Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 9 November 1995 (België). RG 783;787;812;72/95

Date :
09-11-1995
Language :
French Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19951109-6
Role number :
783;787;812;72/95

Summary :

het Hof 1. vernietigt, in artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 juni 1994 houdende wijziging van het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, - de woorden "alinéa 3 en een" die voorkomen in het eerste lid; - paragraaf 3, ingevoegd in artikel 4 van het decreet van 19 juli 1973; 2. verwerpt de beroepen voor het overige. (De in het geding zijnde bepalingen B.1. Het bestreden decreet van 1 juni 1994 wijzigt het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen. Luidens artikel 1 regelt het decreet "een in de artikelen 127 tot 129 van de Grondwet bedoelde aangelegenheid". Artikel 2 ervan vult artikel 4 van het voormelde decreet van 19 juli 1973 aan, dat bepaalt : "'Sociale betrekkingen' tussen werkgevers en werknemers omvatten ook onder meer : alinéa 1. alle betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, die op het vlak van de onderneming plaatsvinden in de vorm van bevelen, mededelingen, publikaties, dienstvergaderingen of personeelsvergaderingen, sociale dienst, arbeidsgeneeskundige dienst, maatschappelijke werken, vervolmakingscyclussen, disciplinaire procedure, onthaal en andere; alinéa 2. de betrekkingen die op het vlak van de onderneming plaatsvinden in de ondernemingsraad, het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaats, of tussen de werkgever en de syndicale afvaardiging, alsmede in of met elk ander orgaan dat tot institutionalisatie van die betrekkingen bij wet of collectief overleg zou worden opgericht;" In dat artikel 4 worden twee paragrafen toegevoegd, die luiden als volgt : "alinéa 3. alle werkaanbiedingen, in welke vorm ook, uitgaande van de werkgever teneinde de werknemer te werven; alinéa 4. alle betrekkingen tussen werkgevers en de sollicitanten, voorafgaande aan het arbeidscontract en de eigenlijke tewerkstelling, ongeacht het feit of er al dan niet een arbeidscontract tot stand komt. De werkgever kan meertaligheid eisen van de sollicitant en de kennis van andere talen bij sollicitanten toetsen tijdens de selectieperiode." Ten aanzien van de omvang der beroepen B.2. Hoewel de drie verzoekschriften de vernietiging vorderen van het decreet van 1 juni 1994 in zijn geheel, blijkt uit de middelen die door de verzoekende partijen zijn ontwikkeld, alsmede uit de door hen neergelegde memories van antwoord, dat de beroepen slechts betrekking hebben op artikel 2 van voormeld decreet; het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot die bepaling. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. In de zaak met rolnummer 783 betwist de Vlaamse Regering de ontvankelijkheid van het beroep dat werd ingesteld door de Franse Gemeenschap in zoverre, omdat het niet door de Regering ervan werd ingesteld, het beroep geen steun zou kunnen vinden in artikel 2, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. B.3.2. Die verzoekende partij zond aan het Hof een afschrift over van de beslissing van de Franse Gemeenschapsregering van 13 juli 1994, waaruit blijkt dat beslist werd een beroep in te stellen tegen het decreet van de Vlaamse Gemeenschap "houdende wijziging van het decreet van 19 juli 1973" - er wordt niet betwist dat het om het bestreden decreet gaat - en waaruit eveneens blijkt dat de minister-voorzitster belast werd met de uitvoering van die beslissing. B.3.3. Bijgevolg moet het beroep dat werd ingesteld door "de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van haar Minister-Voorzitster" geacht worden ingesteld te zijn door de Franse Gemeenschapsregering; de exceptie wordt verworpen. B.4.1. De Vlaamse Regering betwist eveneens de ontvankelijkheid van de beroepen die, in de zaken met rolnummers 787 en 812, werden ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie en door de Vergadering ervan, "vertegenwoordigd door haar Voorzitter", omdat die organen respectievelijk geen "Regering van een Gemeenschap of van een Gewest" en geen "wetgevende vergadering" zouden vormen in de zin van artikel 2, 1° en 3°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof. B.4.2. Luidens artikel 2, 1° en 3°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof worden "de in artikel 1 bedoelde beroepen (...) ingesteld : 1° door de Ministerraad, door de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest; 2° (...) 3° door de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden". Het College van de Franse Gemeenschapscommissie behoort niet tot de overheden die in het 1° worden opgenoemd; het 3° noemt evenmin uitdrukkelijk de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar beperkt zich tot het vermelden, op algemene wijze, van de voorzitters van de "wetgevende vergaderingen". B.4.3. Ter uitvoering van artikel 136 van de Grondwet, stelde artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen met name de Franse Gemeenschapscommissie in, waarvan de organen zijn : de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en een college bestaande uit de gewestelijke ministers en staatssecretarissen die tot de Franse taalgroep behoren. De Franse Gemeenschapscommissie beschikt, krachtens de artikelen 64 en 65 van dezelfde wet, over een verordenende bevoegdheid in de aangelegenheden welke die bepalingen vaststellen. Tijdens de grondwetsherziening van 5 mei 1993, werd een artikel 59quinquies (thans artikel 138) ingevoegd in de Grondwet; het staat het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie toe, met inachtneming van de modaliteiten die het preciseert, geheel of gedeeltelijk bevoegdheden van de Franse Gemeenschap uit te oefenen, en dit respectievelijk in het Franse taalgebied en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest; wat de Franse Gemeenschapscommissie betreft worden die aangelegenheden vastgesteld in de artikelen 3 van het decreet II van de Raad van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 en van het decreet III van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 juli 1993, decreten waarbij de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en aan de Franse Gemeenschapscommissie worden toegewezen. Het derde lid van artikel 138 van de Grondwet bepaalt overigens dat die bevoegdheden met name bij wege van decreten worden uitgeoefend. B.4.4. Uit die grondwetsherziening en de uitvoering ervan vloeit voort dat de Franse Gemeenschapscommissie een decreetgevende bevoegdheid bezit en dus bekleed is met een echte wetgevende functie, die gezamenlijk door de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en door haar College wordt uitgeoefend. Bijgevolg vormt de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een wetgevende vergadering voor de toepassing van artikel 2, 3°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof en is artikel 2, 1°, van dezelfde wet van overeenkomstige toepassing op het College van de Franse Gemeenschapscommissie. B.4.5. Het door het College van de Franse Gemeenschapscommissie ingestelde beroep is ontvankelijk krachtens het voormelde artikel 2, 1°; het beroep dat werd ingesteld door de voorzitter van "de Vergadering" van de Franse Gemeenschapscommissie, dat wil zeggen van de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, op verzoek van twee derde van de leden ervan, is ontvankelijk krachtens artikel 2, 3°. De door de Vlaamse Regering ten aanzien van die twee verzoekende partijen opgeworpen exceptie wordt verworpen. B.5. In de drie zaken betwist de Vlaamse Regering eveneens de ontvankelijkheid van de beroepen om reden dat geen van de verzoekende partijen bij het verzoekschrift een eensluidend verklaard afschrift heeft gevoegd van de beslissing het beroep in te stellen, en dit met miskenning van artikel 7, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Voor het sluiten van de debatten, heeft elk van de verzoekende partijen aan het Hof een afschrift overgezonden van de beslissingen van de bevoegde organen waarbij, binnen de termijn, tot instelling van het beroep werd besloten; die beslissingen dateren respectievelijk van 13 juli 1994 (zaak met rolnummer 783 - Franse Gemeenschapsregering), van 16 juni 1994 (zaak met rolnummer 787 - College van de Franse Gemeenschapscommissie) en van 16 en 17 juni 1994 (zaak met rolnummer 812 - Voorzitter van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie). De door de Vlaamse Regering opgeworpen exceptie kan niet worden aangenomen. B.6. Subsidiair betwist de Vlaamse Regering, in de drie beroepen, het belang van de verzoekende partijen ten aanzien van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof; zij betwist bovendien dat de verzoekende partijen in de zaken met rolnummers 787 en 812 rechtspersonen zijn in de zin van die bepaling. Aangezien de beroepen ontvankelijk zijn op basis van artikel 2, 1° en 3°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof, faalt de exceptie gesteund op de miskenning van artikel 2, 2°, naar recht. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.7.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het door de drie verzoekende partijen opgeworpen middel afgeleid uit de schending van artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet om reden dat die grondwetsbepaling geen bevoegdheidsverdelende regel zou zijn die onder de toetsingsbevoegdheid van het Hof valt. B.7.2. Artikel 1, 1°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof bepaalt dat het Hof uitspraak doet op de beroepen tot vernietiging die ingesteld worden tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wegens schending van "de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten". B.7.3. Artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet bepaalt : "De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, bij uitsluiting van de federale wetgever, ieder wat hem betreft, bij decreet, het gebruik van de talen voor : 1° (...) 2° (...) 3° de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen." Artikel 129, alinéa 1, van de Grondwet is een regel die de onderscheiden bevoegdheden bepaalt van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in de zin van het voormelde artikel 1, 1°, van de bijzondere wet op het Arbitragehof. Het wijst immers aan de Franse en de Vlaamse Gemeenschap de bevoegdheid toe bij decreet het taalgebruik te regelen wat drie aangelegenheden betreft, met name voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel; artikel 129, alinéa 1, in zoverre het de bevoegdheid van de gemeenschappen tot die drie aangelegenheden beperkt, sluit uit dat zij het taalgebruik kunnen regelen voor andere aangelegenheden. Het Hof is dan ook bevoegd om na te gaan of, met het decreet van 1 juni 1994, de Vlaamse Gemeenschap geen regeling treft voor het taalgebruik met betrekking tot een andere aangelegenheid dan die welke zij mag regelen krachtens artikel 129, alinéa 1, van de Grondwet. De door de Vlaamse Regering opgeworpen exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.8. De verzoekende partijen voeren drie middelen aan ter ondersteuning van hun beroepen : twee gaan uit van de schending, door het bestreden decreet, van bevoegdheidsregels (artikel 129, alinéa 1, 3°, en alinéa 2, van de Grondwet), het derde gaat uit van de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met diverse grondwettelijke en internationale bepalingen alleen in de zaken met rolnummers 783 en 787. Het onderzoek van de overeenstemming van de bestreden bepalingen met de bevoegdheidsregels moet het onderzoek van de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorafgaan. Wat het middel betreft afgeleid uit de schending van artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet B.9. Volgens de verzoekende partijen overschrijdt het bestreden decreet de bij artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet aan de Vlaamse Gemeenschap toegewezen materiële bevoegdheid, enerzijds (eerste onderdeel van het middel) doordat het beoogt een fase te regelen van de sociale betrekkingen waarin de werkgevers zich niet tot hun personeel richten, anderzijds (tweede onderdeel van het middel) doordat het derden ten opzichte van de werkgevers en kandidaat-werknemers raakt, met name de persorganen die de werkaanbiedingen publiceren. B.10. Artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet geeft geen definitie van het begrip "de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel". Het decreet van 19 juli 1973, dat door de bestreden bepalingen wordt gewijzigd, verduidelijkt in artikel 3 dat de sociale betrekkingen "zowel de mondelinge als schriftelijke individuele en collectieve contacten tussen de werkgevers en de werknemers, die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de tewerkstelling" omvatten. Die verduidelijking eerbiedigt de gebruikelijke betekenis van de door de Grondwetgever gebruikte bewoordingen. B.11.1. Het bestreden decreet, door het invoegen van een nieuwe paragraaf 3 in artikel 4 van het decreet van 19 juli 1973, neemt in de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers op : "alle werkaanbiedingen, in welke vorm ook, uitgaande van de werkgever teneinde de werknemer te werven". B.11.2. Een werkaanbieding gaat uit van een bepaalde persoon en richt zich tot een onbepaald aantal personen. Zij reikt niet verder dan het eenzijdig aankondigen van de mogelijkheid om een arbeidsverhouding tot stand te brengen. Er bestaat vooralsnog geen geïndividualiseerde band tussen de auteur van de werkaanbieding en de personen die erop zouden kunnen antwoorden. Werkaanbiedingen kunnen dan ook niet worden ingepast in het begrip "sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel". B.11.3. Volgens de Vlaamse Regering vormen de werkaanbiedingen die ertoe strekken een werknemer te werven evenwel "door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen" in de zin van hetzelfde artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet. Geen tekst verplicht de werkgevers die personeel willen aannemen ertoe werkaanbiedingen te publiceren, ook al gaat het om een veelal gebruikte procedure; de verplichting voor de werkgever, wanneer hij een beroep doet op die techniek, bepaalde regels - inzonderheid de artikelen 120 tot 123 van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering - in acht te nemen, verleent aan de werkaanbiedingen niet de hoedanigheid van door de wet of de verordeningen voorgeschreven akten of bescheiden. In zoverre het decreet die werkaanbiedingen regelt, kan het niet op die bevoegdheidsgrond steunen. B.11.4. Bijgevolg schendt het decreet van 1 juni 1994, in zoverre het een paragraaf 3 in artikel 4 van het decreet van 19 juli 1973 invoegt, artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet; het middel is, in zoverre het die bepaling van het decreet van 1 juni 1994 beoogt, gegrond. B.12.1. Het bestreden decreet voegt eveneens, in hetzelfde artikel 4 van het decreet van 1973, een paragraaf 4 in, die in de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers "alle betrekkingen tussen werkgevers en de sollicitanten, voorafgaande aan het arbeidscontract en de eigenlijke tewerkstelling, ongeacht het feit of er al dan niet een arbeidscontract tot stand komt" opneemt; het decreet bepaalt dat de werkgever meertaligheid kan eisen van de sollicitant en die talenkennis kan toetsen tijdens de selectieperiode. B.12.2. De betrekkingen die het bestreden decreet aldus bedoelt te regelen stellen nog niet een werkgever tegenover een lid van zijn personeel. De betrekking tussen werkgevers en werknemers begint evenwel niet met het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Het is immers moeilijk denkbaar dat een werkgever een werknemer zou kunnen aanwerven zonder één of meer voorafgaande gesprekken met de sollicitanten of zelfs zonder dat tussen beide partijen één of meer geschriften worden uitgewisseld. elk van die gesprekken en geschriften brengt aldus - in tegenstelling tot wat is opgemerkt met betrekking tot de werkaanbiedingen - een betrekking tot stand tussen een potentiële werkgever en een bepaalde persoon, te weten elke persoon van wie de kandidaatstelling in aanmerking is genomen; zowel voor de ene als voor de andere zullen door die selectieprocedure de essentiële elementen van de arbeidsverhouding worden gepreciseerd. Bijgevolg zijn die gesprekken en geschriften begrepen in de notie "sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel" in de zin van artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet. B.12.3. In zoverre het middel afgeleid uit de schending van artikel 129, alinéa 1, 3°, van de Grondwet, paragraaf 4 van het decreet van 19 juli 1973, ingevoegd bij het bestreden decreet, beoogt, is het niet gegrond. Wat de andere middelen betreft afgeleid uit de schending van artikel 129, alinéa 2, en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 25 (in de zaak met rolnummer 812) of de artikelen 25 en 30 van de Grondwet en diverse internationale bepalingen (in de zaken met rolnummers 783 en 787) B.13.1. Uit de verzoekschriften en de memories van antwoord blijkt dat de door de verzoekende partijen aangevoerde territoriale bevoegdheidsoverschrijding, alsook de daaruit voortvloeiende schending van artikel 129, alinéa 2, van de Grondwet, hierin bestaat dat de persorganen die werkaanbiedingen publiceren welke uitgaan van in het Nederlandse taalgebied gevestigde werkgevers, ertoe gehouden zouden zijn ze in het Nederlands te publiceren, zelfs indien die persorganen buiten dat taalgebied of zelfs buiten het land zouden zijn gevestigd. De schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou hierin bestaan dat de persorganen die werkaanbiedingen publiceren die uitgaan van werkgevers met exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied zouden worden gediscrimineerd in het genot van de vrijheid van taalgebruik en de persvrijheid ten opzichte van de persorganen die geen zulke werkaanbiedingen publiceren, doordat de eerstgenoemde ertoe gehouden zouden zijn het Nederlands te gebruiken voor de publikatie van de genoemde werkaanbiedingen. B.13.2. Het Hof stelt vast dat die twee middelen uitsluitend betrekking hebben op de paragraaf 3, die in artikel 4 van het decreet van 19 juli 1973 is ingevoegd bij het bestreden decreet - betreffende alleen de werkaanbiedingen -, en niet paragraaf 4 beogen, die door het bestreden decreet in hetzelfde artikel is ingevoegd - betreffende de betrekkingen tussen de werkgevers en sollicitanten, voor de arbeidsovereenkomst. Aangezien het voormelde artikel 4, alinéa 3, door materiële bevoegdheidsoverschrijding is aangetast om de in B.11 uiteengezette redenen, en de andere middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 129, alinéa 2, 10 en 11 van de Grondwet geen aanleiding kunnen geven tot een ruimere vernietiging, hoeven zij niet te worden onderzocht.)

Arrêt :

The full and consolidated version of this text is not available.