Hof van Cassatie: Arrest van 13 Oktober 1999 (België). RG P990861F
Summary :
Wanneer schade is veroorzaakt door de fout van een derde en door de gedraging van de getroffene die, als kind dat nog niet tot de jaren des onderscheids is gekomen, niet burgerrechtelijk aansprakelijk is, dan moet die derde tot volledige vergoeding van die schade worden veroordeeld.
Arrêt :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op de bestreden arresten, op 19 juni 1989 en 27 april 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Gelet op het arrest van het Hof van 10 januari 1990;
I. Op de voorzieningen van Joseph, Jeanne en Nicole Vanwers:
A. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen het arrest van 19 juni 1989:
Over het middel: schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest van 19 juni 1989 vaststelt dat Frédéric Geurts, toen zes jaar oud, "op een normale wijze op de berm stapte", maar "op het laatste ogenblik van richting was veranderd (...), zonder acht te slaan op het voertuig (van wijlen Lambert Vanwers, rechtsvoorganger van de eisers), dat de rijbaan opreed, en zonder de verplichtingen van artikel 42.4.4 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 na te komen"; dat het beslist dat de rechtsvoorganger van de eisers voor een derde aansprakelijk is; dat het vervolgens, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, oordeelt dat "die deling evenwel niet kan worden tegengeworpen aan het jonge slachtoffer, aangezien zijn leeftijd elke fout aan zijn zijde uitsluit",
terwijl, uit de omstandigheid dat de minderjarige, die nog niet tot de jaren des onderscheids is gekomen, niet aansprakelijk is voor zijn daden en bijgevolg niet, krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, gehouden is tot vergoeding van de schade die hij door zijn objectief onrechtmatige daad aan anderen toebrengt, evenwel niet volgt dat hij geen gedeelte van zijn eigen schade moet dragen, wanneer die schade gedeeltelijk door zijn objectief onrechtmatige daad en gedeeltelijk door de fout van een derde is veroorzaakt; het in een dergelijk geval niet verantwoord is dat de minderjarige, die niet tot de jaren des onderscheids is gekomen, zou worden bevoordeeld ten koste van zijn nabestaanden, die de vergoeding vorderen van de door hen onrechtstreeks geleden schade en tegen wie de gedeeltelijk aansprakelijke derde, zoals het bestreden arrest toegeeft, kan aanvoeren dat hun schade gedeeltelijk is veroorzaakt door de objectief onrechtmatige daad van de minderjarige; het bestreden arrest bijgevolg, nu het toegeeft dat de rechtsvoorganger van de eisers slechts voor een derde aansprakelijk is, omdat het ongeval gedeeltelijk is veroorzaakt door een objectief onrechtmatige daad van de minderjarige Frédéric Geurts, niet wettig heeft kunnen beslissen dat die deling niet kan worden tegengeworpen aan Frédéric Geurts, op grond dat zijn leeftijd, op het ogenblik van het ongeval, "elke fout aan zijn zijde uitsluit":
Overwegende dat de appèlrechters hebben vastgesteld dat het door het ongeval getroffen kind de jaren des onderscheids niet had bereikt, zodat zij, ook al hebben ze aan zijn zijde een objectief onrechtmatige daad vastgesteld die het ongeval mede heeft veroorzaakt, wettig beslissen dat hij ten aanzien van de aansprakelijke derde recht heeft op volledige vergoeding van zijn eigen schade, aangezien die derde hem noch geheel noch gedeeltelijk aansprakelijk kan stellen in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek;
Dat het middel faalt naar recht;
B. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen het arrest van 27 april 1999:
Overwegende dat de eisers geen bijzonder middel aanvoeren;
II. Op de voorzieningen die tegen het arrest van 27 april 1999 zijn ingesteld door Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, handelend in hun hoedanigheid van wettelijk beheerder van de goederen van hun minderjarige zoon Didier, en door Thérèse Kerff, Josco, Aliette, Eliane, Roger en Alain Geurts, Henri Lucasse en Joséphine Jeukens:
Overwegende dat de eisers geen middel aanvoeren;
III. Op de voorzieningen die op 10 mei 1999 tegen het arrest van 27 april 1999 zijn ingesteld door Alain Geurts, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van voorlopig beheerder van de goederen van zijn zoon Frédéric, en door Marie-Louise Lucasse, handelend in eigen naam:
Over het eerste middel: schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest, bij de uitspraak over de omvang van de morele schade van Frédéric Geurts, vermeldt "dat, alhoewel, objectief gezien, 'het recht op volledige vergoeding van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte morele schade niet hiervan afhangt dat de getroffene in staat is te beseffen dat het toegekende bedrag ter vergoeding van die schade dient' (raadpl. Cass., 04.04.1990, 1989-90, p. 1025), de bodemrechter niettemin op onaantastbare wijze en in feite, niet alleen het bestaan maar ook de omvang van de veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding tot volledig herstel ervan beoordeelt (raadpl. Cass., 12.01.1988, 1987-88, p. 599), en die schade in concreto moet beoordelen", en, na verschillende passages uit de conclusie van de geneesheer-deskundige met betrekking tot de bewustzijnstoestand van de getroffene te hebben geciteerd, vermeldt "dat, ook al ervaart het slachtoffer zijn leed niet op normale wijze en ook al beseft hij dat verschil niet zoals iemand met onaangetaste geestelijke vermogens, waardoor het voor hem niet zo traumatiserend is, welk feit van belang is voor de raming van de schade in concreto, het niet kan worden ontkend dat de morele schade bestaat en moet worden vergoed"; dat het arrest ten slotte beslist dat, "gelet op de leeftijd van de getroffene op het ogenblik van het ongeval (zes jaar), zijn toestand van totaal onvermogen en zijn sterk verminderde bewustzijnstoestand, de aangeboden schadevergoeding van 2.500.000 frank bevredigend lijkt te zijn",
terwijl de rechtsvordering tot vergoeding van de morele schade ertoe strekt de pijn, de smart of enig andere schade te lenigen die verband houdt met zowel het fysieke als psychische leed dat het slachtoffer ervaart ten gevolge van zijn volledig en blijvend onvermogen, en in zoverre de geleden schade te herstellen; de door een persoon geleden morele schade geen uitzondering vormt op die beginselen, ook al is hij zich van de schade niet bewust; het weliswaar aan de rechter staat om op onaantastbare wijze en in feite het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade te beoordelen en het bedrag van de vergoeding te ramen, maar hij niet, zonder de wettelijke begrippen morele schade en oorzakelijk verband, alsook het beginsel dat geleden schade volledig moet worden vergoed, te miskennen, de omvang van het recht op vergoeding van de morele schade kan bepalen of beperken door bij de vaststelling van het bedrag van de daartoe bestemde vergoeding rekening te houden, zelfs maar als een element naast andere, met de grotere of geringere mate waarin het slachtoffer de hem toegebrachte schade beseft; het arrest bijgevolg, nu het de morele schade van het slachtoffer, gelet niet alleen op zijn leeftijd en zijn toestand van volledig onvermogen, maar ook op zijn sterk verminderd bewustzijn, op 2.500.000 frank raamt, de wettelijke beginselen morele schade en oorzakelijk verband miskent, alsook het beginsel dat het slachtoffer recht heeft op volledige vergoeding van de schade, daar die vergoeding niet kan afhangen van de mate waarin het slachtoffer zijn schade beseft; het bestreden arrest bijgevolg de in het middel aangegeven bepalingen schendt:
Overwegende dat de rechtsvordering tot vergoeding van morele schade ertoe strekt de pijn, de smart of enig ander moreel leed te lenigen en de schade in zoverre te herstellen;
Overwegende dat, alhoewel het aan de rechter staat om het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade te beoordelen in feite en, binnen de perken van de vordering, het bedrag vast te stellen dat noodzakelijk is om die schade te vergoeden, het evenwel aan het Hof staat om na te gaan of de vastgestelde feiten de gevolgen die de rechter er in rechte aan verbindt, verantwoorden;
Overwegende dat het arrest, na passages uit de conclusie van de geneesheer-deskundige te hebben geciteerd, volgens welke het slachtoffer geen lichamelijke en morele schade heeft geleden en zich van zijn ongeluk niet bewust was, en na erop te hebben gewezen dat "ook al ervaart het slachtoffer zijn leed niet op normale wijze en ook al beseft hij dat verschil niet zoals iemand met onaangetaste geestelijke vermogens, waardoor het voor hem niet zo traumatiserend is, welk feit van belang is voor de raming van de schade in concreto, het niet kan worden ontkend dat de morele schade bestaat en moet worden vergoed", bij de beoordeling van de omvang van de morele schade van het slachtoffer, niet alleen rekening houdt met de leeftijd van het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval, maar ook met zijn "sterk verminderd bewustzijn"; dat het aldus het slachtoffer het recht op volledige vergoeding van zijn schade niet ontzegt, maar de omvang ervan in feite raamt, en bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek niet schendt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het vierde middel: schending van de artikelen 1147, 1149, 1153, 1154, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest, na te hebben herhaald dat de compensatoire interest dient als aanvulling van de schadevergoeding, doordat die interest de schade vergoedt die de benadeelde lijdt ten gevolge van de vertraging in de schadeloosstelling, de rente op de aangepaste bedragen, te weten op het kapitaal van 2.5000.000 frank, dat aan Alain Geurts in de hoedanigheid van beheerder van zijn zoon Frédéric Geurts is toegekend tot vergoeding van de tijdelijke en blijvende morele schade en op het bedrag van 250.000 frank, dat aan zijn moeder is toegekend tot vergoeding van de bijzondere materiële schade, vaststelt op 5 pct., op grond: "dat de rechter bij de raming van de schade de dag van de uitspraak in aanmerking moet nemen, en dat rekening moet worden gehouden met de muntontwaarding die is opgetreden tussen de dag waarop de schade is ontstaan en de dag van de rechterlijke beslissing;
dat, te dezen, bij de toekenning van de bedragen, de vergoedingen voor de materiële schade uitgezonderd, beide criteria in aanmerking genomen zijn;
overwegende dat, op een vergoeding die reeds aangepast is met het oog op de muntontwaarding, compensatoire interest kan worden toegekend, maar dat, in dat geval, vermeden moet worden dat de benadeelde een vergoeding geniet, die op twee verschillende en cumulatieve wijzen is aangepast; dat, bijgevolg, de compensatoire interest op de aangepaste bedragen zal worden vastgesteld op de eenvormige rentevoet van 5 pct.";
terwijl de aanpassing van een vergoeding met het oog op de muntontwaarding, gegrond is op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, en, overeenkomstig alle, in het middel aangegeven bepalingen, niets te maken heeft met de toekenning van compensatoire interest tot vergoeding van de schade voortvloeiende uit de vertraging in de schadeloosstelling; de beslissing waarbij een lagere dan de wettelijke rentevoet wordt vastgesteld voor de compensatoire interest, op grond dat "vermeden moet worden dat de benadeelde een vergoeding geniet, die op twee verschillende en cumulatieve wijzen is aangepast", twee begrippen verwart die geen verband houden met elkaar, en, bijgevolg, de in het middel aangegeven wetsbepalingen schendt;
Overwegende dat de compensatoire interest de schade vergoedt die voortvloeit uit de vertraging in de schadeloosstelling, terwijl de aanpassing een berekeningswijze is die wordt toegepast om rekening te houden met de vermindering van de koopkracht van het geld; dat het twee verschillende correctieven zijn, ook al houden beide verband met een tijdsverloop;
Overwegende dat de appèlrechters de rente op de bedragen van 2.500.000 en 250.0000 frank, die respectievelijk worden toegekend aan eiser, handelend qualitate qua, in de vorm van een kapitaal, tot vergoeding van de morele schade van zijn zoon Frédéric, en aan eiseres, tot vergoeding van haar bijzondere materiële schade, vaststellen op 5 pct., op grond dat "vermeden moet worden dat de benadeelde een vergoeding geniet die op twee verschillende en cumulatieve wijzen is aangepast", terwijl het arrest zodoende twee begrippen verwart die niets met elkaar te maken hebben, te weten, enerzijds, de aanpassing van de vergoedingen om rekening te houden met de muntontwaarding tussen de dag waarop de schade is ontstaan en de dag van de rechterlijke beslissing, en, anderzijds, de toekenning van compensatoire interest tot vergoeding van de vertraging in de schadeloosstelling; dat zij, aldus, hun beslissing met betrekking tot die rentevoet niet naar recht verantwoorden;
IV. Op de voorzieningen die Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, in eigen naam en in de hoedanigheid van "wettelijke beheerders van de goederen van hun minderjarige zoon Frédéric", op 18 mei 1999 hebben ingesteld tegen het arrest van 19 juni 1989:
Overwegende dat het eindarrest op 27 april 1999 op tegenspraak is gewezen;
Overwegende dat in strafzaken, behoudens het bij artikel 40, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 bepaalde geval en het geval van overmacht, het cassatieberoep dat na het verstrijken van de in artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wordt ingesteld, laattijdig en derhalve niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
ongeacht het middel in de memorie van de eisers Alain Geurts, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van voorlopig beheerder van de goederen van zijn zoon Frédéric, en Marie-Louise Lucasse, handelend in eigen naam, dat kritiek oefent op het arrest van 19 juni 1989 en dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van hun voorziening tegen dat arrest,
Vernietigt het bestreden arrest van 27 april 1999, in zoverre het uitspraak doet over de rentevoet van de compensatoire interest die het, enerzijds, met ingang van 1 februari 1992 tot de datum van dat arrest, toekent op het bedrag van 2.500.000 frank dat in de vorm van een kapitaal aan de eiser Alain Geurts, handelend in de hoedanigheid van voorlopig beheerder van de goederen van zijn zoon Frédéric wordt uitgekeerd tot vergoeding van diens tijdelijke en blijvende morele schade, en, die het, anderzijds, met ingang van 1 februari 1998 tot de datum van dat arrest, toekent op het bedrag van 250.000 frank, dat aan de eiseres Marie-Louise Lucasse, handelend in eigen naam, wordt uitgekeerd tot vergoeding van haar bijzondere materiële schade;
Verwerpt de voorzieningen voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, ieder van hen, in vier vijfde van de kosten van hun voorziening van 10 mei 1999, en de verweerders Joseph, Jeanne en Nicole Vanwers, ieder van hen, in een vijftiende van die kosten;
Veroordeelt Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, ieder van hen, in de kosten van zijn voorziening van 18 mei 1999 en alle andere eisers in de kosten van hun voorziening;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Gelet op de bestreden arresten, op 19 juni 1989 en 27 april 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Gelet op het arrest van het Hof van 10 januari 1990;
I. Op de voorzieningen van Joseph, Jeanne en Nicole Vanwers:
A. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen het arrest van 19 juni 1989:
Over het middel: schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest van 19 juni 1989 vaststelt dat Frédéric Geurts, toen zes jaar oud, "op een normale wijze op de berm stapte", maar "op het laatste ogenblik van richting was veranderd (...), zonder acht te slaan op het voertuig (van wijlen Lambert Vanwers, rechtsvoorganger van de eisers), dat de rijbaan opreed, en zonder de verplichtingen van artikel 42.4.4 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 na te komen"; dat het beslist dat de rechtsvoorganger van de eisers voor een derde aansprakelijk is; dat het vervolgens, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, oordeelt dat "die deling evenwel niet kan worden tegengeworpen aan het jonge slachtoffer, aangezien zijn leeftijd elke fout aan zijn zijde uitsluit",
terwijl, uit de omstandigheid dat de minderjarige, die nog niet tot de jaren des onderscheids is gekomen, niet aansprakelijk is voor zijn daden en bijgevolg niet, krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, gehouden is tot vergoeding van de schade die hij door zijn objectief onrechtmatige daad aan anderen toebrengt, evenwel niet volgt dat hij geen gedeelte van zijn eigen schade moet dragen, wanneer die schade gedeeltelijk door zijn objectief onrechtmatige daad en gedeeltelijk door de fout van een derde is veroorzaakt; het in een dergelijk geval niet verantwoord is dat de minderjarige, die niet tot de jaren des onderscheids is gekomen, zou worden bevoordeeld ten koste van zijn nabestaanden, die de vergoeding vorderen van de door hen onrechtstreeks geleden schade en tegen wie de gedeeltelijk aansprakelijke derde, zoals het bestreden arrest toegeeft, kan aanvoeren dat hun schade gedeeltelijk is veroorzaakt door de objectief onrechtmatige daad van de minderjarige; het bestreden arrest bijgevolg, nu het toegeeft dat de rechtsvoorganger van de eisers slechts voor een derde aansprakelijk is, omdat het ongeval gedeeltelijk is veroorzaakt door een objectief onrechtmatige daad van de minderjarige Frédéric Geurts, niet wettig heeft kunnen beslissen dat die deling niet kan worden tegengeworpen aan Frédéric Geurts, op grond dat zijn leeftijd, op het ogenblik van het ongeval, "elke fout aan zijn zijde uitsluit":
Overwegende dat de appèlrechters hebben vastgesteld dat het door het ongeval getroffen kind de jaren des onderscheids niet had bereikt, zodat zij, ook al hebben ze aan zijn zijde een objectief onrechtmatige daad vastgesteld die het ongeval mede heeft veroorzaakt, wettig beslissen dat hij ten aanzien van de aansprakelijke derde recht heeft op volledige vergoeding van zijn eigen schade, aangezien die derde hem noch geheel noch gedeeltelijk aansprakelijk kan stellen in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek;
Dat het middel faalt naar recht;
B. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen het arrest van 27 april 1999:
Overwegende dat de eisers geen bijzonder middel aanvoeren;
II. Op de voorzieningen die tegen het arrest van 27 april 1999 zijn ingesteld door Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, handelend in hun hoedanigheid van wettelijk beheerder van de goederen van hun minderjarige zoon Didier, en door Thérèse Kerff, Josco, Aliette, Eliane, Roger en Alain Geurts, Henri Lucasse en Joséphine Jeukens:
Overwegende dat de eisers geen middel aanvoeren;
III. Op de voorzieningen die op 10 mei 1999 tegen het arrest van 27 april 1999 zijn ingesteld door Alain Geurts, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van voorlopig beheerder van de goederen van zijn zoon Frédéric, en door Marie-Louise Lucasse, handelend in eigen naam:
Over het eerste middel: schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest, bij de uitspraak over de omvang van de morele schade van Frédéric Geurts, vermeldt "dat, alhoewel, objectief gezien, 'het recht op volledige vergoeding van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte morele schade niet hiervan afhangt dat de getroffene in staat is te beseffen dat het toegekende bedrag ter vergoeding van die schade dient' (raadpl. Cass., 04.04.1990, 1989-90, p. 1025), de bodemrechter niettemin op onaantastbare wijze en in feite, niet alleen het bestaan maar ook de omvang van de veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding tot volledig herstel ervan beoordeelt (raadpl. Cass., 12.01.1988, 1987-88, p. 599), en die schade in concreto moet beoordelen", en, na verschillende passages uit de conclusie van de geneesheer-deskundige met betrekking tot de bewustzijnstoestand van de getroffene te hebben geciteerd, vermeldt "dat, ook al ervaart het slachtoffer zijn leed niet op normale wijze en ook al beseft hij dat verschil niet zoals iemand met onaangetaste geestelijke vermogens, waardoor het voor hem niet zo traumatiserend is, welk feit van belang is voor de raming van de schade in concreto, het niet kan worden ontkend dat de morele schade bestaat en moet worden vergoed"; dat het arrest ten slotte beslist dat, "gelet op de leeftijd van de getroffene op het ogenblik van het ongeval (zes jaar), zijn toestand van totaal onvermogen en zijn sterk verminderde bewustzijnstoestand, de aangeboden schadevergoeding van 2.500.000 frank bevredigend lijkt te zijn",
terwijl de rechtsvordering tot vergoeding van de morele schade ertoe strekt de pijn, de smart of enig andere schade te lenigen die verband houdt met zowel het fysieke als psychische leed dat het slachtoffer ervaart ten gevolge van zijn volledig en blijvend onvermogen, en in zoverre de geleden schade te herstellen; de door een persoon geleden morele schade geen uitzondering vormt op die beginselen, ook al is hij zich van de schade niet bewust; het weliswaar aan de rechter staat om op onaantastbare wijze en in feite het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade te beoordelen en het bedrag van de vergoeding te ramen, maar hij niet, zonder de wettelijke begrippen morele schade en oorzakelijk verband, alsook het beginsel dat geleden schade volledig moet worden vergoed, te miskennen, de omvang van het recht op vergoeding van de morele schade kan bepalen of beperken door bij de vaststelling van het bedrag van de daartoe bestemde vergoeding rekening te houden, zelfs maar als een element naast andere, met de grotere of geringere mate waarin het slachtoffer de hem toegebrachte schade beseft; het arrest bijgevolg, nu het de morele schade van het slachtoffer, gelet niet alleen op zijn leeftijd en zijn toestand van volledig onvermogen, maar ook op zijn sterk verminderd bewustzijn, op 2.500.000 frank raamt, de wettelijke beginselen morele schade en oorzakelijk verband miskent, alsook het beginsel dat het slachtoffer recht heeft op volledige vergoeding van de schade, daar die vergoeding niet kan afhangen van de mate waarin het slachtoffer zijn schade beseft; het bestreden arrest bijgevolg de in het middel aangegeven bepalingen schendt:
Overwegende dat de rechtsvordering tot vergoeding van morele schade ertoe strekt de pijn, de smart of enig ander moreel leed te lenigen en de schade in zoverre te herstellen;
Overwegende dat, alhoewel het aan de rechter staat om het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade te beoordelen in feite en, binnen de perken van de vordering, het bedrag vast te stellen dat noodzakelijk is om die schade te vergoeden, het evenwel aan het Hof staat om na te gaan of de vastgestelde feiten de gevolgen die de rechter er in rechte aan verbindt, verantwoorden;
Overwegende dat het arrest, na passages uit de conclusie van de geneesheer-deskundige te hebben geciteerd, volgens welke het slachtoffer geen lichamelijke en morele schade heeft geleden en zich van zijn ongeluk niet bewust was, en na erop te hebben gewezen dat "ook al ervaart het slachtoffer zijn leed niet op normale wijze en ook al beseft hij dat verschil niet zoals iemand met onaangetaste geestelijke vermogens, waardoor het voor hem niet zo traumatiserend is, welk feit van belang is voor de raming van de schade in concreto, het niet kan worden ontkend dat de morele schade bestaat en moet worden vergoed", bij de beoordeling van de omvang van de morele schade van het slachtoffer, niet alleen rekening houdt met de leeftijd van het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval, maar ook met zijn "sterk verminderd bewustzijn"; dat het aldus het slachtoffer het recht op volledige vergoeding van zijn schade niet ontzegt, maar de omvang ervan in feite raamt, en bijgevolg de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek niet schendt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het vierde middel: schending van de artikelen 1147, 1149, 1153, 1154, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest, na te hebben herhaald dat de compensatoire interest dient als aanvulling van de schadevergoeding, doordat die interest de schade vergoedt die de benadeelde lijdt ten gevolge van de vertraging in de schadeloosstelling, de rente op de aangepaste bedragen, te weten op het kapitaal van 2.5000.000 frank, dat aan Alain Geurts in de hoedanigheid van beheerder van zijn zoon Frédéric Geurts is toegekend tot vergoeding van de tijdelijke en blijvende morele schade en op het bedrag van 250.000 frank, dat aan zijn moeder is toegekend tot vergoeding van de bijzondere materiële schade, vaststelt op 5 pct., op grond: "dat de rechter bij de raming van de schade de dag van de uitspraak in aanmerking moet nemen, en dat rekening moet worden gehouden met de muntontwaarding die is opgetreden tussen de dag waarop de schade is ontstaan en de dag van de rechterlijke beslissing;
dat, te dezen, bij de toekenning van de bedragen, de vergoedingen voor de materiële schade uitgezonderd, beide criteria in aanmerking genomen zijn;
overwegende dat, op een vergoeding die reeds aangepast is met het oog op de muntontwaarding, compensatoire interest kan worden toegekend, maar dat, in dat geval, vermeden moet worden dat de benadeelde een vergoeding geniet, die op twee verschillende en cumulatieve wijzen is aangepast; dat, bijgevolg, de compensatoire interest op de aangepaste bedragen zal worden vastgesteld op de eenvormige rentevoet van 5 pct.";
terwijl de aanpassing van een vergoeding met het oog op de muntontwaarding, gegrond is op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, en, overeenkomstig alle, in het middel aangegeven bepalingen, niets te maken heeft met de toekenning van compensatoire interest tot vergoeding van de schade voortvloeiende uit de vertraging in de schadeloosstelling; de beslissing waarbij een lagere dan de wettelijke rentevoet wordt vastgesteld voor de compensatoire interest, op grond dat "vermeden moet worden dat de benadeelde een vergoeding geniet, die op twee verschillende en cumulatieve wijzen is aangepast", twee begrippen verwart die geen verband houden met elkaar, en, bijgevolg, de in het middel aangegeven wetsbepalingen schendt;
Overwegende dat de compensatoire interest de schade vergoedt die voortvloeit uit de vertraging in de schadeloosstelling, terwijl de aanpassing een berekeningswijze is die wordt toegepast om rekening te houden met de vermindering van de koopkracht van het geld; dat het twee verschillende correctieven zijn, ook al houden beide verband met een tijdsverloop;
Overwegende dat de appèlrechters de rente op de bedragen van 2.500.000 en 250.0000 frank, die respectievelijk worden toegekend aan eiser, handelend qualitate qua, in de vorm van een kapitaal, tot vergoeding van de morele schade van zijn zoon Frédéric, en aan eiseres, tot vergoeding van haar bijzondere materiële schade, vaststellen op 5 pct., op grond dat "vermeden moet worden dat de benadeelde een vergoeding geniet die op twee verschillende en cumulatieve wijzen is aangepast", terwijl het arrest zodoende twee begrippen verwart die niets met elkaar te maken hebben, te weten, enerzijds, de aanpassing van de vergoedingen om rekening te houden met de muntontwaarding tussen de dag waarop de schade is ontstaan en de dag van de rechterlijke beslissing, en, anderzijds, de toekenning van compensatoire interest tot vergoeding van de vertraging in de schadeloosstelling; dat zij, aldus, hun beslissing met betrekking tot die rentevoet niet naar recht verantwoorden;
IV. Op de voorzieningen die Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, in eigen naam en in de hoedanigheid van "wettelijke beheerders van de goederen van hun minderjarige zoon Frédéric", op 18 mei 1999 hebben ingesteld tegen het arrest van 19 juni 1989:
Overwegende dat het eindarrest op 27 april 1999 op tegenspraak is gewezen;
Overwegende dat in strafzaken, behoudens het bij artikel 40, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 bepaalde geval en het geval van overmacht, het cassatieberoep dat na het verstrijken van de in artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wordt ingesteld, laattijdig en derhalve niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
ongeacht het middel in de memorie van de eisers Alain Geurts, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van voorlopig beheerder van de goederen van zijn zoon Frédéric, en Marie-Louise Lucasse, handelend in eigen naam, dat kritiek oefent op het arrest van 19 juni 1989 en dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van hun voorziening tegen dat arrest,
Vernietigt het bestreden arrest van 27 april 1999, in zoverre het uitspraak doet over de rentevoet van de compensatoire interest die het, enerzijds, met ingang van 1 februari 1992 tot de datum van dat arrest, toekent op het bedrag van 2.500.000 frank dat in de vorm van een kapitaal aan de eiser Alain Geurts, handelend in de hoedanigheid van voorlopig beheerder van de goederen van zijn zoon Frédéric wordt uitgekeerd tot vergoeding van diens tijdelijke en blijvende morele schade, en, die het, anderzijds, met ingang van 1 februari 1998 tot de datum van dat arrest, toekent op het bedrag van 250.000 frank, dat aan de eiseres Marie-Louise Lucasse, handelend in eigen naam, wordt uitgekeerd tot vergoeding van haar bijzondere materiële schade;
Verwerpt de voorzieningen voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, ieder van hen, in vier vijfde van de kosten van hun voorziening van 10 mei 1999, en de verweerders Joseph, Jeanne en Nicole Vanwers, ieder van hen, in een vijftiende van die kosten;
Veroordeelt Alain Geurts en Marie-Louise Lucasse, ieder van hen, in de kosten van zijn voorziening van 18 mei 1999 en alle andere eisers in de kosten van hun voorziening;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.