Hof van Cassatie: Arrest van 10 Januari 1983 (België). RG 12201

Date :
10-01-1983
Language :
Dutch
Size :
1 page
Section :
Case law
Source :
Justel N-19830110-16
Role number :
12201

Summary :

Krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, vangt het tijdvak van invaliditeit aan "wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is"; artikel 62 van hetzelfde besluit bepaalt : "De beslissingen in verband met de arbeidsongeschiktheid in het tijdvak van invaliditeit vallen onder toepassing van de bepalingen die dezelfde aangelegenheid regelen in het stelsel der uitkeringen ingericht krachtens de wet van 9 augustus 1963 en inzonderheid van de artikelen 51 en 52 van genoemde wet en van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 4 november 1963". Krachtens artikel 51, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, stelt de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit, op basis van een door de adviserend geneesheer opgemaakt verslag, de staat van invaliditeit vast en bepaalt hij de duur ervan. Luidens artikel 52, eerste lid, van die wet, stelt de Koning de nadere regelen vast ter zake van de erkenning en de verlenging van de staat van invaliditeit. Ter uitvoering van deze laatste wetsbepaling schrijft artikel 55, alinéa 1, 1°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 4/11/1963 voor dat de beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit over de erkenning van de staat van invaliditeit op grond van het verslag van de adviserend geneesheer, binnen de laatste vier weken van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid worden getroffen. Artikel 55, alinéa 2, tweede lid, van hetzelfde besluit bepaalt : "De bij alinéa 1, 1° en 2°, bepaalde verslagen moeten de Hoge Commissie (van de Geneeskundige Raad toekomen ten laatste vier weken vóór de grensdatum waarop de beslissing op grond van die verslagen moet genomen worden". Nu de beslissing over de erkenning van de staat van invaliditeit moet worden genomen alvorens het tijdvak van invaliditeit een aanvang kan nemen, valt het met de betrokken regeling niet te verzoenen dat de erkenning na het einde van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht wordt geweigerd. De beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit die met schending van de vermelde bepalingen is genomen, kan derhalve niet tot gevolg hebben dat de staat van invaliditeit niet wordt erkend voor de periode die de beslissing voorafgaat. Uit de betrokken regeling volgt dat, wanneer de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit geen beslissing over de erkenning van de staat van invaliditeit heeft getroffen overeenkomstig artikel 55 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 vóór het einde van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, de arbeidsongeschiktheid moet worden geacht voort te duren en dat, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, het tijdvak van invaliditeit aanvangt bij het verstrijken van het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid. Het arrest oordeelt derhalve wettig dat de beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van 3 juli 1979, waarbij de staat van invaliditeit van verweerster niet wordt erkend, geen uitwerking kan hebben op 27 maart 1979, einde van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid. Nu het arrest wettelijk verantwoord is, zou het middel, al was het gegrond, niet tot cassatie kunnen leiden en is het derhalve niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang.

Arrêt :

The full and consolidated version of this text is not available.