Hof van Cassatie: Arrest van 11 Maart 1999 (België). RG C980068F
Summary :
Het arrest van het hof van beroep, dat beslist dat de getroffene naast zijn materiële schade wegens volledig verlies van zijn autonomie wat de hulp van een derde persoon rechtvaardigt, materiële schade lijdt ten gevolge van zijn plaatsing in een tehuis, is naar recht verantwoord nu het oordeelt dat er twee verschillende soorten schade zijn die elk een verschillende vergoeding vergen, wat dubbel gebruik uitsluit.
Arrêt :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 18 juni 1997 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest met name onder verwijzing naar de uiteenzetting van de eerste rechter, heeft vastgesteld dat de 73 jaar oude verweerster op 21 april 1993 werd gebeten door een hond van een persoon wiens burgerrechtelijke aansprakelijkheid door eiseres was verzekerd; dat verweerster op 25 april 1993 een cerebraal vaatletsel heeft opgelopen met verlamming van de linkerzijde; dat dit vaatletsel aan het ongeval van 21 april 1993 te wijten is; dat het minnelijk medisch deskundigenverslag besluit : "(verweerster) is door het ongeval brutaal haar levensautonomie kwijtgeraakt en is totaal afhankelijk geworden met verlies van haar levensconfort; (verweerster) is sedert 21 april 1993 100 pct. invalide; aangezien zij geen familie heeft zal tot haar overlijden het verblijf in een tehuis moeten worden betaald (...); in het tehuis zal zij voortdurend en voor alles hulp van het personeel moeten krijgen", en vervolgens, met bevestiging, onder voorbehoud van bepaalde wijzigingen, van het beroepen vonnis, eiseres veroordeelt om aan verweerster in hoofdsom te betalen : 1° een vergoeding van 5.000.000 frank voor materiële en morele schade, 2° een vergoeding van 1.297.256 frank voor de nood aan bijstand, op grond van de motieven overgenomen van de eerste rechter en van de eigen motieven, dat : 1° (materiële en morele schade) : "de graad van invaliditeit van (verweerster) 100 pct. bedraagt waardoor zij in een tehuis moet worden opgenomen; invaliditeit een geneeskundig begrip is dat anatomische of functionele vermindering aangeeft, los van de eventuele gevolgen daarvan voor de winstgevende activiteiten van de getroffene; hoewel elke aantasting van de fysieke integriteit op zichzelf geen schade uitmaakt die voor vergoeding in aanmerking komt, die functionele vermindering in dit geval gekenmerkt is door een overeenstemmende vermindering van de autonomie van de getroffene die, gelet op haar omvang, rechtvaardigt dat op anderen een beroep wordt gedaan om de handicap te compenseren; de materiële schade aldus bestaat en zich uit in een verlies van autonomie" (motieven van de eerste rechter); "die invaliditeit in dit geval wel degelijk wordt gekenmerkt door een fysieke en morele schade (...); het onherroepelijk verlies van autonomie dat (verweerster) lijdt een materiële schade is die kan worden vergoed : (eiseres) voert in hoger beroep geen enkel nieuw middel aan dat aantoont dat de analyse van de eerste rechter verkeerd zou zijn" (redenen van het arrest); 2° (nood aan bijstand) : "de getroffene ten gevolge van het ongeval in een tehuis diende te worden geplaatst; bij de beoordeling van die schade, die naast de invaliditeit bestaat, rekening moet worden gehouden met het feit dat de getroffene door de plaatsing op onderhoudskosten bespaart; dat het feit dat de getroffene verder haar pensioen is blijven ontvangen daarentegen niets afdoet aan de herstelplicht" (redenen van de eerste rechter),
terwijl, eerste onderdeel, het arrest aan verweerster twee onderscheiden vergoedingen toekent, enerzijds, voor "het onherroepelijk verlies van autonomie" van verweerster, "die het beroep doen op anderen ter compensatie van die handicap rechtvaardigt" en waardoor haar plaatsing in een tehuis noodzakelijk werd, als materiële schade wegens invaliditeit van 100 pct. (schade gedekt door de vergoeding van 5.000.000 frank als materiële en morele schade samen ten gevolge van de invaliditeit), en, anderzijds, voor de schade "die naast de invaliditeit bestaat", en die erin bestaat dat de getroffene noodzakelijk in een tehuis moet worden geplaatst (schade gedekt door de vergoeding van 1.297.256 frank als "nood aan bijstand"); evenwel de schade ten gevolge van het verlies van autonomie die rechtvaardigt dat op anderen een beroep wordt gedaan om de handicap te compenseren en de schade ten gevolge van het feit dat de getroffene noodzakelijk in een tehuis moet worden geplaatst, een en dezelfde schade uitmaken : die welke voor de getroffene voortvloeit uit het feit dat zij noodzakelijk door een derde persoon moet worden bijgestaan, nu het personeel van het tehuis "haar in alles moet bijstaan"; het arrest door voor een en dezelfde schade twee onderscheiden vergoedingen toe te kennen, aan de getroffene tweemaal de vergoeding voor een zelfde schade toekent en bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
tweede onderdeel, de fysieke integriteit niet tot het vermogen behoort maar wel tot de persoon; de aantasting van de fysieke integriteit op zichzelf geen materiële schade vormt die kan worden vergoed; de aantasting van de fysieke integriteit materiële schade veroorzaakt als zij een weerslag heeft op het economisch potentieel van de getroffene, wat blijkt uit een verlies van inkomsten of uit de noodzaak grotere niet verloonde inspanningen te leveren bij het uitvoeren van die taken, of nog door waardeverlies op de arbeidsmarkt; de aantasting van de fysieke integriteit eveneens materiële schade veroorzaakt wanneer daardoor een beroep op de bijstand van een derde persoon moet worden gedaan; het arrest ten deze een afzonderlijke vergoeding toekent voor de materiële schade die volgt uit een invaliditeit van 100 pct., nu het aan de getroffene 5.000.000 frank toekent voor morele en materiële schade samen, en 1.297.256 frank voor de schade ten gevolge van "de nood aan bijstand"; het hof van beroep oordeelt dat de "nood aan bijstand" een "schade is die naast de invaliditeit bestaat"; het arrest niet vaststelt dat de aantasting van de fysieke integriteit van de getroffene benevens de noodzaak om door een derde persoon te worden bijgestaan, een bijkomende materiële schade zou hebben veroorzaakt wegens een aantasting van haar vermogen op de arbeidsmarkt; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat verweerster, die op het tijdstip van het ongeval 73 jaar oud was, verder haar pensioen is blijven ontvangen en dat zij geen grotere inspanning moet leveren, nu zij elke autonomie heeft verloren en voor alles een beroep op anderen moet doen ("totale afhankelijkheid", "bijstand voor alles"); het arrest, door toch een vergoeding toe te kennen voor materiële schade ten gevolge van invaliditeit, boven een vergoeding wegens materiële schade ten gevolge van de nood aan bijstand, vergoeding voor een niet bestaande schade toekent; het bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
Wat betreft het eerste onderdeel :
Overwegende dat het arrest, met overname van de motieven van de eerste rechter, oordeelt, eensdeels, dat "hoewel elke aantasting van de fysieke integriteit op zichzelf geen schade uitmaakt die voor vergoeding in aanmerking komt, die functionele vermindering in dit geval gekenmerkt is door een overeenstemmende vermindering van de autonomie van de getroffene die, gelet op haar omvang, rechtvaardigt dat op anderen een beroep wordt gedaan om de handicap te compenseren; dat aldus materiële schade bestaat die zich uit in een verlies van autonomie" en "dat niet wordt betwist dat er morele schade is waarvan de vergoeding verantwoord is"; dat het aan verweerster voor die materiële en morele schade vijf miljoen frank toekent;
Dat het arrest zegt, anderdeels, "dat niet wordt betwist dat de getroffene ten gevolge van het ongeval in een tehuis diende te worden geplaatst; dat bij de beoordeling van die schade, die naast de invaliditeit bestaat, rekening moet worden gehouden met het feit dat de getroffene door de plaatsing op onderhoudskosten bespaart" en haar daarvoor 1.297.256 frank toekent;
Overwegende dat uit die vermeldingen blijkt dat het arrest oordeelt dat verweerster twee verschillende soorten schade heeft geleden die elk een verschillende vergoeding vergen, wat dubbel gebruik uitsluit;
Dat dit onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat betreft het tweede onderdeel :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de getroffene 100 pct. invalide is en dat, zoals werd gezegd, die functionele vermindering konkreet blijkt uit een overeenstemmende vermindering van de autonomie van de getroffene;
Overwegende dat de materiële schade die volgt uit het volledig verlies van autonomie niet noodzakelijk samenvalt met de schade die verweerster door de opname in een tehuis lijdt;
Dat het hof van beroep, door een onaantastbare beoordeling van de feiten de zaak, heeft kunnen oordelen dat de invaliditeit van 100 pct. voor verweerster een andere materiële schade was dan de materiële schade ten gevolge van de plaatsing in een rusthuis;
Dat dit onderdeel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 18 juni 1997 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest met name onder verwijzing naar de uiteenzetting van de eerste rechter, heeft vastgesteld dat de 73 jaar oude verweerster op 21 april 1993 werd gebeten door een hond van een persoon wiens burgerrechtelijke aansprakelijkheid door eiseres was verzekerd; dat verweerster op 25 april 1993 een cerebraal vaatletsel heeft opgelopen met verlamming van de linkerzijde; dat dit vaatletsel aan het ongeval van 21 april 1993 te wijten is; dat het minnelijk medisch deskundigenverslag besluit : "(verweerster) is door het ongeval brutaal haar levensautonomie kwijtgeraakt en is totaal afhankelijk geworden met verlies van haar levensconfort; (verweerster) is sedert 21 april 1993 100 pct. invalide; aangezien zij geen familie heeft zal tot haar overlijden het verblijf in een tehuis moeten worden betaald (...); in het tehuis zal zij voortdurend en voor alles hulp van het personeel moeten krijgen", en vervolgens, met bevestiging, onder voorbehoud van bepaalde wijzigingen, van het beroepen vonnis, eiseres veroordeelt om aan verweerster in hoofdsom te betalen : 1° een vergoeding van 5.000.000 frank voor materiële en morele schade, 2° een vergoeding van 1.297.256 frank voor de nood aan bijstand, op grond van de motieven overgenomen van de eerste rechter en van de eigen motieven, dat : 1° (materiële en morele schade) : "de graad van invaliditeit van (verweerster) 100 pct. bedraagt waardoor zij in een tehuis moet worden opgenomen; invaliditeit een geneeskundig begrip is dat anatomische of functionele vermindering aangeeft, los van de eventuele gevolgen daarvan voor de winstgevende activiteiten van de getroffene; hoewel elke aantasting van de fysieke integriteit op zichzelf geen schade uitmaakt die voor vergoeding in aanmerking komt, die functionele vermindering in dit geval gekenmerkt is door een overeenstemmende vermindering van de autonomie van de getroffene die, gelet op haar omvang, rechtvaardigt dat op anderen een beroep wordt gedaan om de handicap te compenseren; de materiële schade aldus bestaat en zich uit in een verlies van autonomie" (motieven van de eerste rechter); "die invaliditeit in dit geval wel degelijk wordt gekenmerkt door een fysieke en morele schade (...); het onherroepelijk verlies van autonomie dat (verweerster) lijdt een materiële schade is die kan worden vergoed : (eiseres) voert in hoger beroep geen enkel nieuw middel aan dat aantoont dat de analyse van de eerste rechter verkeerd zou zijn" (redenen van het arrest); 2° (nood aan bijstand) : "de getroffene ten gevolge van het ongeval in een tehuis diende te worden geplaatst; bij de beoordeling van die schade, die naast de invaliditeit bestaat, rekening moet worden gehouden met het feit dat de getroffene door de plaatsing op onderhoudskosten bespaart; dat het feit dat de getroffene verder haar pensioen is blijven ontvangen daarentegen niets afdoet aan de herstelplicht" (redenen van de eerste rechter),
terwijl, eerste onderdeel, het arrest aan verweerster twee onderscheiden vergoedingen toekent, enerzijds, voor "het onherroepelijk verlies van autonomie" van verweerster, "die het beroep doen op anderen ter compensatie van die handicap rechtvaardigt" en waardoor haar plaatsing in een tehuis noodzakelijk werd, als materiële schade wegens invaliditeit van 100 pct. (schade gedekt door de vergoeding van 5.000.000 frank als materiële en morele schade samen ten gevolge van de invaliditeit), en, anderzijds, voor de schade "die naast de invaliditeit bestaat", en die erin bestaat dat de getroffene noodzakelijk in een tehuis moet worden geplaatst (schade gedekt door de vergoeding van 1.297.256 frank als "nood aan bijstand"); evenwel de schade ten gevolge van het verlies van autonomie die rechtvaardigt dat op anderen een beroep wordt gedaan om de handicap te compenseren en de schade ten gevolge van het feit dat de getroffene noodzakelijk in een tehuis moet worden geplaatst, een en dezelfde schade uitmaken : die welke voor de getroffene voortvloeit uit het feit dat zij noodzakelijk door een derde persoon moet worden bijgestaan, nu het personeel van het tehuis "haar in alles moet bijstaan"; het arrest door voor een en dezelfde schade twee onderscheiden vergoedingen toe te kennen, aan de getroffene tweemaal de vergoeding voor een zelfde schade toekent en bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
tweede onderdeel, de fysieke integriteit niet tot het vermogen behoort maar wel tot de persoon; de aantasting van de fysieke integriteit op zichzelf geen materiële schade vormt die kan worden vergoed; de aantasting van de fysieke integriteit materiële schade veroorzaakt als zij een weerslag heeft op het economisch potentieel van de getroffene, wat blijkt uit een verlies van inkomsten of uit de noodzaak grotere niet verloonde inspanningen te leveren bij het uitvoeren van die taken, of nog door waardeverlies op de arbeidsmarkt; de aantasting van de fysieke integriteit eveneens materiële schade veroorzaakt wanneer daardoor een beroep op de bijstand van een derde persoon moet worden gedaan; het arrest ten deze een afzonderlijke vergoeding toekent voor de materiële schade die volgt uit een invaliditeit van 100 pct., nu het aan de getroffene 5.000.000 frank toekent voor morele en materiële schade samen, en 1.297.256 frank voor de schade ten gevolge van "de nood aan bijstand"; het hof van beroep oordeelt dat de "nood aan bijstand" een "schade is die naast de invaliditeit bestaat"; het arrest niet vaststelt dat de aantasting van de fysieke integriteit van de getroffene benevens de noodzaak om door een derde persoon te worden bijgestaan, een bijkomende materiële schade zou hebben veroorzaakt wegens een aantasting van haar vermogen op de arbeidsmarkt; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat verweerster, die op het tijdstip van het ongeval 73 jaar oud was, verder haar pensioen is blijven ontvangen en dat zij geen grotere inspanning moet leveren, nu zij elke autonomie heeft verloren en voor alles een beroep op anderen moet doen ("totale afhankelijkheid", "bijstand voor alles"); het arrest, door toch een vergoeding toe te kennen voor materiële schade ten gevolge van invaliditeit, boven een vergoeding wegens materiële schade ten gevolge van de nood aan bijstand, vergoeding voor een niet bestaande schade toekent; het bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
Wat betreft het eerste onderdeel :
Overwegende dat het arrest, met overname van de motieven van de eerste rechter, oordeelt, eensdeels, dat "hoewel elke aantasting van de fysieke integriteit op zichzelf geen schade uitmaakt die voor vergoeding in aanmerking komt, die functionele vermindering in dit geval gekenmerkt is door een overeenstemmende vermindering van de autonomie van de getroffene die, gelet op haar omvang, rechtvaardigt dat op anderen een beroep wordt gedaan om de handicap te compenseren; dat aldus materiële schade bestaat die zich uit in een verlies van autonomie" en "dat niet wordt betwist dat er morele schade is waarvan de vergoeding verantwoord is"; dat het aan verweerster voor die materiële en morele schade vijf miljoen frank toekent;
Dat het arrest zegt, anderdeels, "dat niet wordt betwist dat de getroffene ten gevolge van het ongeval in een tehuis diende te worden geplaatst; dat bij de beoordeling van die schade, die naast de invaliditeit bestaat, rekening moet worden gehouden met het feit dat de getroffene door de plaatsing op onderhoudskosten bespaart" en haar daarvoor 1.297.256 frank toekent;
Overwegende dat uit die vermeldingen blijkt dat het arrest oordeelt dat verweerster twee verschillende soorten schade heeft geleden die elk een verschillende vergoeding vergen, wat dubbel gebruik uitsluit;
Dat dit onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat betreft het tweede onderdeel :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de getroffene 100 pct. invalide is en dat, zoals werd gezegd, die functionele vermindering konkreet blijkt uit een overeenstemmende vermindering van de autonomie van de getroffene;
Overwegende dat de materiële schade die volgt uit het volledig verlies van autonomie niet noodzakelijk samenvalt met de schade die verweerster door de opname in een tehuis lijdt;
Dat het hof van beroep, door een onaantastbare beoordeling van de feiten de zaak, heeft kunnen oordelen dat de invaliditeit van 100 pct. voor verweerster een andere materiële schade was dan de materiële schade ten gevolge van de plaatsing in een rusthuis;
Dat dit onderdeel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.