Hof van Cassatie: Arrest van 13 Februari 2009 (België). RG F.06.0106.N
Summary :
Het toetsingsrecht van de rechter aan wie gevraagd wordt een B.T.W.-boete te toetsen die een repressief karakter heeft, houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen; de rechter die aanneemt dat de door de belastingplichtige gepleegde inbreuken op de BTW-wetgeving zwaar zijn en dat het meewerken aan een door de leverancier opgezet fraudesysteem wijst op een bijzonder opzet, en vervolgens de opgelegde geldboete van 200 procent van de ontdoken belasting vermindert om de enkele reden dat die boete onevenredig is, zonder enige nadere motivering waaruit zou kunnen blijken dat de sanctie in strijd zou zijn met dwingende rechtsregels van het internationale recht of fundamentele algemene rechtsbeginselen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (1). (1) Zie Cass., 12 dec. 2008, AR nr. F.06.0111.N, www.cass.be; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. C.07.0507.N, www.cass.be, met conclusie van het O.M.; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. F.06.0107.N, www.cass.be.; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. F.06.0108.N, www.cass.be.
Arrêt :
Nr. F.06.0106.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren, Gentsesteenweg 93,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
V.B.H.,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 70, §1, in de versie voor de wijziging ervan bij de wet van 28 december 1992, en artikel 84, inzonderheid de derde alinea, in de versie zoals ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna BTW-wetboek);
- artikel 1, inzonderheid het laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeken op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, in de versie zoals van kracht ten tijde van de vastgestelde inbreuken;
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
Aangevochten beslissingen
Het arrest verklaart het door de eiser ingesteld hoger beroep toelaatbaar en gegrond en wijst de verweerders vordering tot verzet van het dwangbevel af, evenwel "met dien verstande dat de geldboete ingevolge artikel 70, §1, BTW-wetboek op 50 pct. van de verschuldigde rechten wordt gebracht, meer de wettelijke en moratoire interesten overeenkomstig de BTW-wetgeving en de kosten zoals verwoord in het dwangbevel"en laat de kosten ten laste van de verweerder.
Na een uitgebreide bespreking van de argumenten van de partijen wat het bestaan van de fiscale schuld betreft, wordt in het arrest onder randnummer 7 de vordering van de verweerder met betrekking tot de opgelegde boete als volgt beoordeeld.
Vooreerst (eerste twee alinea's van nr. 7) wordt verwezen naar de voorschriften van de artikelen 70, §1, en artikel 84, BTW-wetboek, en artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, en waarna de stelling van de administratie met betrekking tot de boete wordt samengevat.
Vervolgens wordt het toetsingsrecht van de rechter in de volgende termen omschreven:
"De rechter aan wie gevraagd wordt op grond van voornoemd artikel 70, §1, BTW-wetboek de sanctie te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
Inzonderheid mag de rechter daarbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld, maar hierbij moet in acht worden genomen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kunnen kwijtgescholden of verminderd worden".
Na de terzake toepasselijke regels aldus te hebben samengevat, herinneren de appelrechters aan de ernst van de begane inbreuk:
"Terecht stelt (de eiser) dat de administratieve boete van rechtswege wordt opgelopen ongeacht de goede of de kwade trouw van de btw-plichtige. Er moet nochtans worden vastgesteld dat het zonder factuur aankopen van belangrijke hoeveelheden zwarte bloem zich uitstrekt over een lange periode zodat dient aangenomen dat de inbreuken op de BTW-wetgeving zwaar zijn. Het medewerken aan een door de leverancier opgezet fraudesysteem wijst op een bijzonder opzet".
Na deze uiteenzetting komt de beslissing:
"Niettemin is een administratieve boete van 200 pct. onevenredig met de gepleegde inbreuken. Een boete van 50 pct. daarentegen beantwoordt in redelijkheid aan de gepleegde inbreuken".
Grieven
1. In de omschrijving van de rechtsmacht van de rechter worden door de appelrechters de overwegingen overgenomen, die door het Hof werden geformuleerd in het arrest van 21 januari 2005, rolnr. C.02.0572.N.
Deze overwegingen betekenen echter niet dat de bodemrechter vrij een afwijking van een bindende wettekst kan toestaan. Meer bepaald: indien hij oordeelt dat de door de wet opgelegde sanctie onevenredig is met de zwaarte van de inbreuk, moet hij de feiten en omstandigheden aanduiden waaruit hij deze onevenredigheid afleidt. De beoordeling van de "evenredigheid" tussen een inbreuk en een wettelijke sanctie, kan niet gesteund worden op de enkele subjectieve appreciatie van de rechter. Om op grond van onevenredigheid afstand te nemen van de toepassing van een bindende wettekst moeten vastgestelde feiten deze beslissing verantwoorden.
Zoals omschreven in het aangevochten arrest en in de uitspraak van het Hof van 21 januari 2005 waarnaar de appelrechters verwijzen blijft het toetsingsrecht van de rechter een wettelijkheidscontrole. De wet is bindend. Enkel een hogere rechtsregel kan toelaten ervan af te wijken.
De appelrechters onderstrepen dat het hun taak is, "de wettigheid van de sanctie" te onderzoeken hetgeen inhoudt: "nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk" (fol. 40, voorlaatste alinea). Zij formuleren het principe: zij moeten nagaan of de sanctie al dan niet onevenredig is. Dit vereist een onderzoek van de omstandigheden waaruit de aangeklaagde onevenredigheid zou blijken.
Van een in die zin verricht onderzoek is er evenwel in het arrest niets te vinden. Nergens wordt gezegd waarom de wettelijke sanctie in het onderhavig geval onevenredig voorkomt, zodat het arrest in het ongewisse laat of de vermindering van de boete toegestaan wordt op grond van eigen omstandigheden van dit geval, dan wel of de wettelijke boeten, met name het dubbel van de ontdoken belasting, op zich als onevenredig wordt aangemerkt.
Het toestaan van verminderingen op de in artikel 70, §1, BTW-wetboek opgelegde boete is beperkt door wettelijke bepalingen: artikel 84, BTW-wetboek en het ter uitvoering daarvan uitgevaardigd koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, die de administratie ook verbinden. De uitspraak van het aangevochten arrest kan bijgevolg niet verrechtvaardigd worden door het argument dat het toetsingsrecht van de rechter even ver moet reiken als de discretionaire macht van de administratie.
Wat het arrest ten slotte inhoudt is enkel dat de rechter zijn subjectieve appreciatie boven de wet stelt, in tegenspraak met het principe waaraan nochtans in het arrest wordt herinnerd: "dit toetsingsrecht houdt niet in dat op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kunnen kwijtgescholden of verminderd worden" (fol. 41, eerste alinea).
Met het louter formuleren van een beslissing, zonder enige toelichting nopens de feitelijke gegevens die hem tot deze beslissing hebben geleid, voldoet de rechter niet aan de grondwettelijke verplichting om zijn uitspraak te motiveren.
Motiveren is niet alleen het formuleren van een rechtsregel en een beslissing over feiten naast elkaar plaatsen. De rechter moet het verband tussen beide aantonen. Hij moet nagaan of, en in welke mate, de rechtsregel op de vastgestelde feiten toepasselijk is.
Dit is in het arrest niet te vinden. Het arrest komt aan de verplichting tot motivering tekort.
Besluit
Hieruit volgt dat het arrest de wetsbepaling die deze boete oplegt schendt, door de boete, door artikel 70, §1, BTW-wetboek vastgesteld op het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, te herleiden tot 50 pct. van de verschuldigde rechten, waardoor het arrest tevens ook de bepalingen miskent die het toestaan van een vermindering van de boete regelen en beperken (schending van artikel 84, BTW-wetboek, in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, juncto artikel 1, inzonderheid het laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van kracht ten tijde van de vastgestelde inbreuken.
Door het treffen van deze beslissing zonder enige verantwoording nopens de feiten of overwegingen die tot deze beslissing leiden, miskent het arrest de grondwettelijke motiveringsplicht (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 70, §1, van het BTW-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
3. De appelrechters oordelen dat "het zonder factuur aankopen van belangrijke hoeveelheden zwarte bloem zich uitstrekt over een lange periode zodat dient aangenomen dat de inbreuken op de BTW-wetgeving zwaar zijn" en dat "het meewerken aan een door de leverancier opgezet fraudesysteem wijst op een bijzonder opzet".
De appelrechters beslissen evenwel, zonder enige nadere motivering waaruit zou kunnen blijken dat de sanctie in strijd zou zijn met dwingende rechtsregels van het internationale recht of fundamentele algemene rechtsbeginselen, dat een administratieve geldboete van 200 procent onevenredig is met de gepleegde inbreuken en dat een boete van 50 procent daarentegen in redelijkheid aan de gepleegde inbreuken beantwoordt.
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de geldboete en de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 13 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.
J. Pafenols E. Stassijns P. Maffei
L. Huybrechts E. Forrier I. Verougstraete