Hof van Cassatie: Arrest van 17 December 1999 (België). RG D980039F

Date :
17-12-1999
Language :
French Dutch
Size :
2 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-19991217-9
Role number :
D980039F

Summary :

De beslissing dat de titel van architect-bezoldigde aan een architect enkel kan worden verleend als hij zijn beroep uitoefent in dienst van een werkgever die als opdrachtgever bouwt, voegt aan de wettelijke bepalingen inzake de uitoefening van het beroep van architect-bezoldigde een beperking toe die daarin niet voorkomt.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
HET HOF,
Gelet op de bestreden beslissing, op 3 juni 1998 gewezen door de Raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal;
Over het middel: schending van de artikelen 6 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, 5, 7, 8, 19, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11 en 19 van het door de Nationale Raad van de Orde van architecten vastgestelde reglement van beroepsplichten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985,
doordat de raad van beroep beslist dat eisers verzoek om inschrijving op de tabel van de Orde van de provincie Brabant gegrond kan worden verklaard, maar dan enkel voor rekening van D.B.A., zijn werkgever, in diens hoedanigheid van opdrachtgever, zulks op grond dat "in casu de titel van architect-bezoldigde hem verleend kan worden met toepassing van artikel 7 van het reglement van beroepsplichten, maar dan enkel voor rekening van D.B.A. als opdrachtgever ('... die het beroep geheel of ten dele in dienst van een natuurlijke of rechtspersoon uitoefent in het raam van een arbeidsovereenkomst voor bedienden...' (artikel 7)); dat (eisers) verzoek om zijn beroep als bezoldigde van D.B.A. uit te oefenen terwijl hij daarbij jegens laatstgenoemde de vereiste onafhankelijkheid behoudt door voor rekening van de betrokken ondernemingen de vereiste plannen op te maken en toezicht te houden over de goede uitvoering van de werken, niet verenigbaar is met de beginselen van de plichtenleer en met de regels van de arbeidsovereenkomst voor bedienden die een verhouding van ondergeschiktheid impliceert"; dat de raad van beroep eisers verzoek om het bijberoep als zelfstandig architect uit te oefenen inwilligt in zoverre hij het in een andere omgeving dan die van zijn onderneming uitoefent,
terwijl, krachtens artikel 4, eerste lid, van het op 16 december 1983 door de nationale Orde van architecten vastgestelde en bij koninklijk besluit van 18 april 1985 goedgekeurde reglement van beroepsplichten, de architect zijn beroep uitoefent hetzij als zelfstandige, hetzij als ambtenaar of beambte van een openbare dienst, hetzij als bezoldigde; artikel 4, tweede lid, van het voornoemde reglement bepaalt dat de architect, ongeacht zijn statuut, de nodige onafhankelijkheid moet hebben om zijn beroep uit te oefenen overeenkomstig de opdracht die van openbare orde is en de regels van de plichtenleer, om aldus de verantwoordelijkheid op te nemen voor de daden die hij stelt; de architect-bezoldigde krachtens artikel 7, tweede en derde lid, van dat reglement moet beschikken over de mogelijkheid zijn verantwoordelijkheid op te nemen in functie van de specificiteit van het beroep en onder meer erover moet waken dat de betrekkingen tussen zijn werkgever en diens medecontractant niet strijdig zijn met de wetten en reglementen die de uitoefening van het beroep van architect regelen; uit die bepalingen volgt dat iedere architect, in de regel, tewerkgesteld kan zijn in om het even welke algemene onderneming, in zoverre geen enkele onverenigbaarheid bestaat en de architect zijn zelfstandigheid behoudt ten aanzien van de specificiteit van zijn beroep; artikel 6 van de wet van 20 februari 1939 alsook artikel 10 van het reglement van beroepsplichten bepalen dat het beroep van architect onverenigbaar is met het beroep van aannemer van openbare of private werken; artikel 10, 4$ tevens verbiedt dat de architect het beheer van onroerende goederen waarneemt in de vorm van een agentschap of van een zakenkantoor; die wettelijke bepalingen, waarbij de vrijheid van beroep of onderneming beperkt wordt, strikt ge{interpreteerd moeten worden; de architect-bezoldigde derhalve zijn beroep mag uitoefenen in het raam van een arbei
dsovereenkomst voor bedienden, niet alleen voor rekening van zijn werkgever in diens hoedanigheid van opdrachtgever, maar ook, mits hij zijn beroep op onafhankelijke wijze uitoefent, door mee te werken aan opdrachten die zijn werkgever, die geen aannemer van werken of zakenkantoor is, voor rekening van derden heeft aanvaard; daarentegen uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat een rechtspersoon geen architecturale opdrachten jegens derden mag uitoefenen, wanneer hij daartoe de intellectuele prestaties benut van een architect die hij als werknemer tewerkstelt en die zijn beroep op onafhankelijke wijze uitoefent; de appèlrechters, aangezien ze beslissen dat eiser, in beginsel, zijn beroep als bezoldigde van zijn werknemer enkel mag uitoefenen als hij het voor rekening van laatstgenoemde in diens hoedanigheid van opdrachtgever uitoefent, en hij derhalve geen architectenopdrachten voor rekening van klanten van zijn werkgever mag uitoefenen, aan de wettelijke bepalingen inzake de uitoefening van het beroep van architect een beperking toevoegen die daarin niet voorkomt, en aldus alle in de aanhef van het middel aangewezen wettelijke bepalingen schenden:
Overwegende dat de architect, krachtens artikel 4, eerste lid, van het bij koninklijk besluit van 18 april 1985 goedgekeurde reglement van de beroepsplichten, zijn beroep uitoefent hetzij als zelfstandige, hetzij als ambtenaar of beambte van een openbare dienst, hetzij als bezoldigde; dat artikel 4, tweede lid, van voornoemd reglement bepaalt dat de architect, ongeacht zijn statuut, de nodige onafhankelijkheid moet hebben om zijn beroep uit te oefenen overeenkomstig de opdracht die van openbare orde is en de regels van de plichtenleer, om aldus de verantwoordelijkheid op te nemen voor de daden die hij stelt; dat de architect-bezoldigde krachtens artikel 7, tweede en derde lid, van dat reglement moet beschikken over de mogelijkheid zijn verantwoordelijkheid op te nemen in functie van de specificiteit van het beroep en onder meer erover moet waken dat de betrekkingen tussen zijn werkgever en diens medecontractant niet strijdig zijn met de wetten en reglementen die de uitoefening van het beroep van architect bepalen;
Overwegende dat uit de bepalingen niet kan worden afgeleid dat een architect-bezoldigde zijn beroep enkel ten dienste mag uitoefenen van een werkgever die als opdrachtgever bouwt;
Overwegende dat de raad van beroep, door te beslissen "dat de titel van architect-bezoldigde (aan eiser) verleend kan worden met toepassing van artikel 7 van het reglement van beroepsplichten, maar dan enkel voor rekening van D.B.A. als opdrachtgever", aan de wettelijke bepalingen inzake de uitoefening van het beroep van architect-bezoldigde een beperking toevoegt die daarin niet voorkomt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN;
Vernietigt de bestreden beslissing;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing;
Veroordeelt verweerder in de kosten;
Verwijst de zaak naar de anders samengestelde raad van beroep van de Orde van architecten met het Frans als voertaal.