Hof van Cassatie: Arrest van 12 Juli 2005 (België). RG P050936F

Date :
12-07-2005
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20050712-2
Role number :
P050936F

Summary :

In strafzaken zijn de wetten op de rechtspleging, behoudens andersluidende bepaling, onmiddellijk van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zodat de wet die van kracht is op de dag van de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis het gevolg ervan in de tijd bepaalt (1). (1) Zie Cass., 6 okt. 1999, AR P.99.1274.F, nr 512; 2 feb. 2000, AR P.99.0513.F, nr 87; 15 maart 2000, AR P.99.1697.F, nr 179; art. 30, ,§ 4, Wet Voorlopige Hechtenis, na wijziging door art. 12, 6°, Wet 31 mei 2005, B.S., 16 juni 2005, p. 27390. In de onderhavige zaak concludeerde het openbaar ministerie tot vernietiging. Het was immers de mening toegedaan dat het eerste, niet gepubliceerde, middel gegrond was in zoverre het de schending van artt. 23, 4°, en 30, ,§ 4, eerste lid, eerste zin, Wet Voorlopige Hechtenis aanvoerde. In een andere zaak die het voorwerp uitmaakt van een arrest van dezelfde datum, was het openbaar ministerie het evenwel eens met de regel in de samenvatting 1° en 2°.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Nr. P.05.0936.F.-
Y. A. N.,
Mr. Sandrine Joseph, advocaat bij de balie te Brussel, en mr. Christine Brüls, advocaat bij de balie te Luik.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, dat op 28 juni 2005 is gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert twee middelen aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
Over het eerste middel :
Overwegende dat eiser op 1 september 2004 onder aanhoudingsbevel is geplaatst wegens moord, als dader of mededader, feiten die zich te Luik op 22 juli 2004 om 10.30 uur hebben voorgedaan ; dat hij het arrest verwijt zijn conclusie waarin hij het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot zijn deelname aan het misdrijf op één van de wijzen bepaald in de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek, betwist ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending van de artikelen 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 14.2 van het Internationaal Verdrag tot Bescherming van de Burgerrechten en de Politieke Rechten aanvoert, zonder aan te geven hoe het arrest die bepalingen schendt, niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen in zake voorlopige hechtenis ;
Dat het middel, wat dat betreft, faalt naar recht ;
Overwegende dat het arrest tegenover de voormelde conclusie, enerzijds stelt dat "(eiser) wel degelijk in het bezit was van zijn GSM met nummer 0484/75.56.11 toen hij te Luik werd gecontroleerd, alwaar hij op 23 juli (2004) om 18.58 uur de trein nam naar Antwerpen", dat "de speurders (...) vóór de feiten de talrijke telefonische contacten tussen Gawro Mellek (medeïnverdenkinggestelde) en de familie Polat hebben genoteerd, evenals 127 contacten met het nr. 0484/75.56.11, dat op het ogenblik van de feiten inactief was doch op 22 juli (2004) om 13.37 uur in de buurt van het station Guillemins werd gelokaliseerd" en dat "op de avond van 23 juli (2004), talrijke oproepen tussen (eiser) en zowel de moeder van Mellek als de v.z.w. Polat (waarvan Polat Cémal (medeïnverdenkinggestelde) zaakvoerder is, zijn genoteerd" ; dat, anderzijds, het arrest een verband legt tussen deze gegevens en de omstandigheid, die aan de feiten voorafgaat, dat "Gawro Mellek door zijn oom (eiser) telefonisch zou zijn gecontacteerd, die hem zou hebben voorgesteld om geld te verdienen", dat "(deze) hem opnieuw over de job zou hebben gesproken waarmee hij 20.000 euro kon verdienen en hem in verbinding zou hebben gesteld met Salim Mohamed (...) (die) zou hebben uitgelegd dat het een moord voor rekening van zijn baas Cemal Polat betrof, (...) (eraan toevoegend) dat de man die diende te worden vermoord op zijn beurt de broer van zijn baas Polat had vermoord" ;
Overwegende dat de appelrechters aldus die conclusie beantwoorden en hun beslissing, dat er ernstige aanwijzingen van schuld voor een positieve daad van deelneming bestonden, voorafgaand aan of samengaand met de moord die in het aanhoudingsbevel is bedoeld, naar recht verantwoorden ;
Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
Over het tweede middel :
Overwegende dat het arrest een beschikking van de raadkamer van 14 juni 2005 bevestigt die de voorlopige hechtenis handhaaft ; dat eiser aanvoert dat aangezien op het ogenblik dat de raadkamer kennis neemt van de zaak de wet die van toepassing is, de duur van de titel van vrijheidsberoving bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, op vijftien dagen stelt, de appelrechters hun beslissing waarbij zij die duur op een maand vaststellen, verzuimen te motiveren ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending van de artikelen 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten aanvoert, zonder aan te geven hoe het arrest die bepalingen schendt, niet ontvankelijk is ;
Overwegende dat in strafzaken de wetten op de rechtspleging, behoudens andersluidende bepaling, onmiddellijk van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen, zodat de wet die van kracht is op de dag van de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis de uitwerking ervan in de tijd bepaalt ;
Overwegende dat met toepassing van artikel 30, ,§ 4, van de Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, gewijzigd bij artikel 12, 6°, van de wet van 31 mei 2005, het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd vanaf de beslissing een titel van vrijheidsberoving van een maand uitmaakt ;
Dat de wet van 31 mei 2005, die geen enkele bepaling bevat betreffende haar inwerkingtreding, in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2005 werd gepubliceerd ; dat zij dus sinds 26 juni 2005 toepasselijk is ;
Overwegende dat daaruit volgt dat de duur van de titel van vrijheidsberoving bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd en dat op 28 juni 2005 is gewezen, een maand bedraagt ;
Dat het middel, in zoverre dit het tegendeel aanvoert, faalt naar recht ;
Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten die inzake voorlopige hechtenis uitspraak doen ;
Overwegende dat geen enkele bepaling die gerechten oplegt om de wettelijke geldigheidsduur van hun beslissing te vermelden laat staan met redenen te omkleden ;
Dat het middel in zoverre eveneens faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door raadsheer Paul Mathieu, waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Dirix, Didier Batselé, Paul Maffei en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van twaalf juli tweeduizend en vijf uitgesproken door raadsheer Paul Mathieu, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Benoît Dejemeppe en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,