We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.
We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.
We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.

Hof van Cassatie: Arrest van 15 September 2015 (België). RG P.14.1189.N

Date :
15-09-2015
Language :
French Dutch
Size :
8 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20150915-3
Role number :
P.14.1189.N

Summary :

Uit de samenhang van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 2002 dat van toepassing is op feiten gepleegd vanaf 2 september 2003, artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 1998 dat ingevolge artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 van toepassing is gebleven op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten, artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie waardoor artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 2013 werd ingevoerd en het arrest van 11 juni 2015 van het Grondwettelijk Hof houdende gedeeltelijke vernietiging van voormeld artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 en handhaving van de gevolgen van de vernietigde beslissing tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016, volgt dat op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten uitsluitend de schorsingsgrond van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering – versie 1998 van toepassing is (1). (1) Zie concl. OM.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. P.14.1189.N

J L S,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 10 juni 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft op 7 september 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie.

Op de rechtszitting van 15 september 2015 heeft raadsheer Filip Van Volsem ver-slag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal met opdracht gecon-cludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 24 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering, zoals vervangen door artikel 3 van de wet van 11 de-cember 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (hierna artikel 24 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998), artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 en artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing na de aanvulling ervan door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepa-lingen betreffende justitie (hierna artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013): het arrest verklaart ten onrechte de strafvordering niet vervallen wegens verjaring voor de aan de eiser verweten feiten die zich ten laatste op 17 juli 2003 zouden hebben voorgedaan; op deze feiten past het arrest zowel de door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 bepaalde schorsingsgrond van maximaal één jaar na de inleiding van de zaak toe, als de door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - ver-sie 2013 bepaalde schorsingsgrond van maximum één jaar ingevolge het ambts-halve bevelen door het hof van beroep van bijkomend onderzoek; artikel 24 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd voor feiten gepleegd vanaf 2 september 2003 gewijzigd door artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen (hierna artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002), maar ingevolge artikel 5 van de programmawet van 5 augustus 2003 bleef voor de vóór 2 september 2003 ge-pleegde feiten artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 van toepassing; uit de tekst van de wijzigende wet van 14 januari 2013 blijkt evenwel dat met die wet uitsluitend artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002 werd gewijzigd en niet het op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten van toepassing zijnde artikel 24 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering - versie 1998; het arrest kon dan ook op de aan de eiser verweten feiten niet artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 toepassen; bovendien zijn die schorsingsregimes niet te verenigen: volgens het schorsingsregime van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 eindigt de schorsing van de verjaring na de inleiding van de zaak indien de rechter ambtshalve aanvullend onderzoek beveelt, terwijl volgens het schorsingsregime van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 het ambtshalve bevelen door de rechter van aanvul-lend onderzoek tot schorsing leidt.

2. Artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002, dat van toepassing is op feiten gepleegd vanaf 2 september 2003, bepaalt:

"De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst."

3. Artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998, dat ingevolge artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 van toepas-sing is gebleven op de vóór 2 september 2003 gepleegde feiten, bepaalt:

"De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen:

1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet be-paalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid.

De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen:

- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat;

- vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat;

- vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvorder-ing enkel uitgaat van het openbaar ministerie;

- van het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnis-gerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende von-nisgerecht;

2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil;

3° in het geval bepaald bij artikel 447, derde lid, van het Strafwetboek;

4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst."

4. Artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepa-lingen betreffende justitie heeft met ingang van 10 februari 2013 artikel 24 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij wet van 16 juli 2002, aangevuld met twee leden, waardoor artikel 24 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering - versie 2013 bepaalt:

"De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.

Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst.

De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als, in het kader van de regeling van de rechtspleging, door de onderzoeksrechter of door de kamer van inbeschuldigingstelling wordt beslist dat bijkomende onderzoekshandelingen moe-ten worden verricht. Hetzelfde geldt telkens als de raadkamer in het kader van de regeling van de rechtspleging, ingevolge een overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, van het Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek, de rechtspleging niet kan regelen. De schorsing gaat in op de dag van de eerste zitting voor de raadkamer die vastgesteld werd met het oog op de regeling van de rechtspleging, zowel wanneer het verzoek geweigerd dan wel ingewilligd werd, en eindigt de dag voor de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing evenwel langer dan een jaar mag duren.

De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

5. Bij arrest nr. 83/2015 van 11 juni 2015 heeft het Grondwettelijk Hof:

- artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie vernietigd, maar enkel in die mate dat het tot gevolg heeft de verjaring te schorsen wanneer, in het kader van de regeling van de rechts-pleging, de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling beslis-sen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht, wanneer de raadkamer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de rechtsple-ging niet kan regelen ingevolge een door de burgerlijke partij overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek en wanneer het vonnisgerecht de behandeling van de zaak uitstelt met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen;

- de gevolgen van de vernietigde bepaling gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016.

6. Uit de volgende elementen moet worden afgeleid dat artikel 24 Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2013 niet van toepassing is op feiten gepleegd vóór 2 september 2003:

- artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie heeft uitsluitend artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 2002 gewijzigd door aanvulling met een derde en vierde lid en niet het op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten toepasselijke artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998;

- uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging blijkt niet dat de wetgever de be-doeling had de nieuwe schorsingsgrond ook toe te passen op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten;

- de schorsingsregeling zoals ingevoerd met artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie, zoals ze werd gehandhaafd door het Grondwettelijk Hof, valt niet te verenigen met de schor-singsregeling zoals geregeld door artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998: in het ene geval doet een door het vonnisgerecht bevolen bijkomende onderzoeksmaatregel een schorsingsperiode ingaan voor maximaal één jaar, terwijl in het andere geval een door het vonnisgerecht bevo-len onderzoeksmaatregel een einde maakt aan een periode van schorsing die aanvangt met de inleiding van de zaak per aanleg.

Op vóór 2 september 2003 gepleegde feiten is dan ook uitsluitend de schorsings-regeling van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 van toepassing.

7. Het arrest kon dan ook niet oordelen dat voor wat betreft de aan de eiser verweten feiten de verjaring van de strafvordering niet alleen was geschorst vanaf de inleiding voor de eerste rechter op 2 maart 2007 gedurende één jaar en vanaf de inleiding in hoger beroep vanaf 29 maart 2011 gedurende één jaar, maar ook overeenkomstig artikel 24, derde en vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door artikel 7 van de wet van 14 januari 2013, vanaf de bij tussenarrest van 13 december 2011 door het hof van beroep bevolen bijkomende onderzoeksmaatregel tot 13 december 2012.

8. Voor de aan de eiser verweten feiten, die zich zouden hebben voorgedaan op niet nader te bepalen data in de periode van 1 januari 2003 tot 17 juli 2003 en op 17 juli 2003, nam de oorspronkelijke termijn van verjaring een aanvang op 17 juli 2003 en werd die termijn overeenkomstig artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998, geschorst vanaf de inleiding in eerste aanleg vanaf 2 maart 2007 tot en met 1 maart 2008. De laatst nuttige daad van stuiting in die oorspronkelijke door een schorsing van één jaar verlengde termijn werd verricht op 1 oktober 2007 door het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie. Deze stuitende handeling had uitwerking na het verstrijken van de schorsingsperiode, met name op 1 maart 2008, zodat in beginsel de verja-ring van de strafvordering zou worden bereikt op 1 maart 2013. Overeenkomstig artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - versie 1998 werd de verjaring vanaf de inleiding in hoger beroep geschorst vanaf 29 maart 2011 tot het tussenarrest van 13 december 2011 waarbij het hof van beroep ambtshalve een bijkomende onderzoekshandeling heeft bevolen, of gedurende 259 dagen. Bijge-volg werd de verjaring van de strafvordering voor de aan de eiser verweten feiten bereikt op 14 november 2013.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen van het eerste middel

9. De overige onderdelen die geen betrekking hebben op de beslissing op de herstelvordering behoeven geen antwoord. Er is bijgevolg ook geen grond om de met deze onderdelen gesuggereerde prejudiciële vragen te stellen aan het Grond-wettelijk Hof.

Omvang van de cassatie

10. De vernietiging zonder verwijzing van de beslissing op de strafvordering laat de beslissing op de herstelvordering, die volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, werd ingesteld vooraleer de strafvordering is vervallen inge-volge verjaring, evenals de veroordeling van de eiser tot de kosten, onaangetast.

Tweede middel

Eerste en tweede onderdeel

11. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het ar-rest verklaart de eiser ten onrechte schuldig als deelnemer aan de telastleggingen A en B; het arrest stelt vast dat het mededaderschap niet bestaat in een positieve daad, maar in een verzuim een daad te stellen waaruit de noodzakelijke hulp wordt afgeleid; alleen een positieve daad voorafgaand of samen met het wanbe-drijf kan deelneming uitmaken; een verzuim kan een dergelijke positieve daad uitmaken indien dit bewust en opzettelijk verzuim ondubbelzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van het wanbedrijf op een van de in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bedoelde wijzen; het passief bijwonen van de uitvoering van het misdrijf levert slechts een strafbare deelneming op wanneer dit onthouden de ui-ting is van het opzet om rechtstreeks aan de uitvoering mee te werken door bij te dragen tot het mogelijk maken of vergemakkelijken van het misdrijf; de loutere kennis van het feit dat een misdrijf werd of wordt gepleegd volstaat als dusdanig niet voor mededaderschap; door geen enkele positieve daad van deelneming aan te duiden, stelt het arrest het materieel element van de strafbare deelneming door de eiser niet vast en verantwoordt het de beslissing niet naar recht.

Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eer-ste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig als deelnemer aan de telastleggingen A en B; het verzuim om te handelen kan een positieve daad van deelneming opleveren wanneer de hiermee gepaard gaande omstandigheden nopen tot het besluit dat dit bewuste en opzettelijke verzuim in werkelijkheid een aansporing inhoudt tot het plegen van het wanbedrijf; het arrest stelt weliswaar dat de eiser nalatig is ge-weest, maar het vermeldt niet de omstandigheden waardoor dit verzuim om te handelen als een aansporing tot het plegen van het misdrijf zou kunnen worden beschouwd; aldus verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.

12. Artikel 66 Strafwetboek stelt deelneming strafbaar, met name wanneer de beklaagde de misdaad of het wanbedrijf heeft uitgevoerd, aan de uitvoering ervan rechtstreeks heeft meegewerkt of, door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

13. In de regel kan alleen een positieve daad die aan de uitvoering van de mis-daad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samenvalt deelneming aan de misdaad of het wanbedrijf opleveren.

14. Het verzuim om te handelen kan evenwel een dergelijke positieve daad van deelneming zijn wanneer, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, het bewuste en opzettelijke verzuim om te handelen ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf op een van de door de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bepaalde wijzen.

15. Het passief bijwonen van de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan strafbare deelneming opleveren wanneer het zich onthouden van enige reactie de uiting is van het opzet om rechtstreeks aan de uitvoering mee te werken door bij te dragen tot het mogelijk maken of vergemakkelijken van die misdaad of dat wanbedrijf.

In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting falen ze naar recht.

16. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bewust en opzettelijk ver-zuim om te handelen gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden ondub-belzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van een misdaad of een wanbe-drijf op een van de wijzen bedoeld in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek.

In zoverre de onderdelen opkomen tegen dit onaantastbaar oordeel, zijn ze niet ontvankelijk.

17. Het arrest oordeelt dat:

- niet kan worden betwist dat de beklaagden en dus ook de eiser wisten dat de op 9 juli 2002 verleende stedenbouwkundige vergunning diende te worden nageleefd en dat zij dit niet hebben gedaan door de vier eengezinswoningen en de meergezinswoning niet elk te hebben voorzien van een hemelwaterput;

- de overeenkomst die de eiser, architect, had met Sarelco nv ook het toezicht omvatte op de uitvoering van de werken tot de oplevering ervan a rato van één bezoek per week en de bijstand bij de verrichtingen die nodig zijn bij de voor-lopige en de definitieve oplevering;

- op 21 februari 2003 de eiser als architect in aanwezigheid van het echtpaar D S (eigenaars van de eengezinswoning), architect Raman (architect van partij De Smet), Y D G en Sarelco nv de voorlopige oplevering van de eengezinswoning van het echtpaar D S in de Olmendreef 5A en op 17 juli 2003 in aanwezigheid van C R (toenmalige eigenares), haar ouders, Y D G en Sarelco nv de voorlo-pige oplevering van het gelijkvloerse appartement in de meergezinswoning heeft bijgewoond;

- bij geen van beide opleveringen de eiser als architect melding maakte van het ontbreken van de nochtans verplicht te plaatsen hemelwaterputten en van het nog moeten uitvoeren van deze werkzaamheden;

- de naleving van de stedenbouwkundige verplichting om te voorzien in hemel-waterputten nochtans ook rust op de eiser als verantwoordelijke architect die toezicht had op de uitvoering van de werken;

- de eiser Sarelco nv en Y D G had moeten wijzen op deze stedenbouwkundige verplichting en hen zo nodig in gebreke had moeten stellen, wat hij op geen enkel ogenblik heeft gedaan;

- de eiser als architect niet ernstig kan voorhouden dat hij niet wist dat de he-melwaterputten niet werden geplaatst: hij had de plannen getekend en wist waar de hemelwaterputten dienden te worden geplaatst;

- uit niets blijkt dat de eiser op enig ogenblik controle heeft uitgeoefend op het al dan niet plaatsen van de voorziene hemelwaterputten, hoewel hij zulks gemak-kelijk had kunnen doen;

- de eiser zich niet kan verschuilen achter zijn eigen nalatigheid;

- de eiser in plaats van de samenwerking met Sarelco nv op te schorten omdat Sarelco nv en Y D G de opgelegde stedenbouwkundige vergunning niet na-leefden, hen ongemoeid liet en zelfs overging tot de voorlopige oplevering van twee wooneenheden;

- de opschorting door de eiser van zijn contractuele verbintenissen met Sarelco nv enkel gebeurde omdat Sarelco nv niet overging tot betaling.

Met die redenen stelt het arrest vast dat de eiser zich niet heeft beperkt tot het lou-ter passief bijwonen van de met de telastleggingen A en B bedoelde wanbedrij-ven, maar dat zijn verzuim om te handelen bewust en opzettelijk is, dat dit ver-zuim een positieve daad van deelneming inhoudt en dat gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden dit verzuim ondubbelzinnig een aansporing inhoudt tot het plegen van de onder de telastleggingen A en B vermelde wanbedrijven. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser door zijn schuldig verzuim zodanige hulp heeft verleend bij de uitvoering van het misdrijf dat het zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, a), 6.1.1, eerste lid, 1° en 6°, 6.1.3 en 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest be-veelt ten onrechte aanpassingswerken aan andere onroerende goederen dan de eengezinswoning op het perceel 328Z en het gelijkvloerse appartement van de meergezinswoning; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de telastleggingen betrekking hebben op vier eengezinswoningen, met name op de percelen 328W, 328X, 328Y en 328Z en een meergezinswoning met drie appartementen op het perceel 328V; het arrest verwijst voor het oordeel dat de eiser noodzakelijke hulp heeft verleend als mededader naar de voorlopige oplevering en het daarbij niet-vaststellen van de afwezigheid van hemelwaterputten, terwijl die voorlopige ople-vering blijkens de vaststellingen van het arrest enkel betrekking had op de eenge-zinswoning van het echtpaar D S op het perceel 328Z en het gelijkvloerse appar-tement van het echtpaar Redant in de meergezinswoning op het perceel 328V; het arrest kon op grond van die vaststellingen de eisers dan ook niet schuldig verkla-ren aan de telastleggingen in zoverre ze betrekking hebben op de drie overige eengezinswoningen en de overige appartementen van de meergezinswoning; wel-iswaar is de tegen de eiser uitgesproken straf naar recht verantwoord ingevolge de bewezenverklaring van de telastleggingen voor wat betreft de voormelde eenge-zinswoning en het gelijkvloerse appartement van de meergezinswoning, maar de beslissing is niet naar recht verantwoord in zoverre het met betrekking tot de ove-rige eengezinswoningen en de overige appartementen van de meergezinswoning aanpassingswerken beveelt.

19. Het arrest verklaart de eiser schuldig als mededader aan de met de telastleg-gingen A en B bedoelde wanbedrijven met een geheel van redenen vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel van dit middel. De verwijzing door het arrest naar de passieve houding van de eiser bij de voorlopige oplevering van de eengezinswoning op het perceel 328Z en het gelijkvloerse appartement op de meergezinswoning op het perceel 328V is geen dragend motief voor het oordeel over eisers deelneming, maar betreft slechts een illustratie van eisers bewust en opzettelijk verzuim om niettegenstaande de op hem rustende toezichtsverplichting geen opmerkingen te maken met betrekking tot de stedenbouwkundige verplich-ting om te voorzien in hemelwaterputten voor elk van de eengezinswoningen en de meergezinswoning met drie appartementen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest maar slechts in de mate dat het uitspraak doet over de tegen de eiser ingestelde strafvordering.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de overige helft ten laste van de Belgische Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 143,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 15 september 2015 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

S. Berneman E. Francis

A. Lievens A. Bloch F. Van Volsem