Hof van Cassatie: Arrest van 20 December 2001 (België). RG D000032N

Date :
20-12-2001
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20011220-1
Role number :
D000032N

Summary :

Een geseponeerde klacht is geen strafmaatregel in de zin van het E.V.R.M. en van het I.V.B.P.R.

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.
Nr. D.00.0032.N
C. C. , geneesheer,
eiseres tot cassatie van een beslissing, op 9 oktober 2000 gewezen door de raad van beroep van de Orde der Geneesheren, met het Nederlands als voertaal,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijke rechtspersoon, vertegenwoordigd door de voorzitter van haar Nationale Raad, gevestigd te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 34-35,
verweerster in cassatie,
vertegenwoordigd door mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Bourgeois en op de conclusie van advocaat-generaal Dubrulle;
Gelet op de bestreden beslissing, op 9 oktober 2000 gewezen door de raad van beroep van de Orde der Geneesheren, met het Nederlands als voertaal;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, en 14, eerste en derde lid, van het Internationaal Pact van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (B.U.P.O.), goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging,
doordat de raad van beroep eiseres de tuchtstraf oplegt van een maand schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen, na de zaak tot zich te hebben getrokken en te hebben geoordeeld dat "het horen van de echtgenote van klager D. P. als getuige niet nodig is daar hij (de raad) zich volledig ingelicht acht door de stukken van het dossier",
terwijl, eerste onderdeel, uit voormelde verdragsbepalingen het recht volgt van een tuchtrechtelijk vervolgde geneesheer om hoger beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie die al de garanties biedt bepaald bij deze artikelen, waaronder begrepen is dat de hogere rechtsinstantie volle rechtsmacht heeft en moet kunnen nagaan, aan de hand van alle elementen in feite en in rechte, of voldaan is aan die wettelijke vereisten van de straf, en bevoegd moet zijn om de beroepen beslissing in al haar aspecten te hervormen (Cass., 5 februari 1999, A.C. 1999, nr. 67); de artikelen 13, 1°, en 25, §1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 en de artikelen 29 e.v. van het koninklijk besluit van 6 februari 1970 uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van een hoger beroep; eiseres ter zitting van de provinciale raad van 17 juni 1998 een tussenvonnis vorderde over de vraag tot verhoor van de echtgenote van de heer D.P. (klager) als getuige en over de vraag om uitstel om haar verweerschrift te kunnen opmaken; de provinciale raad daarop niet inging en meteen tuchtstraffen uitsprak, waardoor eiseres de kans niet kreeg zich ten gronde te verdedigen en een verweerschrift neer te leggen; eiseres het recht op een dubbele aanleg heeft verloren doordat de raad van beroep de zaak tot zich trok en onmiddellijk ten gronde behandelde; het nadeel dat eiseres ondervond in eerste aanleg door het niet horen van de echtgenote van klager D.P. als getuige en door het niet kunnen neerleggen van een verweerschrift ten gronde (schending van haar recht van verdediging) bijgevolg niet kon worden hersteld in hoger beroep; de raad van beroep, bij afwezigheid van enig evocatierecht, in tegenstelling tot art. 215 Sv., de zaak dan ook terug naar de provinciale raad had moeten verwijzen (schending van de artikelen 6.1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en 14, eerste lid, van het B.U.P.O.-verdrag,
en van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging);
terwijl, tweede onderdeel, de klachtbrief tegen eiseres werd opgemaakt en ondertekend door de heer D.P. die echter niet aanwezig was tijdens de raadpleging; hij stelt dat zijn echtgenote niet wist dat het meegegeven product later zou worden gefactureerd maar dacht dat het om een gratis monster ging, wat met klem werd ontkend door eiseres; zij daarom vroeg de echtgenote van de heer D.P. te horen als getuige, nu zij de enige is die de ware toedracht kent van wat er gezegd werd tijdens bewuste raadpleging; de tegen eiseres gevoerde procedure bijgevolg steunt op de verklaring van een op het ogenblik van de feiten niet aanwezige derde, terwijl de klachtbrief niet werd ondertekend door zijn echtgenote; het door artikel 6.3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en 14, derde lid, van het B.U.P.O.-verdrag gewaarborgde recht om getuigen te laten verhoren door de rechter zorgvuldig dient getoetst aan de vereisten van een eerlijk proces (E.H.R.M. 8 juni 1976, Engel/Nederland, A 22, §91); voormelde echtgenote, die zelf nooit een verklaring aflegde en de klachtenbrief van haar echtgenoot niet ondertekende, als getuige dient aangemerkt (E.H.R.M. 20 november 1989, Kostovski/Nederland, A 166, §40) en de raad van beroep bijgevolg, door het gevraagde getuigenverhoor af te wijzen, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 6.3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en 14, derde lid, B.U.P.O.-verdrag en van voormeld algemeen rechtsbeginsel) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat uit de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR niet volgt dat een tuchtrechtelijk vervolgde geneesheer het recht heeft om hoger beroep in te stellen;
Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht;
Overwegende dat, krachtens artikel 25, §4, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de orde der geneesheren, de raden van beroep kennis nemen van het geheel van de zaak, zelfs indien enkel door de geneesheer hoger beroep werd ingesteld;
Dat overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 1068 van hetzelfde wetboek van toepassing is;
Dat de behandeling van de zaak in hoger beroep ertoe strekt om de onwettigheden en de miskenning van het recht van verdediging die in eerste aanleg zouden zijn begaan, te herstellen doordat de rechter in hoger beroep de wet en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging naleeft; dat de behandeling in hoger beroep niet uitsluit dat de zaak terug naar de provinciale raad moet worden verwezen;
Overwegende dat de provinciale raad in de beroepen beslissing oordeelde dat hij voldoende was voorgelicht en geen aanvullende getuigen moesten gehoord worden;
Overwegende dat de bestreden beslissing de beroepen beslissing vernietigt, de zaak in haar geheel herneemt en uitspraak doet over het horen van getuigen;
Overwegende dat de bestreden beslissing zodoende noch de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR schendt noch het recht van verdediging van eiseres miskent;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de feitenrechter onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van een bijkomende onderzoeksmaatregel evalueert, onverminderd het toezicht uit te oefenen door het Hof wanneer dit krachtens internationale verdragen opgelegd wordt;
Overwegende dat het onderdeel kritiek uitoefent op het oordeel van de raad van beroep dat het horen van een getuige niet nodig was en dit met aanvoering van de reden dat die getuige een nuttige inlichting had kunnen geven aan de raad;
Dat het onderdeel aldus opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door de feitenrechter;
Dat de in het onderdeel aangewezen verdragsbepalingen niet geschonden worden door het feit dat een rechter op grond van de stukken van het dossier zich volledig ingelicht acht;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, en 14.7 van het Internationaal Pact van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (B.U.P.O.), goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, en van het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem", zoals neergelegd in deze verdragsbepalingen,
doordat de raad van beroep eiseres de tuchtstraf oplegt van een maand schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen,
terwijl voormelde verdragsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel het verbod inhouden, na een definitieve vrijspraak of veroordeling, wegens dezelfde feiten een tweede vervolging in te stellen en een tweede straf uit te spreken; een administratieve sanctie en een strafsanctie wegens dezelfde feiten in de regel elkaar uitsluiten en niet kunnen gecumuleerd worden (Cass., 5 februari 1999, gecit.); eiseres voor dezelfde feiten reeds een sanctie met het karakter van een straf in de zin van artikel 6 EVRM heeft opgelopen door de beperkte kamer van het comité van de dienst voor geneeskundige controle, aangezien zij een algemene draagwijdte heeft en zowel een repressief als een preventief doel nastreeft; een strafklacht van de algemene farmaceutische inspectie bij de procureur des Konings te Gent werd geseponeerd, zodat de raad van beroep eiseres niet wettig een tuchtstraf heeft opgelegd (schending van de voormelde verdragsbepalingen en het vermelde algemeen rechtsbeginsel) :
Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat een sanctie opgelegd door de beperkte kamer van de dienst voor geneeskundige controle eensdeels, en een geseponeerde klacht anderdeels straffen zijn in de zin van het EVRM of van het IVBPR-verdrag;
Overwegende dat de bedoelde maatregelen geen strafmaatregelen zijn in de zin van de genoemde verdragen;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van dertienduizend zevenhonderd achtentwintig frank jegens de eisende partij en op de som van vijfduizend tweehonderd eenennegentig frank jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Bourgeois, Dirix, Maffei, Stassijns, en in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dubrulle, met bijstand van griffier Van Geem.