afhangt van de hoeveelheid afgenomen elektriciteit, lijkt niet langer te kunnen worden voorgehouden dat die belasting verschilt van de federale bijdrage waarin het in dat advies [nr. 56.739/1/3 van 24 oktober 2014 - Parl. St., Vlaams Parlement, 2014-2015, nr. 132/4, p. 80] vermelde artikel 21bis van de wet van 29 april 1999 ' betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt ' voorziet.

[...]

2.4.3. De ontworpen regeling blijft er evenwel niet langer toe beperkt ' het loutere feit aangesloten te zijn op het net ' te belasten. Doordat de hoogte van die heffing wordt bepaald in functie van het verbruik op dat afnamepunt, wordt minstens voor vele, zo niet de meeste heffingsplichtigen ook het eigen verbruik van elektriciteit belast.

Het gegeven dat de tarieven per kWh verschillen, zelfs in éénzelfde verbruikscategorie, terwijl het tarief van de federale bijdrage - behoudens wat de verbruiksschijven van 20 megawattuur en hoger betreft - lineair wordt bepaald per kWh, doet hieraan geen afbreuk. Het gaat er immers niet om het tarief van de ontworpen belasting te vergelijken met die van de federale bijdrage, maar wel het element dat aanleiding geeft tot belasting. Doordat in beide gevallen het verbruik van elektriciteit wordt belast, bestaat er wel degelijk een dubbele belasting van éénzelfde belastbare materie » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2015-2016, nr. 544/5, pp. 34-36).

B.10. De belastbare materie is het element dat aanleiding geeft tot de belasting, de situatie die of het feit dat leidt tot het verschuldigd zijn van de belasting. De belastbare materie onderscheidt zich van de belastbare grondslag (« de heffingsgrondslag »), die de basis is waarop de belasting wordt berekend. Het is ten aanzien van materies die reeds het voorwerp uitmaken van een federale belasting dat de gemeenschappen en de gewesten geen nieuwe belasting mogen heffen.

B.11. De decreetgever heeft met de bestreden bepalingen de bij het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 ingevoerde « Bijdrage Energiefonds » wezenlijk hervormd en verruimd.

Zoals zij was bepaald bij het decreet van 19 december 2014, verschilde de belastbare materie van de heffing, die oorspronkelijk werd gevormd door het afnamepunt op een distributienet in het Vlaamse Gewest, daadwerkelijk van die van de federale bijdrage die was ingevoerd bij artikel 21bis van de wet van 29 april 1999, wegens het forfaitaire karakter van die heffing en wegens de omstandigheid dat elke houder van een afnamepunt die heffing verschuldigd was louter wegens het bestaan van dat afnamepunt, los van de afgenomen hoeveelheid elektriciteit, zelfs indien die hoeveelheid gelijk was aan nul of negatief was.

Zoals blijkt uit de in B.8 uiteengezette wijzigingen die bij de bestreden bepalingen zijn ingevoerd, alsook uit de parlementaire voorbereiding die heeft geleid tot de aanneming ervan, is het feit dat aanleiding geeft tot de heffing niet langer uitsluitend verbonden aan het bestaan van een afnamepunt waarvan de heffingsplichtige houder is. Het verband met de verbruikte hoeveelheid elektriciteit voor het vaststellen van die heffing is zodanig nauw dat niet meer kan worden besloten tot het fundamenteel verschillende karakter van de belastbare materie ten opzichte van de federale bijdrage zodat de beginselen die zijn vastgelegd bij de in B.5 geciteerde bepalingen in acht zouden zijn genomen.

Immers, hoewel nog steeds een forfaitair basisbedrag wordt geïnd terwijl voor bepaalde afnamepunten geen enkel verbruik wordt vastgesteld - wat op zich zou kunnen leiden tot de overweging dat, wat die afnamepunten betreft, het niet gaat om een dubbele belasting ten opzichte van de federale bijdrage -, wordt het bedrag van de heffing eveneens vastgesteld, ten laste van de heffingsplichtige, op basis van het jaarlijkse elektriciteitsverbruik, dat zelf wordt berekend op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen. Doordat de in het geding zijnde heffing op die manier gekoppeld is aan die afgenomen hoeveelheid elektriciteit, heeft zij tot gevolg dat aan de houder van een afnamepunt een belasting wordt opgelegd die niet kan worden onderscheiden van die waarin is voorzien in de federale bepalingen die het elektriciteitsverbruik zelf belasten.

B.12. De in B.4.1 tot B.4.3 weergegeven middelen zijn gegrond.

Derhalve dienen de artikelen 129 tot 134 en artikel 135, 18°, van het Vlaamse decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 en, vanwege het onlosmakelijke verband, het decreet van 3 februari 2017 houdende wijziging van artikel 14.1.2 en artikel 14.2.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 te worden vernietigd.

Er is geen aanleiding om in te gaan op de andere middelen, die niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden.

B.13. Teneinde de rechtsonzekerheid en de administratieve en juridische moeilijkheden te vermijden die een vernietiging met terugwerkende kracht zou teweegbrengen terwijl de vernietigde bepalingen uitwerking hebben gehad sinds 1 maart 2016, dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof te worden gehandhaafd voor de heffingsjaren 2016 en 2017.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt de artikelen 129 tot 134 en artikel 135, 18°, van het Vlaamse decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, alsook het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 februari 2017 houdende wijziging van artikel 14.1.2 en artikel 14.2.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de heffingsjaren 2016 en 2017.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 juni 2017.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot