Hof van Cassatie: Arrest van 10 Oktober 1996 (België). RG C950343F

Date :
10-10-1996
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19961010-14
Role number :
C950343F

Summary :

Een zaak is door een gebrek aangetast, in de zin van art. 1384, eerste lid, BW, als zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij, in bepaalde omstandigheden, schade kan veroorzaken; dat is het geval wanneer een metalen buis die een reclamebord draagt, van dat bord is losgeraakt en op een plaats ligt waar zij voor het verkeer gevaar oplevert.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 23 december 1994 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest vaststelt dat : 1) eiser op 3 januari 1991, omstreeks 15 uur, reed op de gewestweg nr. 238, toen zijn wagen op de linkerrijstrook langs de middenberm tegen een metalen paal reed; 2) eiser toen de controle verloor over zijn voertuig dat zwaar beschadigd tot stilstand kwam in een veld; 3) die metalen paal volgens de verbalisanten afkomstig was van een reclamebord waarop onder meer de woorden "Namur Enrobes- Entreprises Bajart" stonden, en het bord reeds voor het ongeval beschadigd was; 4) het proces-verbaal van de verbalisanten, bij ontstentenis van tegenbewijs, elke twijfel uitsloot aangaande het feit dat de metalen paal en een bord met de bovenstaande vermeldingen op de rijbaan - op een niet nader aangegeven plaats - lagen; die gegevens het vermoeden wettigden, ook al wordt zulks door verweerster tegengesproken, dat het bord aan die paal was bevestigd; dat het arrest vervolgens, met bevestiging van het beroepen vonnis, de rechtsvordering van eiser die ertoe strekte verweerster op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, en, subsidiair, op grond van artikel 1382 van dat wetboek te doen veroordelen tot vergoeding van zijn schade, die in hoofdsom is geraamd op 272.579 frank, verwerpt op grond dat "volgens (eiser), de aanwezigheid, op de rijbaan, van een steunpaal van een reclamebord een gebrek ervan oplevert en dat gebrek niet het gevolg is van die ongewone aanwezigheid, maar wel van het feit dat het bord in twee aparte delen is uiteengevallen; degene die op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek vergoeding vordert voor schade veroorzaakt door een levenloze zaak, moet bewijzen, maar enkel hoeft te bewijzen dat de zaak die de bewaarder onder zijn bewaring had gebreken vertoonde, dat eiser schade heeft geleden en dat tussen het gebrek van de zaak en de schade een oorzakelijk verband bestaat; de bewaarder niet gerechtigd is het schuldvermoeden om te keren tenzij hij het bestaan van een vreemde oorzaak : toeval, overmacht, daad van een derde of schuld van het slachtoffer, bewijst (Cass., 6 okt. 1961, Pas., 1962, I, 152); een zaak gebrekkig is als zij een abnormaal kenmerk vertoont, waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken; niet vereist is dat het gebrek van de zaak uitsluitend een blijvend of aan de zaak zelf inherent element is (Cass., 3 sept. 1992, A.C., 1991-92, nr. 585); te dezen niet het bord zelf de schade heeft veroorzaakt, maar één van de steunpalen die van het bord was losgeraakt en op een voor het verkeer gevaarlijke plaats was terechtgekomen; die steunpaal geen enkel kenmerk vertoonde waardoor derden schade konden lijden; het enkele feit dat de steunpaal met behulp waarvan het bord langs de openbare weg kon worden opgesteld, van dat bord was losgeraakt, die paal nog niet tot een gebrekkige zaak maakte; de omstandigheid dat een zaak die geen gebrek vertoont wordt aangebracht of achtergelaten op een plaats waar ze een gevaar vormt geen grond oplevert om tegen de bewaarder een rechtsvordering in te stellen op basis van voornoemd artikel 1384, eerste lid, nu die bepaling het bewijs vereist van een intrinsiek gebrek van de zaak (Dalcq, Examen de jurisprudence - La responsabilité délictuelle et quasi délictuelle, RCJB, 1987, p. 663, nr. 62; Cass., 11 okt. 1984, A.C., 1984-85, nr. 116)",
terwijl een zaak aan een gebrek lijdt als zij een abnormaal kenmerk vertoont of zich in een abnormale staat bevindt, waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken; het gebrek van de zaak weliswaar geen blijvend of aan de zaak zelf inherent element hoeft te zijn, maar wel intrinsiek met de zaak verbonden moet zijn; een onderdeel van een zaak die uit verschillende samengevoegde onderdelen bestaat, zoals een reclamebord dat aan metalen steunpalen is bevestigd, een abnormaal kenmerk vertoont en dus gebrekkig is, als het gescheiden wordt van de zaak waartoe het behoorde en ten gevolge daarvan op een plaats terechtgekomen is waar het schade kan veroorzaken; eiser in zijn appelconclusie niets anders betoogde : "(verweerster) houdt vol dat artikel 1384, eerste lid, te dezen niet kan worden toegepast, aangezien de ongewone aanwezigheid van een zaak op zich geen gebrek van de zaak oplevert. Te dezen wordt echter niet de ongewone aanwezigheid van de zaak aangevoerd, maar wel het feit dat het bord in twee aparte delen is uiteengevallen"; het arrest bijgevolg, na te hebben vermeld dat "volgens (eiser) de aanwezigheid, op de rijbaan, van een steunpaal van een reclamebord een gebrek van de rijbaan oplevert", de bewijskracht van eisers conclusie miskent, daar laatstgenoemde nooit heeft beweerd dat de rijbaan een gebrek vertoonde (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en, na te hebben vastgesteld, enerzijds, dat die steunpaal losgeraakt was van het bord dat eraan was bevestigd, anderzijds, dat die steunpaal hierdoor terechtgekomen was op een voor het verkeer gevaarlijke plaats, niet wettig kon beslissen dat de metalen steunpaal van het bord die het ongeval had veroorzaakt, geen enkel kenmerk vertoonde waardoor derden schade konden lijden, zonder het begrip gebrek van de zaak te miskennen en derhalve artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek te schenden :
A. In zoverre het middel de schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert :
Overwegende dat het arrest vermeldt dat "volgens (eiser) de aanwezigheid, op de rijbaan, van een steunpaal van een reclamebord een gebrek ervan oplevert"; dat uit de context van het arrest blijkt dat het gebruik van het voornaamwoord "celle-ci" te wijten is aan een verschrijving en dat het hof van beroep hiermee in werkelijkheid niet het gebrek van de rijbaan, maar van het reclamebord heeft bedoeld;
Dat het middel in dat opzicht feitelijke grondslag mist;
B. Op het overige van het middel :
Overwegende dat een zaak door een gebrek is aangetast in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek als zij een abnormaal kenmerk vertoont, waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat volgens de verbalisanten de paal waartegen eiser gereden is afkomstig was van een reclamebord dat eraan bevestigd was;
Overwegende dat het arrest, nu het beslist "dat die steunpaal geen enkel kenmerk vertoonde waardoor derden schade konden lijden; dat het enkele feit dat de steunpaal met behulp waarvan het bord langs de openbare weg kon worden opgesteld, van dat bord was losgeraakt, die paal nog niet tot een gebrekkige zaak maakte", niet naar recht verantwoord is;
Dat het middel in dat opzicht gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het beslist dat verweerster geen enkele delictuele of quasi delictuele fout in noodzakelijk oorzakelijk verband met de schade kan worden verweten;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.