Hof van Cassatie: Arrest van 16 December 2009 (België). RG P.09.1166.F

Date :
16-12-2009
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20091216-4
Role number :
P.09.1166.F

Summary :

Of de persoon tegen wie een vervolging wordt ingesteld, op de hoogte is gesteld van de hem ten laste gelegde feiten, kan niet alleen uit de beschikking tot verwijzing of uit de dagvaarding blijken, dergelijke informatie kan ook worden verstrekt door middel van de stukken uit het strafdossier of elk ander, regelmatig aan de beoordeling van de rechter voorgelegd gegeven, waarover de beklaagde zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen voor de feitenrechters (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2009, nr. ...

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. P.09.1166.F

S. R.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 18 juni 2009.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 30 november 2009 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 16 december 2009 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel verwijt het arrest dat het artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden schendt alsook de algemene rechtsbeginselen betreffende de eerbiediging van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de bewijslast in strafzaken, doordat het de eiser schuldig verklaart aan witwassen, ofschoon de bewoordingen van beide telastleggingen niet aangeven waarin de feiten van omzetting, overdracht, verberging of verdoezeling, welke met de in aanmerking genomen kwalificaties overeenkomen, precies bestaan.

Volgens de eiser hebben de appelrechters verkeerdelijk beslist dat hem op heldere wijze kennis werd gegeven van de voor de telastleggingen kenmerkende feiten, terwijl, vermits het basismisdrijf in het buitenland werd gepleegd, zij noch de onrechtmatige oorsprong vermeldden van het voorwerp van het witwassen, noch de handeling waarmee dat zich voltrokken had.

Een ieder tegen wie een vervolging wordt ingesteld moet voldoende op de hoogte worden gesteld van de hem ten laste gelegde feiten. Noch artikel 6.3, a, van het Verdrag, noch de voormelde algemene rechtsbeginselen vereisen dat die informatie alleen uit de beschikking tot verwijzing of uit de dagvaarding blijkt. Dergelijke informatie kan ook worden verstrekt door middel van de stukken uit het strafdossier of elk ander, regelmatig aan de beoordeling van de rechter voorgelegd gegeven, waarover de beklaagde zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen voor de feitenrechters.

Het misdrijf witwassen wordt duidelijk genoeg omschreven wanneer de akte die de zaak bij de rechter aanhangig maakt, de datum en de plaats van de feiten vermeldt, in de bewoordingen van de wet is omschreven en aldus vermeldt dat het voorwerp van het witwassen een onrechtmatige oorsprong heeft.

Ook als het basismisdrijf in het buitenland werd gepleegd, vereist die nauwkeurigheid niet dat de misdaad of het wanbedrijf waarmee de vermogensvoordelen werden verkregen wordt geïdentificeerd, mits de rechter, op grond van de feitelijke gegevens, elke wettelijke herkomst of oorsprong kan uitsluiten.

De beschikking tot verwijzing en de dagvaarding hebben te dezen de telastleggingen in de bewoordingen van de wet omschreven, de plaatsen en data van de feiten vermeld en de bedragen gepreciseerd die, enerzijds, zijn omgezet of overgedragen, en anderzijds, zijn verborgen of verdoezeld. De appelrechters hebben er eveneens op gewezen dat de eiser ter voorbereiding van zijn verweer inzage had gekregen van het strafdossier en van het verslag van de Cel voor financiële informatieverwerking.

Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het is niet tegenstrijdig om te oordelen, enerzijds, dat de eiser in algemene bewoordingen, zoals het middel toegeeft, de onrechtmatige oorsprong van de gelden niet betwist en, anderzijds, dat hij die oorsprong alleen voor één bepaalde storting betwist, op grond van een foutieve gevolgtrekking.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Met overneming van de redenen van de eerste rechters stelt het arrest vast dat de basismisdrijven waarop het witwassen is gegrond, bestonden in belastingfraude, misbruik van vennootschapsgoederen en misdrijven van sociaal strafrecht.

Betreffende de berekening van het vermogensvoordeel dat het voorwerp uitmaakt van het misdrijf, bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek (telastlegging I), voegt het met eigen redenen daaraan toe dat de uit de basismisdrijven gehaalde brutowinst uit bedragen bestaat die "volledig of hoofdzakelijk uit misdrijven tegen de Franse belastingwetten" verkregen zijn.

Uit deze vermeldingen die niet door de in het middel aangevoerde dubbelzinnigheid zijn aangetast, blijkt dat de appelrechters niet het omzetcijfer als vermogensvoordeel uit het basismisdrijf van de niet-aangegeven economische activiteit, in aanmerking hebben willen nemen, maar het belastingvoordeel dat dit misdrijf heeft opgeleverd.

Het middel dat op een verkeerde lezing van het arrest berust mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 16 december 2009 uitgesproken door afdelings-voorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,