Hof van Cassatie: Arrest van 20 April 2004 (België). RG P030717N
Summary :
Uit de bijzondere formulering van een geldboete inzake douane en accijnzen, gelijk aan de ontdoken rechten of taksen of een veelvoud daarvan en van de verbeurdverklaring van de goederen volgt: dat wanneer in de tijd verschillende maar naar de wetsomschrijving of de bestraffing identieke douanemisdrijven, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet de, krachtens artikel 65 Strafwetboek, uit te spreken enige geldboete moet worden berekend op de som van de door die misdrijven ontdoken rechten en taksen; dat al de goederen waarop de bewezen verklaarde misdrijven betrekking hebben, moeten worden verbeurdverklaard (1). (1) Zie Cass., 13 jan. 2004, AR P.03.0646.N, nr .... Het O.M. had te dezen over het bepalen van de geldboete met toepassing van artikel 65 Sw. andersluidend geconcludeerd. Het had verwezen naar de andersluidende conclusie van het O.M. bij voornoemd arrest van 13 jan. 2004 (noot 2), naar de opheffing van artikel 100, tweede lid, Sw. en naar de arresten van het Hof van 11 mei 1999, AR P.98.0366.N, nr 275 en 9 jan. 2001, AR P.99.0333.N, nr 10. Daarentegen is artikel 65 Sw. niet toepasselijk op verbeurdverklaringen ingevolge artikel 64 Sw. (Cass., 23 sept. 1957, A.V., 1958, 19 en 8 dec. 1958, A.V., 1959, 298).
Arrêt :
I.
MINISTER VAN FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen te Antwer-pen, met kantoor te Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,
eiser, vervolgende partij,
vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie,
tegen
1. N. J.,
verweerder, beklaagde,
2. E.-S. S.,
verweerder, beklaagde,
3. L. C.-L.,
verweerster, beklaagde,
met als raadsman Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.
II.
L., C.-L., reeds vermeld,
eiseres, beklaagde,
met als raadsman mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld,
verweerder, vervolgende partij.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 9 april 2003 gewe-zen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eiser sub I stelt in een memorie een middel voor.
De eiseres sub II stelt in een memorie een middel voor.
IV. Beslissing van het Hof
A. Ambtshalve onderzoek
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikelen 65, eerste lid, en 100 Strafwetboek;
- artikel 221, ,§,§ 1 en 2, A.W.D.A.
Overwegende dat de appèlrechters de eerste en de derde verweerder sub I schuldig verklaren aan de hen sub A en sub B ten laste gelegde feiten, name-lijk de invoer zonder aangifte, door onttrekking aan de doorvoer, van goederen waarvan voor de invoer een invoervergunning en een oorsprongscertificaat ve-reist zijn, namelijk:
A. 500 kartons T-shirts ter waarde van 2.363.000 BEF waarop een invoerrecht van 12,5 % of 295.377 BEF verschuldigd is;
B. 730 kartons T-shirts ter waarde van 3.488.999 BEF waarop een invoerrecht van 12,5 % of 436.125 BEF verschuldigd is;
Dat de appèlrechters beslissen dat deze feiten de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, zodat overeenkoms-tig artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts één straf dient opgelegd te wor-den, namelijk telkens de zwaarste, dit is deze voor de tenlastelegging B, te we-ten tweemaal de waarde van de sub B vermelde goederen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden;
Dat de appèlrechters tevens slechts de verbeurdverklaring uitspreken van de goederen sub B;
Overwegende dat artikel 221 A.W.D.A. bepaalt:
",§ 1. In de bij artikel 220 bepaalde gevallen, worden de goederen in beslag genomen en verbeurd verklaard, en de overtreders lopen een boete op van tienmaal de ontdoken rechten, berekend volgens de hoogste douaneen accijn-srechten.
,§ 2. Voor verboden goederen beloopt de boete tweemaal de waarde.
,§ 3. Bij herhaling wordt de boete verdubbeld. "
Overwegende dat artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; dat krachtens artikel 100 Strafwetboek bij gebreke van andersluidende bepalingen in bijzondere wetten en besluiten de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek worden toegepast op de misdrijven die bij die wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85;
Overwegende dat, evenwel, uit de bijzondere formulering van een geld-boete inzake douane en accijnzen, gelijk aan de ontdoken rechten of taksen of een veelvoud daarvan en van de verbeurdverklaring van de goederen volgt:
- dat wanneer in de tijd verschillende maar naar de wetsomschrijving of de bes-traffing identieke douanemisdrijven, de opeenvolgende en voortgezette uitvoe-ring zijn van een zelfde misdadig opzet de, krachtens artikel 65 Strafwetboek, uit te spreken enige geldboete moet worden berekend op de som van de door die misdrijven ontdoken rechten en taksen;
- dat al de goederen waarop de bewezen verklaarde misdrijven betrekking heb-ben, moeten worden verbeurdverklaard;
Dat het bestreden arrest dat de geldboete berekent op de rechten en tak-sen op een van de bewezen verklaarde feiten en slechts de goederen verbeurd-verklaart waarop het feit B betrekking heeft, de hierboven vermelde wetsbepa-lingen schendt;
Overwegende dat, wat de schuldigverklaringen betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. Onderzoek van de middelen
Overwegende dat de middelen die niet tot ruimere cassatie noch tot cas-satie zonder verwijzing kunnen leiden, geen antwoord behoeven;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist over de aan de beklaagden J. N. en C.-L. L. op te leggen geldboete en geen verbeurdverklaring uitspreekt van de goederen van de telastlegging sub A;
Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Laat de kosten ten laste van de Staat;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van driehonderd tweeënzeventig euro vier cent, waarvan 1. op het cassatieberoep van de minister van Financiën: vijfenveertig euro tweeënzeventig cent verschuldigd en tweehonderd vijftig euro drieënzeventig cent door eiser betaald, en 2. op het cassatieberoep van C.-L.
L.: vijfenzeventig euro negenenvijftig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig april tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.