Hof van Cassatie: Arrest van 17 Oktober 2002 (België). RG C010328F
Summary :
Ondergrondse oppervlakten vallen niet buiten de begripsomschrijving van "vloeroppervlakte" op grond waarvan de grondslag van de gewestbelasting wordt berekend die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vaststelt ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen.
Arrêt :
Add the document to a folder
()
to start annotating it.
Nr. C.01.0328.F.-
CIBIX,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST,
Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 21 december 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddel
Eiseres voert een middel aan:
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet ;
- de artikelen 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 7, ,§,§ 1 en 2, van de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestelijke belasting voor 1992 ;
- de artikelen 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 8, ,§,§ 1 en 2, van de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen.
Aangevochten beslissingen en redenen
Vooreerst stelt het bestreden arrest vast dat de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bij twee ordonnantiën van 23 juli 1992, een belasting heeft geheven ten laste van houders van zakelijke rechten op bebouwde eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn ; dat voormelde belasting "is vastgesteld, per bebouwde eigendom, op F 200 per vierkante meter vloeroppervlakte boven de eerste 300 vierkante meter of, als het gaat om oppervlakten die bestemd zijn voor industriële of ambachtelijke activiteiten, boven de eerste 1500 vierkante meter, zonder dat ze een bedrag overeenstemmend met 14 pct. van het kadastraal inkomen van de oppervlakte van de volledige eigendom of een gedeelte ervan, onderworpen aan de belasting, mag overschrijden" (artikel 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie; artikel 8, ,§ 1, van de tweede ordonnantie) ; dat, volgens ,§ 2 van bovenvermelde artikelen van de ordonnantiën, "voor de vaststelling van de in ,§ 1 hierboven bedoelde oppervlakten, dienen verstaan de oppervlakten van de vloeren gemeten zonder aftrek van de oppervlakten van de binnenmuren en doorgangen ; die oppervlakten worden beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren en het midden van de gemeenschappelijke muren" ; dat eiseres aan verweerster verklaard heeft dat de totale oppervlakte van haar in de F. te B. gelegen eigendom 24.000 m2 bedroeg ; dat op 21 april 1993 een belasting van 4.740.000 BEF ten kohiere werd gebracht ; dat eiseres om belastingvrijstelling verzocht tot beloop van het bedrag van 1.400.000 BEF, op grond dat de belastbare oppervlakte volgens haar slechts 17.000 m2 bedroeg, daar het criterium "vloeroppervlakte" het in aanmerking nemen van de ondergrondse oppervlakten uitsluit.
Vervolgens wijst het bestreden arrest het verzoek van eiseres om belastingvrijstelling af en veroordeelt haar in de kosten van beide instanties op de volgende gronden :
1."Er dient te worden nagegaan wat dient te worden verstaan onder het begrip 'vloeroppervlakte' dat in de ordonnantiën wordt gebruikt als grondslag voor de berekening van de belastbare oppervlakten ; (...) uitlegging van de tekst van de wet is alleen nodig wanneer de erin gebruikte bewoordingen onduidelijk of tegenstrijdig zijn ; zulks is te dezen niet het geval" ; "een beroep op de wetsgeschiedenis of op andere interpretatiebronnen is niet vereist wanneer de wettekst duidelijk is en geen uitlegging behoeft" ; "de term 'vloeroppervlakte' betekent immers klaar en duidelijk dat de belasting dient te worden berekend op basis van de totale oppervlakte tot de omtrek van de muren van de 'vloeren' van het gebouw, dat zijn de vlakke en horizontale oppervlakten die dienen ofwel om (binnen- en buiten)muren te dragen, ofwel om te worden gebruikt voor activiteiten binnen het gebouw, met de enkele uitsluiting van de verticale oppervlakten (muren), zelfs van de schuine oppervlakten (daken) die, per definitie, niet in aanmerking kunnen worden genomen voor een oppervlakteberekening" ;
2."een andersluidende beslissing zou tot gevolg hebben dat, zonder enige wettelijke grondslag en tegen alle logica in, alle ondergrondse oppervlakten van de grondslag van de belasting zouden worden uitgesloten, terwijl juist die oppervlakten thans een tendens tot uitbreiding vertonen wegens de dichte bebouwing van de grond die kenmerkend is voor de grote steden waar bewoning en alle bijbehorende activiteiten (handelszaken, parkeerplaatsen, ambachtelijke of industriële activiteiten)) voortdurend in intensiteit toenemen en zich in verticale richting ontplooien (verdiepingen en kelderverdiepingen) ten einde het tekort aan gelijkvloerse oppervlakten te verhelpen ; aldus zouden niet alleen onlogische toestanden ontstaan, maar zouden tevens soortgelijke activiteiten op ongelijke wijze worden behandeld al naargelang zij plaatsvinden 'op gelijkvloerse oppervlakten of op verdiepingen' dan wel in kelderverdiepingen, aangezien alleen de eerstgenoemde onderworpen zijn aan voormelde gewestbelasting; een dergelijk onevenwicht was niet de bedoeling van de gewestelijke wetgever die dat in de wettekst zou hebben opgenomen en de in de parlementaire voorbereiding van de ordonnantiën toegestane afwijking zou hebben gerechtvaardigd, wat niet het geval was";
3."het loutere feit dat de term 'gevel' wordt gebruikt in ,§ 2 van artikel 8 waarbij de berekening van de oppervlakte wordt beperkt tot 'het vlakke deel van de gevelmuren' vormt geen afdoende argument tegen voormelde stelling, daar onoplettendheid de reden zou kunnen zijn waarom de gewestelijke wetgever dat woord heeft gebruikt daar hij elders en in dezelfde paragraaf vermeldde dat voor de berekening van de belastbare oppervlakte de oppervlakte van de binnenmuren in aanmerking diende te worden genomen ; voor de berekening van de ondergrondse oppervlakten dient, naar analogie van de berekening van de bovengrondse oppervlakten, rekening te worden gehouden met de oppervlakten van de buitenmuren, ongeacht of het 'gevelmuren' of keldermuren zijn".
Grieven
2. Tweede onderdeel
1. Wanneer de wetgever een term of een uitdrukking gebruikt zonder ze te omschrijven, dienen ze in de gewone betekenis te worden opgevat, behalve wanneer uit de context of uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever daarvan heeft willen afwijken ; de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft bij twee ordonnantiën van 23 juli 1992 een belasting geheven ten laste van houders van zakelijke rechten op in dat gewest gelegen bebouwde eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn (artikelen 2 en 3, ,§ 1, inzonderheid c) "vastgesteld, per bebouwde eigendom, op F 200 per vierkante meter vloeroppervlakte boven de eerste 300 vierkante meter of, als het gaat om oppervlakten die bestemd zijn voor industriële of ambachtelijke activiteiten, boven de eerste 1 500 vierkante meter (...)" (artikel 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie ; artikel 8, ,§ 1, van de tweede ordonnantie), "de oppervlakten van de vloeren, gemeten zonder aftrek van de oppervlakten van de binnenmuren en doorgangen", zijn "beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren en het midden van de gemeenschappelijke muren" (artikelen 7, ,§ 2, van eerstgenoemde ordonnantie ; artikel 8, ,§ 2, van de tweede ordonnantie) ; de term "vloer" in de gewone betekenis doelt op "un ouvrage qui, dans une construction, constitue une plate-forme horizontale au rez-de-chaussée ou une séparation entre deux étages" (Petit Robert), of "un élément de construction horizontal entre deux étages d'une maison, d'un bâtiment" (Petit Larousse) of nog "le sol d'une pièce d'habitation" (Petit Larousse) ; in de gewone betekenis van het woord doelt de term "vloer" dus niet op de grond van een kelder of van een ondergrondse verdieping ; door in voormelde ordonnantiën van 23 juli 1992 een belasting in te voeren per m2 "vloeroppervlakte" had het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dus enkel de "vloer"oppervlakte in de gewone betekenis van het woord op het oog, namelijk de vloer van de gelijkvloerse of van de bovengrondse verdiepingen van het gebouw ; de gewestelijke wetgever heeft niet willen afwijken van de gewone betekenis van het woord "vloer", aangezien in ,§ 2 van de artikelen 7 en 8 van die ordonnantiën gepreciseerd wordt dat "de vloeroppervlakten" worden "beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren" ; een gevel is "la face antérieure d'un bâtiment où s'ouvre l'entrée principale, donnant le plus souvent sur la rue" of "un des côtés, exposé à la vue, d'un bâtiment" (Petit Robert) of nog "chacune des élévations extérieures d'un bâtiment présentant une importance fonctionnelle ou décorative (...) spécialement, (la) face d'un bâtiment comportant l'entrée principale" (Petit Larousse) ; de gevel van een gebouw bevindt zich dus noodzakelijkerwijze boven de grond ; de woorden "vloeroppervlakte" in de artikelen 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie en 8, ,§ 1, v
an de tweede ordonnantie, doelen dus op de "vloer"oppervlakte, dat is het horizontale gedeelte van de gelijkvloerse verdieping of van de verdiepingen van een gebouw die de enige zijn die door de "gevelmuren" van het gebouw worden begrensd.
2. Die uitlegging van het woord "vloer" wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis van de eerste ordonnantie ; bij de bespreking van artikel 7 immers vroeg een lid van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "of de bepaling van de oppervlakte dezelfde is als die welke wordt gebruikt om de verhouding vloer/terrein te bepalen inzake stedenbouw" ; de minister heeft hierop bevestigend geantwoord ; de woorden "verhouding vloer/terrein" worden gebruikt in het besluit van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 6 juli 1992 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om een stedebouwkundig attest ; krachtens artikel 6, 7°, van dat besluit moet bij dat dossier "een document worden gevoegd...
met vermelding van de netto- en bruto-verhouding vloer/terrein, de terreinbezettingsgraad en de woningdichtheid conform het model in bijlage IV van dit besluit" ; krachtens genoemde bijlage IV betreffende de "berekening van de verhouding vloer/terrein en van de woningdichtheid" dient de "verhouding P/S te worden aangegeven waarbij de index P als volgt wordt omschreven : "som van de bruto oppervlakte van alle vloeren begrepen in de niet-ondergrondse volumes die gesloten kunnen worden (vloeroppervlakten worden buitenwerks gemeten tussen de onbeklede buitenwanden van de gevelmuren). Voor de gedeeltelijk ondergrondse verdiepingen wordt de vloeroppervlakte berekend in verhouding tot het bovengrondse gedeelte van deze verdiepingen. Voor de vloeren op de zolder dient slechts het deel met een vrije hoogte van minimum 2,20 m te worden berekend", en waarbij de index S overeenkomt met de "netto oppervlakte van het terrein" ; inzake stedenbouw in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat de in de "vloer/terreinverhouding" gebruikte term "vloer" dus niet de volledig ondergronds gelegen verdiepingen.
3. Zowel uit de tekst van beide, in de aanhef van het middel vermelde ordonnantiën als uit de wetsgeschiedenis van eerstgenoemde ordonnantie blijkt dus dat de opstellers van de ordonnantiën de ondergrondse oppervlakten niet meegerekend hebben in de vloeroppervlakten ; aangezien de bepalingen van die ordonnantiën een belasting invoeren, dienen ze op beperkende wijze te worden uitgelegd en, ook al zou worden aangenomen dat zij een leemte bevatten, toch is het niet toegestaan ze bij analogie toe te passen.
4. Door te beslissen dat de belasting verschuldigd is op de oppervlakte van alle vlakke en horizontale oppervlakten van de bebouwde eigendommen, met inbegrip van de ondergrondse oppervlakten, waarvoor de berekening dient te geschieden "naar analogie van de berekening van de bovengrondse oppervlakten", schendt het bestreden arrest de artikelen 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 7 van eerstgenoemde ordonnantie van 23 juli 1992 en 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 8 van de tweede ordonnantie van 23 juli 1992.
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bij twee ordonnantiën van 23 juli 1992, respectievelijk betreffende de gewestbelasting voor 1992 ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, een belasting heeft geheven ten laste van de bezetters van bebouwde eigendommen, gelegen op het grondgebied van dat gewest, en van houders van een zakelijk recht op onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn ;
Dat zowel artikel 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie als artikel 8, ,§ 1, van de tweede ordonnantie bepalen dat de belasting wordt vastgesteld op basis van de "vloeroppervlakte" ;
Dat, naar luid van de tweede paragraaf van elk van die bepalingen, voor de vaststelling van de in ,§ 1 hierboven bedoelde oppervlakten, dienen verstaan de oppervlakten van de vloeren gemeten zonder aftrek van de oppervlakten van de binnenmuren en doorgangen ; die oppervlakten worden beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren en het midden van de gemeenschappelijke muren ;
Overwegende dat de parlementaire voorbereiding van een wet, met name de verklaring van een minister, niet kan aangevoerd worden tegen de duidelijke en ondubbelzinnige tekst van de wet ;
Overwegende dat het arrest beslist dat "de term 'vloeroppervlakte' klaar en duidelijk betekent dat de belasting dient te worden berekend op basis van de totale oppervlakte tot de omtrek van de muren van de 'vloeren' van het gebouw, dat zijn de vlakke en horizontale oppervlakten die dienen ofwel om de (binnenen buiten)muren te dragen ofwel om te worden gebruikt voor de activiteiten binnen het gebouw, met de enkele uitsluiting van de verticale oppervlakten (muren), zelfs van de schuine oppervlakten (daken), die per definitie niet in aanmerking kunnen worden genomen voor een oppervlakteberekening; dat een andersluidende beslissing tot gevolg zou hebben dat, zonder enige wettelijke grondslag en tegen alle logica in, alle ondergrondse oppervlakten van de grondslag van de belasting zouden worden uitgesloten, terwijl juist die oppervlakten thans de tendens tot uitbreiding vertonen wegens de dichte bebouwing van de grond, die kenmerkend is voor de grote steden waar bewoning en alle bijbehorende activiteiten (handelszaken, parkeerplaatsen, ambachtelijke of industriële activiteiten) voortdurend in intensiteit toenemen en zich in verticale richting ontplooien (verdiepingen en kelderverdiepingen) teneinde het gebrek aan gelijkvloerse oppervlakte op te vangen; dat aldus niet allen onlogische toestanden zouden ontstaan maar tevens soortgelijke activiteiten op ongelijke wijze zouden worden behandeld al naargelang zij plaatsvinden 'op gelijkvloerse oppervlakten of op verdiepingen' dan wel in kelderverdiepingen, aangezien alleen de eerstgenoemde onderworpen zijn aan voormelde gewestbelasting" ;
Dat het arrest aldus de beslissing dat de gewestelijke wetgever de ondergrondse oppervlakten niet van het begrip vloer heeft uitgesloten naar recht verantwoordt ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Philippe Echement, Didier Batselé, Daniel Plas en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van zeventien oktober tweeduizend en twee uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Greta Bourgeois en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,
CIBIX,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST,
Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 21 december 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddel
Eiseres voert een middel aan:
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet ;
- de artikelen 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 7, ,§,§ 1 en 2, van de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestelijke belasting voor 1992 ;
- de artikelen 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 8, ,§,§ 1 en 2, van de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen.
Aangevochten beslissingen en redenen
Vooreerst stelt het bestreden arrest vast dat de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bij twee ordonnantiën van 23 juli 1992, een belasting heeft geheven ten laste van houders van zakelijke rechten op bebouwde eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn ; dat voormelde belasting "is vastgesteld, per bebouwde eigendom, op F 200 per vierkante meter vloeroppervlakte boven de eerste 300 vierkante meter of, als het gaat om oppervlakten die bestemd zijn voor industriële of ambachtelijke activiteiten, boven de eerste 1500 vierkante meter, zonder dat ze een bedrag overeenstemmend met 14 pct. van het kadastraal inkomen van de oppervlakte van de volledige eigendom of een gedeelte ervan, onderworpen aan de belasting, mag overschrijden" (artikel 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie; artikel 8, ,§ 1, van de tweede ordonnantie) ; dat, volgens ,§ 2 van bovenvermelde artikelen van de ordonnantiën, "voor de vaststelling van de in ,§ 1 hierboven bedoelde oppervlakten, dienen verstaan de oppervlakten van de vloeren gemeten zonder aftrek van de oppervlakten van de binnenmuren en doorgangen ; die oppervlakten worden beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren en het midden van de gemeenschappelijke muren" ; dat eiseres aan verweerster verklaard heeft dat de totale oppervlakte van haar in de F. te B. gelegen eigendom 24.000 m2 bedroeg ; dat op 21 april 1993 een belasting van 4.740.000 BEF ten kohiere werd gebracht ; dat eiseres om belastingvrijstelling verzocht tot beloop van het bedrag van 1.400.000 BEF, op grond dat de belastbare oppervlakte volgens haar slechts 17.000 m2 bedroeg, daar het criterium "vloeroppervlakte" het in aanmerking nemen van de ondergrondse oppervlakten uitsluit.
Vervolgens wijst het bestreden arrest het verzoek van eiseres om belastingvrijstelling af en veroordeelt haar in de kosten van beide instanties op de volgende gronden :
1."Er dient te worden nagegaan wat dient te worden verstaan onder het begrip 'vloeroppervlakte' dat in de ordonnantiën wordt gebruikt als grondslag voor de berekening van de belastbare oppervlakten ; (...) uitlegging van de tekst van de wet is alleen nodig wanneer de erin gebruikte bewoordingen onduidelijk of tegenstrijdig zijn ; zulks is te dezen niet het geval" ; "een beroep op de wetsgeschiedenis of op andere interpretatiebronnen is niet vereist wanneer de wettekst duidelijk is en geen uitlegging behoeft" ; "de term 'vloeroppervlakte' betekent immers klaar en duidelijk dat de belasting dient te worden berekend op basis van de totale oppervlakte tot de omtrek van de muren van de 'vloeren' van het gebouw, dat zijn de vlakke en horizontale oppervlakten die dienen ofwel om (binnen- en buiten)muren te dragen, ofwel om te worden gebruikt voor activiteiten binnen het gebouw, met de enkele uitsluiting van de verticale oppervlakten (muren), zelfs van de schuine oppervlakten (daken) die, per definitie, niet in aanmerking kunnen worden genomen voor een oppervlakteberekening" ;
2."een andersluidende beslissing zou tot gevolg hebben dat, zonder enige wettelijke grondslag en tegen alle logica in, alle ondergrondse oppervlakten van de grondslag van de belasting zouden worden uitgesloten, terwijl juist die oppervlakten thans een tendens tot uitbreiding vertonen wegens de dichte bebouwing van de grond die kenmerkend is voor de grote steden waar bewoning en alle bijbehorende activiteiten (handelszaken, parkeerplaatsen, ambachtelijke of industriële activiteiten)) voortdurend in intensiteit toenemen en zich in verticale richting ontplooien (verdiepingen en kelderverdiepingen) ten einde het tekort aan gelijkvloerse oppervlakten te verhelpen ; aldus zouden niet alleen onlogische toestanden ontstaan, maar zouden tevens soortgelijke activiteiten op ongelijke wijze worden behandeld al naargelang zij plaatsvinden 'op gelijkvloerse oppervlakten of op verdiepingen' dan wel in kelderverdiepingen, aangezien alleen de eerstgenoemde onderworpen zijn aan voormelde gewestbelasting; een dergelijk onevenwicht was niet de bedoeling van de gewestelijke wetgever die dat in de wettekst zou hebben opgenomen en de in de parlementaire voorbereiding van de ordonnantiën toegestane afwijking zou hebben gerechtvaardigd, wat niet het geval was";
3."het loutere feit dat de term 'gevel' wordt gebruikt in ,§ 2 van artikel 8 waarbij de berekening van de oppervlakte wordt beperkt tot 'het vlakke deel van de gevelmuren' vormt geen afdoende argument tegen voormelde stelling, daar onoplettendheid de reden zou kunnen zijn waarom de gewestelijke wetgever dat woord heeft gebruikt daar hij elders en in dezelfde paragraaf vermeldde dat voor de berekening van de belastbare oppervlakte de oppervlakte van de binnenmuren in aanmerking diende te worden genomen ; voor de berekening van de ondergrondse oppervlakten dient, naar analogie van de berekening van de bovengrondse oppervlakten, rekening te worden gehouden met de oppervlakten van de buitenmuren, ongeacht of het 'gevelmuren' of keldermuren zijn".
Grieven
2. Tweede onderdeel
1. Wanneer de wetgever een term of een uitdrukking gebruikt zonder ze te omschrijven, dienen ze in de gewone betekenis te worden opgevat, behalve wanneer uit de context of uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever daarvan heeft willen afwijken ; de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft bij twee ordonnantiën van 23 juli 1992 een belasting geheven ten laste van houders van zakelijke rechten op in dat gewest gelegen bebouwde eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn (artikelen 2 en 3, ,§ 1, inzonderheid c) "vastgesteld, per bebouwde eigendom, op F 200 per vierkante meter vloeroppervlakte boven de eerste 300 vierkante meter of, als het gaat om oppervlakten die bestemd zijn voor industriële of ambachtelijke activiteiten, boven de eerste 1 500 vierkante meter (...)" (artikel 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie ; artikel 8, ,§ 1, van de tweede ordonnantie), "de oppervlakten van de vloeren, gemeten zonder aftrek van de oppervlakten van de binnenmuren en doorgangen", zijn "beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren en het midden van de gemeenschappelijke muren" (artikelen 7, ,§ 2, van eerstgenoemde ordonnantie ; artikel 8, ,§ 2, van de tweede ordonnantie) ; de term "vloer" in de gewone betekenis doelt op "un ouvrage qui, dans une construction, constitue une plate-forme horizontale au rez-de-chaussée ou une séparation entre deux étages" (Petit Robert), of "un élément de construction horizontal entre deux étages d'une maison, d'un bâtiment" (Petit Larousse) of nog "le sol d'une pièce d'habitation" (Petit Larousse) ; in de gewone betekenis van het woord doelt de term "vloer" dus niet op de grond van een kelder of van een ondergrondse verdieping ; door in voormelde ordonnantiën van 23 juli 1992 een belasting in te voeren per m2 "vloeroppervlakte" had het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dus enkel de "vloer"oppervlakte in de gewone betekenis van het woord op het oog, namelijk de vloer van de gelijkvloerse of van de bovengrondse verdiepingen van het gebouw ; de gewestelijke wetgever heeft niet willen afwijken van de gewone betekenis van het woord "vloer", aangezien in ,§ 2 van de artikelen 7 en 8 van die ordonnantiën gepreciseerd wordt dat "de vloeroppervlakten" worden "beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren" ; een gevel is "la face antérieure d'un bâtiment où s'ouvre l'entrée principale, donnant le plus souvent sur la rue" of "un des côtés, exposé à la vue, d'un bâtiment" (Petit Robert) of nog "chacune des élévations extérieures d'un bâtiment présentant une importance fonctionnelle ou décorative (...) spécialement, (la) face d'un bâtiment comportant l'entrée principale" (Petit Larousse) ; de gevel van een gebouw bevindt zich dus noodzakelijkerwijze boven de grond ; de woorden "vloeroppervlakte" in de artikelen 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie en 8, ,§ 1, v
an de tweede ordonnantie, doelen dus op de "vloer"oppervlakte, dat is het horizontale gedeelte van de gelijkvloerse verdieping of van de verdiepingen van een gebouw die de enige zijn die door de "gevelmuren" van het gebouw worden begrensd.
2. Die uitlegging van het woord "vloer" wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis van de eerste ordonnantie ; bij de bespreking van artikel 7 immers vroeg een lid van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest "of de bepaling van de oppervlakte dezelfde is als die welke wordt gebruikt om de verhouding vloer/terrein te bepalen inzake stedenbouw" ; de minister heeft hierop bevestigend geantwoord ; de woorden "verhouding vloer/terrein" worden gebruikt in het besluit van de Executieve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 6 juli 1992 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om een stedebouwkundig attest ; krachtens artikel 6, 7°, van dat besluit moet bij dat dossier "een document worden gevoegd...
met vermelding van de netto- en bruto-verhouding vloer/terrein, de terreinbezettingsgraad en de woningdichtheid conform het model in bijlage IV van dit besluit" ; krachtens genoemde bijlage IV betreffende de "berekening van de verhouding vloer/terrein en van de woningdichtheid" dient de "verhouding P/S te worden aangegeven waarbij de index P als volgt wordt omschreven : "som van de bruto oppervlakte van alle vloeren begrepen in de niet-ondergrondse volumes die gesloten kunnen worden (vloeroppervlakten worden buitenwerks gemeten tussen de onbeklede buitenwanden van de gevelmuren). Voor de gedeeltelijk ondergrondse verdiepingen wordt de vloeroppervlakte berekend in verhouding tot het bovengrondse gedeelte van deze verdiepingen. Voor de vloeren op de zolder dient slechts het deel met een vrije hoogte van minimum 2,20 m te worden berekend", en waarbij de index S overeenkomt met de "netto oppervlakte van het terrein" ; inzake stedenbouw in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat de in de "vloer/terreinverhouding" gebruikte term "vloer" dus niet de volledig ondergronds gelegen verdiepingen.
3. Zowel uit de tekst van beide, in de aanhef van het middel vermelde ordonnantiën als uit de wetsgeschiedenis van eerstgenoemde ordonnantie blijkt dus dat de opstellers van de ordonnantiën de ondergrondse oppervlakten niet meegerekend hebben in de vloeroppervlakten ; aangezien de bepalingen van die ordonnantiën een belasting invoeren, dienen ze op beperkende wijze te worden uitgelegd en, ook al zou worden aangenomen dat zij een leemte bevatten, toch is het niet toegestaan ze bij analogie toe te passen.
4. Door te beslissen dat de belasting verschuldigd is op de oppervlakte van alle vlakke en horizontale oppervlakten van de bebouwde eigendommen, met inbegrip van de ondergrondse oppervlakten, waarvoor de berekening dient te geschieden "naar analogie van de berekening van de bovengrondse oppervlakten", schendt het bestreden arrest de artikelen 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 7 van eerstgenoemde ordonnantie van 23 juli 1992 en 2, 3, ,§ 1, inzonderheid c, en 8 van de tweede ordonnantie van 23 juli 1992.
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bij twee ordonnantiën van 23 juli 1992, respectievelijk betreffende de gewestbelasting voor 1992 ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, een belasting heeft geheven ten laste van de bezetters van bebouwde eigendommen, gelegen op het grondgebied van dat gewest, en van houders van een zakelijk recht op onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn ;
Dat zowel artikel 7, ,§ 1, van eerstgenoemde ordonnantie als artikel 8, ,§ 1, van de tweede ordonnantie bepalen dat de belasting wordt vastgesteld op basis van de "vloeroppervlakte" ;
Dat, naar luid van de tweede paragraaf van elk van die bepalingen, voor de vaststelling van de in ,§ 1 hierboven bedoelde oppervlakten, dienen verstaan de oppervlakten van de vloeren gemeten zonder aftrek van de oppervlakten van de binnenmuren en doorgangen ; die oppervlakten worden beperkt tot het vlakke deel van de gevelmuren en het midden van de gemeenschappelijke muren ;
Overwegende dat de parlementaire voorbereiding van een wet, met name de verklaring van een minister, niet kan aangevoerd worden tegen de duidelijke en ondubbelzinnige tekst van de wet ;
Overwegende dat het arrest beslist dat "de term 'vloeroppervlakte' klaar en duidelijk betekent dat de belasting dient te worden berekend op basis van de totale oppervlakte tot de omtrek van de muren van de 'vloeren' van het gebouw, dat zijn de vlakke en horizontale oppervlakten die dienen ofwel om de (binnenen buiten)muren te dragen ofwel om te worden gebruikt voor de activiteiten binnen het gebouw, met de enkele uitsluiting van de verticale oppervlakten (muren), zelfs van de schuine oppervlakten (daken), die per definitie niet in aanmerking kunnen worden genomen voor een oppervlakteberekening; dat een andersluidende beslissing tot gevolg zou hebben dat, zonder enige wettelijke grondslag en tegen alle logica in, alle ondergrondse oppervlakten van de grondslag van de belasting zouden worden uitgesloten, terwijl juist die oppervlakten thans de tendens tot uitbreiding vertonen wegens de dichte bebouwing van de grond, die kenmerkend is voor de grote steden waar bewoning en alle bijbehorende activiteiten (handelszaken, parkeerplaatsen, ambachtelijke of industriële activiteiten) voortdurend in intensiteit toenemen en zich in verticale richting ontplooien (verdiepingen en kelderverdiepingen) teneinde het gebrek aan gelijkvloerse oppervlakte op te vangen; dat aldus niet allen onlogische toestanden zouden ontstaan maar tevens soortgelijke activiteiten op ongelijke wijze zouden worden behandeld al naargelang zij plaatsvinden 'op gelijkvloerse oppervlakten of op verdiepingen' dan wel in kelderverdiepingen, aangezien alleen de eerstgenoemde onderworpen zijn aan voormelde gewestbelasting" ;
Dat het arrest aldus de beslissing dat de gewestelijke wetgever de ondergrondse oppervlakten niet van het begrip vloer heeft uitgesloten naar recht verantwoordt ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Philippe Echement, Didier Batselé, Daniel Plas en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van zeventien oktober tweeduizend en twee uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Greta Bourgeois en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,