Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 26 April 1994 (België). RG 571;580

Date :
26-04-1994
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19940426-2
Role number :
571;580

Summary :

het Hof, vernietigt de artikelen 11, 27, alinéa 3, tweede lid, en 28, alinéa 3, tweede lid, van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, alsmede artikel 12 van dezelfde wet in zoverre het betrekking heeft op het tweede lid van artikel 244 van het W.I.B. 1992; vernietigt artikel 30, alinéa 1, van de voormelde wet van 28 december 1992 in zoverre het de inwerkingtreding regelt van de bepalingen van de artikelen 11 en 12 van dezelfde wet die betrekking hebben op de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid, van het W.I.B. 1992; verwerpt de beroepen voor het overige. (Ten gronde B.2.1. Volgens de verzoekers veroorzaken de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, 244, tweede lid, en 244bis, tweede lid, van het W.I.B. 1992 discriminaties onder de niet-verblijfhoudende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden, naargelang van de aard van hun inkomsten (B.3.2 en volgende), de mate waarin met die inkomsten rekening wordt gehouden in de in het geding zijnde bepalingen (B.5.1 en volgende) en de omvang ervan (B.6.1 en volgende en B.7.1 en volgende). B.2.2. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Ten aanzien van de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid, van het W.I.B. 1992 B.3.1. Volgens de verzoekende partijen veroorzaken de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid, van het W.I.B. 1992 een eerste discriminatie onder de niet-verblijfhoudende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden door de erin beoogde fiscale voordelen enkel toe te kennen aan de in artikel 228, alinéa 2, 6° of 7°, van het W.I.B. 1992 bedoelde verkrijgers van inkomsten (bezoldigingen en pensioenen, renten en als inkomsten geldende toelagen), met uitsluiting van de belastingplichtigen die een andere zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefenen dan de bestuurders van vennootschappen op aandelen of de werkende vennoten van personenvennootschappen. B.3.2. In die bepalingen wordt uitgegaan van de idee dat niet moet worden gevreesd dat een niet-verblijfhoudende belastingplichtige die geen tehuis in België heeft behouden, zowel in het land waar hij verblijft als in België aftrekken en verminderingen geniet die verband houden met zijn persoonlijke situatie of zijn gezinssituatie wanneer zijn inkomen voor het grootste gedeelte voortkomt uit bezoldigingen of pensioenen van Belgische oorsprong. Met dat vooruitzicht heeft de wetgever het minst gunstige stelsel beperkt tot de niet-verblijfhouders zonder tehuis in België die occasioneel of in een beperkte mate inkomsten van Belgische oorsprong ontvangen en die het grootste gedeelte van hun inkomen verkrijgen in de Staat waar zij verblijven. B.3.3. De wetgever schijnt ervan uit te zijn gegaan dat, enerzijds, onder de belastingplichtigen die in het buitenland verblijven zonder in België een tehuis te hebben behouden, enkel degenen die in België de bezoldiging van een werknemer of een pensioen ontvangen zich gewoonlijk in de onmogelijkheid bevinden in het land waar ze verblijven fiscale voordelen te genieten, terwijl de zelfstandigen over het algemeen in dezelfde situatie, naast de beroepsinkomsten die zij in België verkrijgen, in het land waar ze verblijven voldoende inkomsten hebben om er die voordelen te genieten. Ten aanzien van hen die een pensioen ontvangen van Belgische oorsprong kon de wetgever weliswaar van een dergelijke veronderstelling uitgaan, echter onder het voorbehoud van de controle van de relatieve omvang van de in België verkregen inkomsten en van de in het buitenland verkregen inkomsten. Gegeven echter dat de wetgever besloot zich op diezelfde veronderstelling te steunen en derhalve dezelfde controle uit te breiden tot de ambtenaren en de werknemers, verklaart de Ministerraad niet voldoende, en ziet het Hof niet, de reden waarom het verantwoord zou zijn de zelfstandigen van het voordeel van een dergelijk stelsel uit te sluiten. Talrijke verdragen die bedoeld zijn om de dubbele belasting te vermijden, bepalen weliswaar dat de inkomsten van de zelfstandigen uitsluitend in het land waar ze verblijven worden belast, maar dat element volstaat niet om het in het geding zijnde onderscheid te verantwoorden. Ook is het zo dat, zoals de Ministerraad tijdens de terechtzitting heeft doen opmerken, het moeilijk kan zijn na te gaan in welk land een zelfstandige die zijn werkzaamheid in verschillende landen uitoefent, het grootste deel van de tijd doorbrengt. Aangezien het er echter op aankomt te bepalen in welk land iemand het grootste gedeelte van zijn inkomsten ontvangt (B.3.2), was het niet nodig het criterium van de negen maanden toe te voegen aan dat van de 75 %. B.4. De grief die is afgeleid uit de discriminatie tussen de belastingplichtigen die een zelfstandige beroepswerkzaamheid in hun persoonlijke naam uitoefenen en degenen die dezelfde activiteit onder de vorm van een vennootschap uitoefenen en derhalve een bezoldiging als werkend vennoot ontvangen (A.3.3, in fine) komt enkel voor in de memorie van antwoord van de verzoekende partijen. Zij vormt een nieuw middel dat slechts kan worden aangevoerd in de hypothese waarin artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof voorziet en kan dus niet in overweging worden genomen. B.5.1. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen bovendien onder de niet-verblijfhoudende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden, een discriminatie invoeren naargelang van de duur van de beroepswerkzaamheid die zij hebben uitgeoefend : het gebruikte criterium van de negen maanden zou onnauwkeurig zijn en een berekening naar rata van de duur van de beroepsactiviteit in België had de voorkeur moeten krijgen. B.5.2. Onverminderd de onder B.3.3 gemaakte opmerkingen met betrekking tot het criterium van negen maanden, vereisen de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie niet dat de wetgever de voorkeur geeft aan een stelsel van evenredige vermindering eerder dan aan de vaststelling van een drempel. Ten aanzien van de onnauwkeurigheid van het begrip "maand", dient te worden opgemerkt, enerzijds, dat in die context het begrip "maand" in die zin kan worden opgevat dat het overeenstemt met een vast aantal dagen en, anderzijds, dat het begrip, indien het het voorwerp zou uitmaken van een interpretatie door de bevoegde organen en rechtscolleges, niet noodzakelijk discriminerend zou zijn. B.6.1. Volgens de verzoekers zouden dezelfde bepalingen onder dezelfde belastingplichtigen een derde discriminatie veroorzaken omdat zij, door het toekennen van de desbetreffende fiscale voordelen afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat ten minste 75 % van de totale beroepsinkomsten (in voorkomend geval van de twee echtgenoten) van Belgische oorsprong moeten zijn, de gezinnen zouden bevoordelen die één aanzienlijk inkomen in België hebben, ten nadele van de gezinnen die twee gemiddelde inkomens hebben, waarvan één in België; de wetgever zou geen oog hebben gehad voor de omstandigheid dat die bepalingen tot gevolg konden hebben, niet alleen dat aan de belastingplichtige de bij de Belgische wet voorgeschreven fiscale voordelen worden ontnomen terwijl hij de bij de buitenlandse wet voorgeschreven voordelen niet zou genieten, maar ook dat die voordelen hem worden verzekerd terwijl hij daarnaast de bij de vreemde wet voorgeschreven voordelen zou genieten. B.6.2. De wetgever, die van oordeel is dat de niet-verblijfhoudende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden, hun recht op de bij de Belgische wet voorgeschreven fiscale voordelen kunnen doen gelden wanneer een voldoende gedeelte van hun inkomsten van Belgische oorsprong is (zie B.3.1) neemt, wanneer hij dat gedeelte op ten minste 75 % vaststelt, een maatregel die in overeenstemming is met zijn eigen doelstelling. Wanneer de fiscale wet tegelijk belastingplichtigen beoogt met verscheiden inkomenstoestand, dient zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze op te vangen in vereenvoudigende categorieën. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie eisen niet dat de wetgever de in het geding zijnde regel aanpast naargelang van de structuur van de inkomens van de betrokken gezinnen, noch dat hij steeds rekening houdt met de weerslag van de toepassing van de buitenlandse wetgeving wanneer hij bepalingen aanneemt die betrekking hebben op situaties die elementen van buitenlandse aard bevatten. Ten aanzien van artikel 244bis van het W.I.B. 1992 B.7.1. Volgens de verzoekende partijen veroorzaakt artikel 244bis, tweede lid, van het W.I.B. 1992, ingevoegd bij artikel 13 van de voormelde wet van 28 december 1992, een discriminatie onder de niet-verblijfhoudende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden, naargelang de aan de belasting onderworpen echtgenoot - beschouwd als alleenstaande in het eerste lid van de voormelde bepaling - meer of minder beroepsinkomsten heeft dan de echtgenoot wiens beroepsinkomsten niet aan de belasting zijn onderworpen, waarbij enkel de echtgenoot die de meeste beroepsinkomsten heeft de vermeerdering wegens persoon ten laste van het deel van het van belasting vrijgestelde inkomen geniet. De wetgever zou geen oog hebben gehad voor het feit dat die bepalingen tot gevolg konden hebben, niet alleen dat de belastingplichtige wordt beroofd van hem bij de Belgische wet toegekende fiscale voordelen terwijl hij de bij de buitenlandse wet toegekende voordelen niet zou genieten, maar ook dat ze hem worden toegekend terwijl hij daarnaast de bij de buitenlandse wet toegekende voordelen zou genieten. B.7.2. Artikel 134, tweede lid, van het W.I.B. 1992 bepaalt, wat de inwoners van het Koninkrijk betreft, dat de vermeerderingen wegens personen ten laste bij voorrang worden berekend op het deel van het inkomen van de echtgenoot die de meeste beroepsinkomsten heeft. Die bepaling gaat uit van de idee dat het fiscale voordeel van een gezin wegens personen ten laste, slechts aan één van de echtgenoten van het gezin moet worden toegekend en dat de keuze van die echtgenoot redelijkerwijze gebaseerd kan zijn op de vergelijking van de omvang van de beroepsinkomsten van de ene en de andere. De wetgever, die de niet-verblijfhouders (artikel 244bis van het W.I.B. 1992) en de verblijfhouders (artikel 128, 4°, van hetzelfde Wetboek) fiscaal op dezelfde manier wil behandelen in het geval waarin één van de echtgenoten inkomsten heeft die onderworpen zijn aan de belasting van de niet-verblijfhouders terwijl de andere echtgenoot beroepsinkomsten van Belgische of buitenlandse oorsprong heeft die bij overeenkomst zijn vrijgesteld, neemt een maatregel die in overeenstemming is met het door hem nagestreefde doel wanneer hij het voordeel van de toeslagen wegens persoon ten laste enkel toekent aan de echtgenoot die aan de belasting is onderworpen en die de meeste beroepsinkomsten heeft. Ten aanzien van artikel 28, alinéa 2, eerste tot derde lid, van de wet van 28 december 1992 B.8.1. Artikel 28 is een overgangsbepaling die ertoe strekt het bij de artikelen 244 en 244bis voor het aanslagjaar 1992 ingevoerde stelsel toepasselijk te maken op het aanslagjaar 1991. B.8.2. Het Hof stelt vast dat artikel 28, alinéa 2, eerste tot derde lid, betrekking heeft op het toekennen van verminderingen voor pensioenen en vervangingsinkomens die zijn voorgeschreven bij artikel 87ter van het W.I.B. De verzoekende partijen schijnen die bepaling - evenals, zo lijkt het, artikel 29, derde lid, dat de artikelen 146 tot 154 van het W.I.B. 1992 beoogt die door de verzoekende partijen zijn vermeld en waarvan het onderwerp overeenstemt met dat van het voormelde artikel 87ter - te verwijten dat zij met terugwerkende kracht opnieuw de discriminatie onder gepensioneerden invoert die door het Hof in zijn arrest nr. 34/91 was veroordeeld. B.8.3. Het is juist dat voor sommige niet-verblijfhoudende gepensioneerden die geen tehuis in België hebben behouden, de regeling voor de berekening van de belasting die is voorgeschreven bij de aangevochten wet, minder gunstig is dan de regeling die voortvloeit uit de vernietiging, bij het voormelde arrest nr. 34/91, van de bepalingen die hen beletten dat zij onder de regeling zouden vallen van de niet-verblijfhouders die een tehuis in België hebben behouden. Zij moeten thans immers daartoe pensioenen van Belgische oorsprong ontvangen ten belope van de drempels die - als overgangsmaatregel maar naar analogie van die welke zijn vastgesteld bij de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid, van het W.I.B. 1992 - niet alleen bij artikel 28, alinéa 3, tweede lid, maar ook bij artikel 27, alinéa 3, tweede lid, zijn vastgesteld. B.8.4. De vernietiging, bij het arrest nr. 34/91, van de wetsbepalingen die de niet-verblijfhoudende gepensioneerden zonder tehuis in België verhinderden het stelsel te genieten dat is voorgeschreven voor de niet-verblijfhoudende gepensioneerden die een tehuis hebben behouden, terwijl zij meestal "als enig inkomen of toch als hoofdinkomen een Belgisch pensioen" hadden (arrest nr. 34/91, 2.B.6) is op zich niet van die aard dat zij de wetgever verbiedt later wetsbepalingen aan te nemen waarin het genot van de betrokken voordelen van bepaalde voorwaarden afhankelijk wordt gesteld. Ten deze zijn de voorwaarden van minimaal bedrag en duur die bij de bestreden overgangsbepalingen zijn vastgesteld, van die aard dat zij trouwens overeenkomstig het door de wetgever nagestreefde doel, waarborgen dat de vermelde voordelen worden voorbehouden aan die betrokkenen die als hoofdinkomen of als enig inkomen een Belgisch pensioen hebben; onder voorbehoud van de overwegingen die in B.9 worden ontwikkeld, doorstaan zij de grondwettigheidstoetsing om de redenen uiteengezet in B.5.1, B.5.2, B.6.1 en B.6.2 ten aanzien van de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid, van het W.I.B. 1992. Ten aanzien van de artikelen 27, alinéa 3, tweede lid, en 28, alinéa 3, tweede lid, van de wet van 28 december 1992 B.9. De artikelen 27, alinéa 3, tweede lid, en 28, alinéa 3, tweede lid, schrijven als overgangsmaatregel voor het aanslagjaar 1991 dezelfde regels voor als die welke werden bepaald bij de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid. Zij moeten worden vernietigd om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in B.3.3 en in dezelfde mate. Ten aanzien van artikel 30, alinéa 1, van de wet van 28 december 1992 B.10. Artikel 30, alinéa 1, van de voormelde wet van 28 december 1992 moet worden vernietigd in zoverre het de inwerkingtreding regelt van de bepalingen van de artikelen 11 en 12 van dezelfde wet die betrekking hebben op de artikelen 242, alinéa 1, tweede lid, en 244, tweede lid, van het W.I.B. 1992.)

Arrêt :

The full and consolidated version of this text is not available.